Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BG7943

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
08/399
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klaagschrift tegen inbeslagneming ex art. 94a Sv op skihal Terneuzen ongegrond verklaard.

Bij beschikking van 23 december 2008 heeft de rechtbank het door de eigenaresse van de skihal te Terneuzen ingediende klaagschrift tot opheffing van het op de skihal gelegde zgn. anderbeslag als bedoeld in art. 94a Wetboek van Strafvordering ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat weliswaar buiten redelijke twijfel dat klaagster als eigenaresse van deze skihal moet worden aangemerkt, maar behoeft haar eigendomsrecht niet te worden gerespecteerd nu zij voorshands als te kwader trouw ten aanzien van de herkomst der in de skihal geïnvesteerde gelden kan worden aangemerkt.

De gegrondverklaring van het klaagschrift voorzover gericht tegen het voordien door het openbaar ministerie op deze skihal gelegde beslag op de voet van art. 94 Wetboek van Strafvordering doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Middelburg

Sector Strafrecht

Raadkamernr.: 08/399

Beschikking van de rechtbank Middelburg, enkelvoudige kamer in strafzaken, op het klaagschrift ex art. 552a Wetboek van Strafvordering namens

De naamloze vennootschap HERSENCO NV

gevestigd en kantoorhoudende te 4533 RA Terneuzen aan de Waterlelielaan 12

ter griffie van de strafsector van deze rechtbank op 12 september 2008 ingediend door haar raadsman mr. Dunsbergen, advocaat te Goes, welk klaagschrift strekt tot opheffing van de achtereenvolgens krachtens art. 94a en art. 94 Wetboek van Strafvordering gedane inbeslagnemingen door het openbaar ministerie van de kadastrale objecten P 2675, P2676 en P2677 A1 te Terneuzen, nader te noemen: “de skihal”.

De procesgang

De rechtbank heeft het beklag, na enkele aanhoudingsverzoeken zijdens (eerst) het openbaar ministerie en (vervolgens) klaagster, op 28 oktober 2008 behandeld in raadkamer.

Klaagster is daar verschenen, vertegenwoordigd door haar beide bestuurders [betrokkene 1] en [betrokkene 2], bijgestaan door haar raadsman mr. Dunsbergen voornoemd. Voor het openbaar ministerie, bureau ontnemingswetgeving te ’s-Hertogenbosch, is verschenen mevr. mr. Ament.

De belanghebbenden [verdachte] te Terneuzen, zijn raadsman Mr. Beckers te Maastricht en de besloten vennootschappen Mewi Beheer BV en Chess BV, beide gevestigd te Terneuzen, zijn hoewel behoorlijk opgeroepen geen van allen in raadkamer verschenen of vertegenwoordigd.

De processtukken

De rechtbank heeft kennisgenomen van het “Proces-verbaal van bevindingen beslag onroerend goed Hersenco BV (voorheen LDZ NV) ten behoeve van raadkamer”, nummer 0809190930.0459.AMB in het onderzoek Wolvega – Roden – Paasloo, op ambtseed opgemaakt door S.R.P. Wiskerke, inspecteur/financiëel-rechercheur van het bureau bijzondere recherche eenheid politie Zeeland en gesloten op 3 oktober 2008 en van de daarbij in 15 clusters gevoegde bijlagen enkele waarvan op haar beurt van een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van deze of een andere politieambtenaar is vergezeld.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de door Mr Dunsbergen op 24 oktober 2008 toegezonden stukken, welke op diens verzoek bij het raadkamerdossier werden gevoegd.

Daartoe bij tussenbeschikking d.d. 25 november 2008 verzocht heeft de Officier van justitie de in het dossier ontbrekende bescheiden betreffende het 94a Sv-beslag aan de rechtbank overgelegd en de raadsman van klaagster de bescheiden betreffende een door hem in zijn pleitaantekeningen genoemd, door de officier van justitie te Middelburg op 13 augustus 2008 gelegde derdenbeslag onder klaagster op de vorderingen van haar (enig) aandeelhouder, tevens directeur, op klaagster.

Waar klaagster noch haar aandeelhoudster over dit derden-beslag een zelfstandig klaagschrift heeft ingediend, terwijl een klacht over dit (derde) beslag evenmin geacht kan worden begrepen te zijn in het ingediende klaagschrift zal de rechtbank dit beslag buiten beschouwing laten.

Het standpunt van klaagster.

Klaagster stelt dat zij enig eigenaresse is van de in beslag genomen voorwerpen en dat zij door de inbeslagnemingen, het voortduren daarvan en het uitblijven van een last tot teruggave bezwaard wordt, omdat zij deze alle onlosmakelijk met de skihal verbonden zaken met het oog op exploitatie wenst te verkopen. In raadkamer heeft [betrokkene 1] toegelicht dat klaagster slechts een projectontwikkelaar is en het ontwikkelde project niet zelf exploiteert. Het sluiten van een overeenkomst van verkoop waarover zij thans met drie partijen in vergevorderde onderhandeling is en haar daaruit voortvloeiende leveringsverplichting wordt, aldus klaagster, gefrustreerd, met mogelijke substantiële financiële schade voor haar als gevolg.

Naar klaagsters oordeel zijn de beide beslagen op onterechte gronden gelegd en geldt ten aanzien van het beslag ex art. 94 Wetboek van Strafvordering dat het belang van strafvordering zich niet tegen opheffing daarvan en de gevraagde teruggave verzet; terwijl1 ten aanzien van het beslag ex art. 94a Wetboek van Strafvordering geldt, dat - wat er ook zij van tegen [verdachte] gerezen verdenkingen van enig strafbaar feit als bedoeld in lid 1 van dit artikel - er geen enkele financiële betrekking tussen haar en [verdachte] is die deze inbeslagneming door het openbaar ministerie op enigerlei wijze rechtvaardigt. Niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten als bedoeld in art. 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering.

De pleitnota van klaagsters raadsman is bij de stukken gevoegd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de stellingen van klaagster gemotiveerd weersproken. Zij stelt dat de tenaamstelling van de beslagen onroerende zaken (de skihal) ten name van Hersenco NV een schijnconstructie is in het kader van het witwassen van drugsgelden door [verdachte] die, als bij witwassen gebruikelijk, de betrokkenheid van [verdachte] slechts beoogt te verhullen. Al de door en/of namens klaagster met de fiscus gevoerde correspondentie als door haar raadsman overgelegd doet daar niet aan af: de schijn moest hooggehouden.

De skihal betreft een voorwerp met betrekking waartoe de strafbare feiten door [verdachte] zijn gepleegd, reden waarom met het oog op een eventuele verbeurdverklaring op grond van art. 94 lid 2 Wetboek van Strafvordering de inbeslagneming heeft plaatsgehad. Naar het oordeel van de officier behoren de in beslag genomen voorwerpen feitelijk aan [verdachte] toe en verzet het belang van strafvordering zich tegen de gevraagde opheffing. Aangezien de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de skihal dan ook zal uitspreken, concludeert zij tot ongegrondverklaring van het beklag ex art. 94 Wetboek van Strafvordering.

Uit de drie ingestelde onderzoeken blijkt voorts dat een zeer groot gedeelte van het - op € 27.650.996 geschat - door Chess BV/[verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel terecht is gekomen in de skihal. Deze vormt dan ook een belangrijk verhaalsobject. Stellende dat tevens aan ál de vereisten van art. 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering is voldaan, concludeert de officier van justitie tot ongegrondverklaring van het beklag tegen het gelegde conservatoir ‘anderbeslag’ ex art. 94a Wetboek van Strafvordering.

Daarnaar gevraagd heeft de officier van justitie verklaard, dat ten aanzien van de beide achtereenvolgens plaatsgehad hebbende inbeslagnemingen geen rechtsregel zich verzet tegen het gaan liggen voor deze beide ankers uit het Wetboek van Strafvordering. Wel blijft het openbaar ministerie bereid bij eventuele vervreemding tegen een gebruikelijke marktprijs de beslagen op te heffen, zulks onder voorwaarde van zekerheidstelling door overmaking van de vervreemdingsopbrengst op de rekening van het bureau ontnemingswetgeving van het openbaar ministerie.

Ook de officier van justitie heeft haar op schrift gestelde reactie aan de rechtbank overgelegd.

De overwegingen van de rechtbank

de toepasselijke wetsbepalingen

Het is in beklagzaken als de onderhavige, waarin een derde klaagt dat een in beslaggenomen voorwerp aan haar toebehoort, de taak van de rechtbank om, zij het summierlijk, te onderzoeken

ten aanzien van een beslag ex art. 94 lid 2 jo art. 94b sub 3 Wetboek van Strafvordering: of dit voldoet aan de in deze artikelen genoemde vereisten en of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal uitspreken; alsmede

ten aanzien van een beslag ex art. 94a Wetboek van Strafvordering: of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het eigendomsrecht van de klager te worden gerespecteerd, tenzij zich het geval voordoet als bedoeld in art. 94a derde lid Wetboek van Strafvordering, namelijk dat het in beslag genomen voorwerp – kort gezegd – aan een derde te kwader trouw toebehoort. Om dat laatste aan te kunnen nemen moet aan alle in art. 94a derde lid Wetboek van Strafvordering genoemde cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Ingeval art. 94a derde lid Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, kan het beslag ook op in het vierde lid van meergenoemd artikel bedoelde goederen worden gelegd (Vglk. Gerechtshof ’s Gravenhage 8 oktober 2008, LJN BF7644).

Voorzover de raadsman in zijn pleitnotities onder 34 e.v. bedoelt te stellen, dat niet klaagster maar slechts [betrokkene 1] de ‘derde’ is in het onderhavige beslag ex art. 94a Wetboek van Strafvordering, miskent hij de aard van het specifiek in dit artikel geregelde beslag: een ‘anderbeslag’, géén derdenbeslag, en tevens dat eventuele wetenschap van de bestuurders van een rechtspersoon aan deze laatste kan worden toegerekend. Klaagster en niet [betrokkene 1] is in het onderhavige geschil ‘de ander’ als bedoeld in art. 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering.

Een derdenbeslag dat ter zake van vorderingen van [betrokkene 1] onder klaagster, dan wel enig derdenbeslag dat onder [betrokkene 1] zou zijn gelegd, zo begrijpt de rechtbank de pleitnotities op dit onderdeel, is in de onderhavige procedure echter niet aan het oordeel van de rechtbank onderworpen.

de gebleken feiten en op grond daarvan gerezen vermoedens en ontstane aanwijzingen

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen en de daarbij gevoegde bijlagen zijn uit de ingestelde onderzoeken Wolvega en Roden vermoedens gerezen dat uit, in de door Chess BV geëxploiteerde coffeeshop “Checkpoint” te Terneuzen verhandelde, verdovende middelen als wederrechtelijk voordeel drugsgelden zijn verkregen. Als verdachten van overtredingen van de Opiumwet ter zake zijn aangemerkt [verdachte], de rechtspersonen Chess BV en haar moedervennootschap Mewi Beheer BV, terwijl [verdachte] tevens verdacht wordt van het leiden van een criminele organisatie. Bestuurder en enig aandeelhouder van Mewi Beheer BV is [verdachte] voornoemd.

Uit het ingestelde vervolgonderzoek Paasloo is het vermoeden gerezen, dat [verdachte], feitelijk leidinggevende van Chess BV en/of van overige aan hem te relateren rechtspersonen, deze drugsgelden heeft geïnvesteerd in de financiering voor de aankoop van gronden en de bouw van een skihal c.a. daarop in de Koegorspolder te Terneuzen. Meer in het bijzonder dat [verdachte] na en via de oprichting van de rechtspersoon Leisure Development Zeeland NV (LDZ NV) meergenoemde drugsgelden daarin heeft geïnvesteerd, dit ter verwerving van deze gronden en de daarop gerealiseerde skihal door deze vennootschap.

Hij wordt terzake verdacht van overtreding van art. 420bis Wetboek van Strafrecht (witwassen).

Op vordering van het openbaar ministerie te Middelburg is in de eerste twee onderzoeken door de rechter commissaris te Middelburg op 12 oktober 2007 respectievelijk 18 januari 2008 een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek ex art. 126 Wetboek van Strafvordering verleend tegen de verdachte [verdachte]. Ingevolge art. 126b Wetboek van Strafvordering werd vervolgens door de officier van justitie van het bureau ontnemingswetgeving te ’s Hertogenbosch op 13 augustus 2008 “ten laste van [verdachte]” op de kadastrale objecten Terneuzen P 2675, P 2676 en P 2677 A 1. op de voet van art. 94a leden 3 en/of 4 van het Wetboek van Strafvordering conservatoir anderbeslag gelegd. Dit beslag werd door de gerechtsdeurwaarder gelegd met inachtneming van de terzake van zulk een beslag geldende bepalingen.

Door het openbaar ministerie te Middelburg werd op 19 augustus 2008 ten behoeve van een mogelijke verbeurdverklaring ex art. 94 lid 2 Wetboek van Strafvordering strafvorderlijk (‘klassiek’) conservatoir beslag gelegd op deze onroerende registergoederen/voorwerpen.

In het onderzoekskader zijn bij verscheidene doorzoekingen, onder meer bij [adviseur 1] te Terneuzen en ten kantore van de medebestuurder van klaagster, [betrokkene 2] voornoemd, documenten in beslaggenomen. [adviseur 1] verzorgt onder meer de belastingaangiften en jaarrekeningen voor [verdachte] privé, Mewi Beheer BV, Chess BV en de daaraan gelieerde ondernemingen, alsmede voor LDZ NV. Voorts werden diverse bankbescheiden bij de Rabobank te Sas van Gent en in het kader van een rechtshulpverzoek bij Crédit Agricole te Genève (Zwitserland) verkregen. Uit deze bescheiden blijkt de financiële betrokkenheid van [verdachte] bij de oprichting van LDZ NV, thans Hersenco NV geheten, en de aankoop van de gronden en de realisatie van de ski-hal te Terneuzen via haar.

Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal “Voorlopige berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Chess BV/[verdachte]” van 2 oktober 2008, als bijlage 2 bij het proces-verbaal van bevindingen gevoegd, wordt door het openbaar ministerie het wederrechtelijk verkregen voordeel van Chess BV over de periode 1 januari 2006 tot en met 20 mei 2008 geschat op € 27.650.996. Van dit bedrag werd in de periode van 27 juni 2007 tot en met januari 2008 een bedrag groot € 15.000.000 overgemaakt naar diverse buitenlandse rekeningen ten gunste van [verdachte]. In dit proces-verbaal wordt gesteld dat [verdachte] over het wederrechtelijk verkregen voordeel van Chess BV blijkt te kunnen beschikken.

Uit een zich bij de in beslag genomen stukken (bijlage 5 bij het proces-verbaal van bevindingen) bevindende akte van tussen [verdachte] en [betrokkene 1] gesloten overeenkomst van geldlening d.d. 20 mei 2005 blijkt dat [verdachte] financier zal zijn van een te realiseren skihal met bijbehorende voorzieningen te Terneuzen (het project), zulks met een nadrukkelijke rol achter de schermen. [verdachte] zal daartoe aan [betrokkene 1], de enig aandeelhouder en bestuurder van de op 27 mei 2005 opgerichte LDZ NV - welke rechtspersoon bij statutenwijziging van 15 juli 2008 haar naam heeft gewijzigd in Hersenco NV - een geldlening ter grootte van maximaal € 7.500.000 verstrekken in verband met de kapitaalsbehoefte van LDZ NV. Van dit overeengekomen bedrag stort [betrokkene 1] de aandelen vol van de zojuist opgerichte LDZ NV, en wel met de door Chess BV aan het notariskantoor overgemaakte bedrag ad € 250.000 en leent [betrokkene 1] aan LDZ NV op 18 oktober 2006 de resterende inmiddels door hem ontvangen € 7.250.000 door. Bij de totstandkoming van deze overeenkomst was mede betrokken de medebestuurder van LDZ NV, [betrokkene 2], terwijl als derde medebestuurder per datum van oprichting 27 mei 2005 staat ingeschreven de blijkens de stukken toentertijd aan Chess BV verbonden heer [betrokkene 3].

Uit deze en een groot aantal latere in de onderzoeken getraceerde betalingen blijkt de kennelijke bedoeling én zorg van partijen, de drie bestuurders van klaagster daaronder begrepen, om de financiering van de skihal (het project), voorzover afkomstig uit het vermogen van [verdachte] c.q. Chess BV, te leiden via [betrokkene 1]. In dit kader komt relevante betekenis toe aan de aan deze overeenkomst van geldlening gehechte sideletter van eveneens 20 mei 2005 waaruit naast het onverbrekelijk verband van deze geldlening met de vestiging van pandrecht op de aandelen ten gunste van [verdachte], met zoveel woorden blijkt dat de door [verdachte] aan [betrokkene 1] beschikbaar gestelde middelen door [betrokkene 1] vervolgens ter beschikking zijn gesteld c.q. ter beschikking gesteld zullen worden van LDZ.

Blijkens de in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerde gang van zaken met de daarbij gevoegde bijlagen is voldoende aannemelijk, dat de terbeschikkingstelling van gelden door [betrokkene 1] aan LDZ NV d.d. 18 oktober 2006 en zijn storting op de aandelen in deze NV, tezamen groot € 7.500.000 tot stand zijn gekomen middels het fourneren door of namens [verdachte] van als wederrechtelijk uit drugsgelden verkregen voordeel uit de door [verdachte] c.q. Chess BV geëxploiteerde Coffeeshop ‘Checkpoint’ te Terneuzen.

Zo wordt door LDZ NV op 27 september 2006 voor een bedrag groot € 2.500.000 van Indumeco BV – een volle dochtervennootschap van Chess BV en waarvan [verdachte] indirect de enig aandeelhouder en zelf tevens de enig bestuurder is – grond te Terneuzen gekocht ten behoeve van de bouw van de skihal. De te Genève ondertekende akte der koopovereenkomst vermeldt dat de koopsom ook op die datum is voldaan. Uit de bijlagen 12a en 12b, notities [adviseur 2] d.ds. 10 mei 2006 resp. 17 januari 2008, bij het proces-verbaal van bevindingen kan evenwel worden geconstateerd dat de kooppenningen ad € 2.500.000 toen niet door LDZ NV zijn voldaan. Wel blijkt dat deze niet betaalde € 2.500.000 deel uitmaken van de door [betrokkene 1] van [verdachte] eerder geleende € 7.500.000. Uit de door de officier van justitie aan de hand van de stukken op de pagina’s 4 en 5 van haar reactie besproken betalingen, komt naar voren dat deze € 7.500.000 in diverse tranches en op een weinig gangbare wijze, door [verdachte] – minst genomen grotendeels rechtstreeks vanuit Chess BV - zijn betaald.

Voor het totale project (skihal) was blijkens het onderzoek een bedrag groot € 20.576.895 benodigd. Ter verkrijging hiervan werd naast de door [betrokkene 1] van [verdachte] geleende € 7.500.000 als hiervoren aan de orde gesteld, door klaagster (toen nog geheten: LDZ NV) met de Rabobank te Sas van Gent een overeenkomst van hypothecaire geldlening groot

€ 13.500.000 gesloten. Wanneer deze bank op haar vragen dienaangaande van [betrokkene 1] echter verneemt, dat de te Genève gesloten koopovereenkomst voor de grond in Terneuzen in contanten is betaald en dat daarvan, kort gezegd, geen ‘papertrail’ aanwezig is, wordt deze kredietovereenkomst ontbonden: [betrokkene 1] verklaart niet de van zijn vader vereiste medewerking te kunnen krijgen om de Rabobank aan te tonen dat dit bedrag van zijn vader afkomstig was, terwijl het voorts door klaagster(s directeuren [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]) gedane aanbod om door middel van zgn. een “herstelbetaling” het bij de bank gerezen vermoeden, dat de onderhavige grondtransactie in het kader van witwassen tot stand was gekomen weg te nemen, door de bank niet is aanvaard.

De gang van zaken met betrekking tot deze aangeboden ‘herstelbetaling’ komt de rechtbank weinig zakelijk, maar als ter kennelijke verhulling van wat er feitelijk heeft plaats gehad wel verklaarbaar voor.

De aan de Rabobank aangeboden ‘herstelbetaling’ van de aankoopsom van de grond en de inrichting van die herstelbetaling zelf, die op 6 juni 2007 zou moeten hebben plaatsgehad, is zo blijkt uit de desbetreffende bankafschriften niet uitgevoerd op de wijze en binnen de termijn als door [betrokkene 2] bij brief/fax d.d. 10 mei 2007 aan de bank in het vooruitzicht was gesteld. Ook kan uit het aan de hand daarvan vervaardigde overzicht als weergegeven in het schema van bijlage 11.8 niet als zakelijk worden gekwalificeerd het kennelijk in het kader van deze zgn. herstelbetaling successievelijk plaatsgehad hebbend ‘schuiven’ met gelden door en tussen partijen Chess BV, [verdachte] & [betrokkene 2], [betrokkene 1], Klaagster en Indumeco BV.

Uit dit overzicht blijkt namelijk dat (1) op 25 mei 2007 door [verdachte] vanuit Chess BV een bedrag groot € 2.500.000 is overgemaakt naar de ten name van [verdachte] & [betrokkene 2] staande Fortisrekening; (2) dat dit bedrag een week later van deze gemeenschappelijke rekening van [verdachte] en klaagsters medebestuurder [betrokkene 2] is doorbetaald aan [betrokkene 1], zulks met omschrijving “[verdachte]”. Vervolgens blijkt hieruit dat (3) deze € 2.500.000 door [betrokkene 1] ten titel van ‘achtergestelde lening’ aan LDZ NV is doorbetaald om (4) vervolgens op 6 juni 2007 vanuit LDZ NV o.v.v. “Aankoop gronden Indumeco BV” aan Mewi Beheer BV te worden doorbetaald. Van de bankrekening van deze laatse blijkt (5) het totale bedrag binnen drie weken in negen tranches naar een (of meer) vooralsnog onbekende rekening(en) in het buitenland te zijn overgemaakt.

Uit deze blijkens de bankafschriften twaalf dagen geduurd hebbende “rondreis” van voornoemd bedrag kan geen ‘herstelbetaling’ aan de verkoopster van de grond, Indumeco B.V., zoals aan de Rabobank toegezegd worden gedistilleerd. Gelet op het ontbreken van enig inzicht gevende bescheiden en/of toelichting op deze overschrijvingen veeleer het ‘draaien van een rad voor de ogen’.

het bewijsaanbod en de afwijzing daarvan

Ter zitting heeft [betrokkene 1] verklaard dat de afwikkeling van deze grondtransactie te Genève aldus - op die wijze en aldaar - op het uitdrukkelijk verlangen van [verdachte] heeft plaatsgehad. Hij heeft aangeboden om alsnog een verklaring van zijn vader in rechte over te leggen, dat deze destijds de gelden voor de aankoop van het onroerend goed te Terneuzen aan hem ter beschikking had gesteld.

Dit aanbod wijst de rechtbank als niet ter zake doende van de hand. Zulk een eventuele verklaring van zijn vader voor de door de Rabobank gegispte ontbrekende ‘papertrail’ behoeft blijkens het vorenstaande en hetgeen voorts uit de onderzoeken naar voren is gekomen immers geenszins te wijzen op het ontbreken van wetenschap als bedoeld in art. 94 lid 3 Wetboek van Strafvordering bij klaagster(s bestuurders).

Dat [verdachte] ook verder in plaats van de Rabobank als geldschieter heeft gefungeerd blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorshands genoegzaam uit de door de officier van justitie in haar reactie genoemde stukken wanneer deze in onderling verband en samenhang worden beschouwd. Met name wijst de rechtbank op de volgende zich onder de bijlage 15 bij het proces-verbaal bevindende bescheiden: de geheimhoudingsverklaring d.d. 10 april 2008 welke reeds is ondertekend door [betrokkene 2], [adviseur 3] en [adviseur 4], het memo van [adviseur 3] d.d. 11 april 2008; de bespreekpunten d.d. 12 april 2008 van de hand van [adviseur 2]; de concept-vaststellingsovereenkomst tussen [verdachte] en [betrokkene 1] d.d. 10 april 2008 alsmede op de brief van [adviseur 4] aan [betrokkene 2], [adviseur 3] en [verdachte] d.d. 25 april 2008. Voorts zijn daar de bankafschriften van de Rabobank Sas van Gent en van Crédit Agricole in Zwitserland (bijlage 14 bij dit proces-verbaal). Lezing van deze stukken doet het ernstige vermoeden rijzen, dat bij het wegvallen van het Rabokrediet de resterende € 13.500.000 zelfs volledig door [verdachte] vanuit Chess BV zijn gefourneerd, zij het dat een volledig sluitend beeld in dit stadium van het Paasloo-onderzoek niet beschikbaar is: naar transacties voor een bedrag groot in totaal

€ 6.520.473 (‘sluitpost’) wordt nog nader onderzoek ingesteld.

De door de Rabobank blijkens de stukken aan de grondtransactie gegeven kwalificatie ‘mistig’ kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin onthouden worden aan de tijdens de mondelinge behandeling van het klaagschrift door de officier van justitie geschetste, hiervoor kort weergegeven gang van zaken bij klaagster.

Enig licht dat in een duidelijk andere richting wijst dan het aannemelijk geworden witwassen van drugsgelden door [verdachte] via klaagster in de skihal, hebben klaagster en haar vertegenwoordigers tijdens de op haar verzoek met gesloten deuren plaatsgehad hebbende raadkamerzitting niet kunnen werpen.

De stelling van klaagster, dat tussen [verdachte] en haar - c.q. haar bestuurders [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] - geen enkele de onderhavige inbeslagneming rechtvaardigende financiële betrekking bestaat, vindt blijkens het vorenstaande haar weerlegging in uit de sfeer van klaagster zelf afkomstige stukken: partijen hebben naar het zich laat aanzien getrouw de sideletter-bepaling bij de overeenkomst van geldlening van 20 mei 2005 als hierboven weergegeven uitgevoerd.

Voorts is aannemelijk dat de door [verdachte] ter beschikking gestelde gelden (in)direct van misdrijf of misdrijven afkomstig waren, hetgeen klaagster en haar drie - en na het vertrek van de medebestuurder [betrokkene 3] op 5 oktober 2006: twee overgebleven - bestuurders hebben geweten, althans hebben kunnen weten en moeten vermoeden. Hierop wijzen de inspanningen van verhaalsfrustratie door klaagster c.s., bestaande uit het uit de ingestelde onderzoeken helder naar voren gekomen, voortdurend en op diverse wijzen plaatsgehad hebbend afschermen naar buiten van iedere (schijn van) betrokkenheid van de persoon van [verdachte] en de door hem bestierde Chess BV, van wie het aan klaagster - niet alleen in de persoon van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], maar ook van [betrokkene 1] en al door hen voor en/of namens klaagster aangetrokken adviseurs - zoal niet reeds in 2005, dan toch eind september 2006 bekend was of kan zijn geweest dat zijn betrokkenheid bij het project in verband met zijn functioneren als coffeeshophouder van “Checkpoint” te Terneuzen zonder meer aan het welslagen van dit project in de weg stond. Ook het (ongemotiveerde) verdwijnen van [betrokkene 3] als bestuurder, de daarna plaatsgehad hebbende naamswijziging van klaagster, het stilzwijgen in de stukken en ter zitting door klaagster en haar bestuurders omtrent het zich ook maar een keer doen informeren naar de herkomst van de door [verdachte] ter beschikking gestelde gelden en/of aard van werkzaamheden waaruit hij deze genoot, kan mede gelet op de omvang van deze successievelijk ter beschikking gestelde gelden, niet anders dan als een bevestiging van het uit de stukken gerezen vermoeden van de vereiste wetenschap als bedoeld in art. 94a lid 3 sub c Wetboek van Strafvordering ter zake worden beschouwd.

Dat een aantal van de door de officier van justitie genoemde stukken ten tijde van de inbeslagnemingen daarvan (nog) niet door [betrokkene 1] waren ondertekend, zoals door de raadsman betoogd, doet aan het bestaan van de aanwijzingen van wetenschap bij klaagster(s bestuurders) omtrent de herkomst der gelden niet af.

Niet is immers gesteld, gebleken of aannemelijk geworden dat het niet-ondertekenen door [verdachte] en [betrokkene 1] van de concept-vaststellingsovereenkomst d.d. 10 april 2008 zijn grond (mede) had in de daarin opgenomen zinsneden als vervat in de considerans betreffende het optreden van [verdachte] als geldschieter, bijzondere partijen bekende omstandigheden [verdachte] aangaande, [betrokkene 1] als projectontwikkelaar van “de skihal” en de daarvoor reeds door [verdachte] gefourneerde “circa Euro 20 miljoen”.

Daarnaar gevraagd heeft [betrokkene 1] verklaard in België ervaring te hebben opgedaan als ontwikkelaar van grote projecten - als concreet voorbeeld noemde hij het bioscoopcomplex “Metropolis” te Antwerpen - en altijd te werken met ad-hoc adviseurs ter plaatse. Hij zag geen aanleiding om voor het onderhavige project te Terneuzen, zijn eerste in Nederland, omtrent de mogelijkheid waarvan hij via een gerenommeerde brouwerij als Heineken kennis had gekregen, van dit beleid af te wijken.

Wat daarvan ook zij, klaagster kan hieraan geen bescherming als ander-te-goeder-trouw ontlenen.

ten aanzien van de inbeslagneming ex art. 94 Wetboek van Strafvordering

Anders dan de officier van justitie stelt, kan naar het oordeel der rechtbank het ‘klassieke’ beslag ex art. 94 Wetboek van Strafvordering - ook na de, met het oog op doorbreking van schijnconstructies, plaatsgehad hebbende wetswijziging van 8 mei 2003, S. 202 waarbij het derde lid van art. 94a is ingevoerd - niet ten laste van een verdachte gelegd worden op onroerende zaken die een ander toebehoren. In artikel 94 wordt ook niet naar het bepaalde in art. 94a lid 3 verwezen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat voor situaties – “constructies” in de woorden van de Memorie van Toelichting – als thans aan de orde alleen art. 94a wordt aangevuld, zonder enige verwijzing naar het ongewijzigd gebleven art. 94. Weliswaar wordt door verschillende auteurs het tegendeel bepleit, maar in zijn arrest van 19 februari 2008, LJN: BA 7675, heeft de Hoge Raad, daarin zijn Advocaat-Generaal volgend, geen blijk gegeven zijn standpunt als vervat in zijn beschikkingen d.d. 9 januari 1996, JOW 1996, 127 (“BUCRO”) en NJ 1998, 591 m.n. Sch. op dit punt te herzien. Nu de onroerende voorwerpen (de skihal c.a.), hoezeer ook aannemelijk te zijn verworven met de uit Checkpoint van [verdachte] afkomstige drugsgelden, naar burgerlijk recht geen eigendom zijn/is van [verdachte] maar van klaagster, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring ervan in de tegen [verdachte] c.s. lopende strafvervolging zal uitspreken.

ten aanzien van de inbeslagneming ex art. 94a Wetboek van Strafvordering

Blijkens het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, zijn er voldoende aanwijzingen dat voldaan is aan de criteria voor de inbeslagneming ex art. 94a Wetboek van Strafvordering waarop het beklag betrekking heeft. Immers deze inbeslagneming heeft plaatsgehad:

- in de strafzaak tegen een of meer van misdrijf verdachte personen: [verdachte] en/of Chess BV,

- ter zake waarvan een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd;

- ter bewaring van het recht tot verhaal van een naar aanleiding van dat misdrijf/die misdrijven op te leggen ontnemingsmaatregel en/of die geldboete; en wel

- op voorwerpen (onroerende registergoederen: de skihal c.a.) van een ander: klaagster Hersenco NV, en

o welke skihal is gerealiseerd in en door klaagster met

o middelen die middellijk dan wel onmiddellijk afkomstig zijn van het misdrijf/de misdrijven in verband waarmee voordeel kan worden ontnomen;

o van welke skihal voldoende aanwijzingen zijn gebleken dat deze aan klaagster zijn gaan behoren met het doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en

o die ander, klaagster(s bestuurders) ten tijde van dit gaan toebehoren zoal niet wist(en) dan toch redelijkerwijze kon(den) vermoeden, dat al die voorwerpen (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.

Mitsdien moet worden beslist als volgt:

De rechtbank verklaart het beklag voorzover gericht tegen de inbeslagneming d.d. 19 augustus 2008 op de voet van artikel 94 Wetboek van Strafvordering gegrond,

zij verklaart ongegrond het beklag voorzover gericht tegen de inbeslagneming d.d. 13 augustus 2008 op de voet van artikel 94a Wetboek van Strafvordering,

zij wijst de gevraagde last tot opheffing en teruggave af.

Deze beschikking is gegeven door mr Woltring in het bijzijn van Heberlein-Guiran griffier en uitgesproken in openbare raadkamer op 23 december 2008.

Tegen deze beschikking staat voor klaagster en het openbaar ministerie binnen twee weken na de uitspraak beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden te ’s Gravenhage.