Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BF7317

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
12/715393-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte schuldig aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop door in duisternis en dichte mist te keren met vrachtauto (6 WvW 1994). Vrijspraak doodslag

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715393-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 oktober 2008

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte],

geboren [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

raadsvrouw mr. V.C. Serrarens, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 september 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Rammeloo, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 oktober 2007 te Axel, gemeente Terneuzen, opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet als

bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto) - terwijl op dat moment het zicht

ernstig werd belemmerd door mist en duisternis - op een autoweg (de Langeweg)

die vrachtauto op die weg gekeerd, waarbij dat voertuig met de achterwielen in de voor

verdachte rechts van die weg gelegen berm vast is komen te zitten, waardoor

de rijbaan van die weg geheel of gedeeltelijk door verdachtes voertuig werd

versperd en/of geen, althans onvoldoende maatregelen heeft getroffen om het

verkeer op die weg voor deze situatie te waarschuwen, waarna [slachtoffer], als bestuurder

van een personenauto tegen voornoemde vrachtwagen is gereden, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 11 oktober 2007 te Axel, gemeente Terneuzen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

vrachtauto, daarmede rijdende over de weg, de Langeweg, welke weg als autoweg

was aangeduid, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl het zicht door

duisternis en mist ernstig werd belemmerd, zijn voertuig in strijd met het

bepaalde in artikel 43 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

op die weg te keren, waarbij dat voertuig met de achterwielen in de voor

verdachte rechts van die weg gelegen berm vast is komen zitten, waardoor de

rijbaan van die weg geheel of gedeeltelijk door verdachtes voertuig werd

versperd en/of geen, althans onvoldoende maatregelen te treffen om het verkeer

op die weg voor deze situatie te waarschuwen en waardoor een over die weg rijdende bestuurder van een personenauto met verdachtes voertuig in botsing, althans in

aanrijding, is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

en voor zover terzake het onder 1 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet

mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 11 oktober 2007 te Axel, gemeente Terneuzen, als

bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de

Langeweg, welke weg als autoweg was aangeduid, terwijl het zicht door

duisternis en mist ernstig werd belemmerd, zijn voertuig in strijd met het

bepaalde in artikel 43 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

op die weg is gaan keren, waarbij dat voertuig met de achterwielen in de voor

verdachte rechts van die weg gelegen berm vast is komen zitten, waardoor de

rijbaan van die weg geheel of gedeeltelijk door verdachtes voertuig werd

versperd en/of geen, althans onvoldoende maatregelen te treffen om het verkeer

op die weg voor deze situatie te waarschuwen, en waardoor een over die weg rijdende bestuurder van een personenauto met verdachtes voertuig in botsing, althans in

aanrijding, is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van onvoorwaardelijk opzet. Verdachte heeft echter welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard (willens en wetens) dat zijn gedrag de dood van een andere verkeersdeelnemer tot gevolg kon hebben. Hij wist dat zijn handelen gevaarlijk was, maar hij heeft toch het risico genomen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu er geen sprake is van opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte er alles aan heeft gedaan om zo snel mogelijk zijn vrachtauto te keren. Tijdens het keren heeft hij een verkeerde manoeuvre gemaakt waardoor de achterwielen van de vrachtauto kwamen vast te zitten in de berm en de vrachtauto dwars op de rijstrook kwam te staan. Als hij had kunnen keren zoals hij had gepland had het ongeval nooit plaats gevonden. Gelet op het korte tijdsbestek tussen het moment waarop de vrachtauto kwam vast te zitten en het moment van de aanrijding kon verdachte niet anders handelen dan hij heeft gedaan.

De raadsvrouw heeft voorts vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde, nu het enkele keren op de weg niet als roekeloos kan worden aangemerkt. Om te komen tot roekeloos rijgedrag moet er een combinatie van fouten zijn.

4.4 De bewijsoverwegingen

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan. Verdachte is samen met een bijrijder in de vroege ochtend van 11 oktober 2007 met zijn vrachtwagen vanuit Wachtebeke vertrokken naar Sluiskil. Hij is via Zelzate Nederland binnengereden over de Tractaatweg. Het was nog donker en het zicht werd die ochtend ernstig belemmerd door dichte mist. Op een gegeven moment is verdachte rechtsaf geslagen waardoor hij op de Langeweg kwam te rijden. Na enige tijd besefte hij echter dat hij een afslag te vroeg had genomen. Verdachte is nog een eind doorgereden maar toen er geen afslag kwam heeft hij, uit angst te verdwalen en zich klem te rijden in een dorp, zijn vrachtwagen stilgezet op een pechstrook aan de rechterzijde van de rijbaan met de bedoeling om zijn vrachtwagen te keren. Hij heeft gewacht tot al het verkeer was gepasseerd en hij geen lichten meer zag. Zijn bijrijder heeft aangeboden om uit te stappen zodat hij kon aangeven of er verkeer aan kwam. Verdachte heeft dit aanbod afgeslagen. Hij wilde snel keren en was bang dat dit teveel tijd zou kosten omdat hij dan ook zijn bijrijder in de gaten moest houden. Verdachte heeft zijn vrachtwagen vooruit gereden op de rijstrook voor het tegemoet komende verkeer en vervolgens achteruit gestoken, zodat hij vervolgens de draai naar links kon maken en zijn weg in de tegenovergestelde richting kon vervolgen. Hij is echter iets te ver naar achteren gereden waardoor de achterwielen kwamen vast te zitten in de grasberm en hij niet meer weg kon. Het gevolg was dat zijn vrachtwagen dwars op de rijstrook voor het verkeer in de richting van Hulst kwam te staan. Verdachte heeft al zijn lichten aangedaan, maar verder niets gedaan om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen voor de door hem gecreëerde gevaarlijke situatie. Het slachtoffer is vervolgens met zijn auto in aanrijding gekomen met de vrachtwagen en als gevolg daarvan komen te overlijden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het die ochtend ontzettend mistig was en dat hij daarom zijn snelheid naar beneden heeft aangepast. De mist was voor hem reden om extra voorzichtig te zijn. Het zicht was ongeveer 60 tot 80 meter, aldus verdachte. Verder heeft hij desgevraagd verklaard dat hij onder normale omstandigheden, dat wil zeggen overdag en bij helder weer, zijn vrachtwagen pas keert als hij een zicht heeft van zeker 200 meter. Hij weet de totale lengte van zijn vrachtwagen niet, maar hij schat dat dit ongeveer

7 à 8 meter is. Ter hoogte van de pechstrook waar hij zijn vrachtwagen had stilgezet was de belijning in het midden van de weg onderbroken waardoor hij dacht dat hij daar mocht keren. Verdachte was niet op de hoogte van de Nederlandse regelgeving. Hij wist uit ervaring dat de mogelijkheid bestond dat de grasberm aan de kant van de weg zacht was en dat hij daar in vast kon komen te zitten.

Zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer kunnen onder omstandigheden doodslag opleveren. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat verdachte niet het onvoorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer had. Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een medeweggebruiker zou worden gedood ten gevolge van de handelingen van verdachte. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood – is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De Hoge Raad heeft zich al een aantal malen uitgelaten over voorwaardelijk opzet in het verkeer. De rechtbank merkt op dat in al deze arresten in de gedragingen van de verdachten een boosaardig element, zoals bijvoorbeeld het vlak voor een andere weggebruiker zonder noodzaak plotseling remmen of het opjagen van andere verkeersdeelnemers, aanwezig is. In casu is daar geen sprake van. Verdachte heeft alvorens te gaan keren al het verkeer laten passeren en toen hij geen lichten meer zag heeft hij zijn vrachtwagen snel willen keren om zodoende de overige verkeersdeelnemers niet in gevaar te brengen. Verdachte heeft echter de pech gehad dat de vrachtwagen met de achterwielen kwam vast te zitten en hij zodoende dwars over de rijstrook kwam te staan. Verdachte heeft weliswaar een enorm risico genomen door toen het nog donker was in dichte mist zijn vrachtauto te keren op een autoweg, maar hij heeft niet het voorwaardelijk opzet gehad op de dood van een andere verkeersdeelnemer. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op vorenstaande, dient te worden vrijgesproken van het aan hem primair tenlastegelegde.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat verdachte zich roekeloos heeft gedragen door zijn vrachtwagen op een autoweg te keren en vervolgens, nadat hij was komen vast te zitten, onvoldoende maatregelen te treffen om de overige verkeersdeelnemers te waarschuwen. Zij overweegt daarbij dat, nog daargelaten dat het niet is toegestaan om te keren op een autoweg, het zicht door de donkerte en de mist dermate slecht was dat dit op zichzelf al een reden had moeten zijn voor verdachte om niet te keren. Voorts wist verdachte als beroepschauffeur dat het risico aanwezig was dat de grasberm zacht was en dat hij daar in vast kon komen te zitten met zijn wielen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich zodanig roekeloos in het verkeer heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat het slachtoffer is komen te overlijden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 11 oktober 2007 te Axel, gemeente Terneuzen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

vrachtauto, daarmede rijdende over de weg, de Langeweg, welke weg als autoweg

was aangeduid, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, terwijl het zicht door

duisternis en mist ernstig werd belemmerd, zijn voertuig in strijd met het

bepaalde in artikel 43 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

op die weg te keren, waarbij dat voertuig met de achterwielen in de voor

verdachte rechts van die weg gelegen berm vast is komen zitten, waardoor de

rijbaan van die weg geheel of gedeeltelijk door verdachtes voertuig werd

versperd en onvoldoende maatregelen te treffen om het verkeer

op die weg voor deze situatie te waarschuwen en waardoor een over die weg rijdende bestuurder van een personenauto met verdachtes voertuig in aanrijding, is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit zou funest zijn voor zijn baan. Verdachte is een hardwerkende man met een jong gezin. De raadsvrouw heeft bepleit verdachte de kans te gunnen om verder te gaan met zijn leven. Verdachte heeft een verkeerde keuze gemaakt, maar hij heeft ook pech gehad dat de wielen van zijn vrachtauto kwam vast te zitten. Verdachte verkeerde daardoor in een soort overmachtsituatie, aldus de raadsvrouw. Zij heeft verzocht aan verdachte een werkstraf op te leggen en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, als verkeersdeelnemer, een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Er is geen sprake van een overmachtsituatie nu verdachte zichzelf in deze situatie heeft gebracht. Hij heeft zijn vrachtwagen, een groot en log gevaarte, in dichte mist gekeerd op een autoweg. Ingevolge artikel 43 van het RVV 1990 is keren op een autoweg verboden. Tijdens deze bijzondere manoeuvre is hij te ver achteruit gereden en zijn de achterwielen van de vrachtwagen vast komen te zitten in de grasberm. De vrachtwagen stond op dat moment dwars over de rijstrook voor het verkeer in de richting van Hulst. Dit had makkelijk voorkomen kunnen worden als zijn bijrijder was uitgestapt om aanwijzingen te geven. Vervolgens heeft verdachte nagelaten om, op het ontsteken van alle lichten van de vrachtauto na, ook maar iets te doen om het overige verkeer op de weg te waarschuwen voor de gevaarlijke situatie op de weg. Het slachtoffer is met zijn personenauto tegen de vrachtauto van verdachte aangereden en daarbij omgekomen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn vrachtwagen in de genoemde weersomstandigheden en op een weg waar het verboden was heeft gekeerd en dat hij vervolgens, nadat hij was komen vast te zitten, onvoldoende maatregelen heeft getroffen om er voor te zorgen dat andere verkeersdeelnemers niet tegen zijn vrachtauto zouden rijden.

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt in het bijzonder het belang van de lichamelijke gezondheid en integriteit van verkeersdeelnemers. Dit beschermde belang weegt zwaar. Verder beschermt voormeld artikel - in algemenere zin - de verkeersveiligheid. Het maatschappelijk belang van de verkeersveiligheid is zeer groot. Een ieder neemt - zij het niet met dezelfde intensiteit - deel aan het verkeer. Een ieder heeft dus direct belang bij verkeersveilig gedrag van de medeweggebruikers. Alle verkeersdeelnemers moeten er op kunnen vertrouwen dat professionele chauffeurs zich aan de zorgvuldigheidsnormen houden. Verdachte heeft door zijn onverantwoordelijke gedrag dit belang ernstig geschonden en daardoor veel verdriet veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van de reclassering van 7 december 2007 waaruit blijkt dat verdachte het verschrikkelijk vindt dat door zijn schuld iemand is overleden en dat hij zich realiseert dat hij de nabestaanden veel leed heeft bezorgd. De reclassering schat de kans op recidive laag in. Zij achten een reclasseringstoezicht niet geïndiceerd. Voorts merken zij in hun rapport op dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf er toe zal leiden dat verdachte zijn baan verliest.

Tot slot houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat nog rekening met het volgende. Er is inmiddels een jaar verstreken sinds het ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte toont ter terechtzitting berouw. Hij heeft zich niet opgedrongen aan de nabestaanden. Hij heeft net na het ongeval via zijn werkgever contact proberen te leggen met de nabestaanden van het slachtoffer. Zij stelden daar geen prijs op. Uit respect voor de nabestaanden heeft verdachte daarna geen contact meer gezocht met hen. Ter terechtzitting heeft hij echter verklaard dat als zij contact met hem willen hij daarvoor openstaat.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Hij heeft bij zijn vordering echter aansluiting gezocht bij de richtlijnen voor het subsidiair tenlastegelegde. De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. Het zijn slechts de bijzondere, in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden, die de rechtbank heeft doen besluiten hiervan ten gunste van verdachte af te wijken.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op vorenstaande, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank, nu zij van oordeel is dat met slechts een voorwaardelijke straf niet kan worden volstaan, een forse onvoorwaardelijke werkstraf als na te melden opleggen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat uit oogpunt van normhandhaving tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid dient te volgen. Zij acht een ontzegging voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest op zijn plaats. De rechtbank overweegt daarbij dat het algemene belang van de verkeersveiligheid dient te prevaleren boven het door de verdediging genoemde persoonlijke belang van verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het aldus bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 240 (tweehonderd-veertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. Gelderman, voorzitter, mr. Hopmans en mr. De Jager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 oktober 2008.