Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BE8997

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
12/715124-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachte is schuldig bevonden aan het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarige. Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 180 uren; een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715124-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 augustus 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

raadsman mr. G. Veen, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is op tegenspraak inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 augustus 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Smeenk, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

2.1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus

2007 tot en met 3 maart 2008 te Kapelle, gemeente Kapelle gemeente Schouwen-Duiveland, en/of Goes, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die de leeftijd van

twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die

[slachtoffer] geduwd/gebracht;

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.2 Nadere overweging omtrent de tenlastelegging

Aan verdachte was in eerste instantie tenlastegelegd dat hij de feiten in Kapelle, gemeente Schouwen-Duiveland, heeft gepleegd. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ervan uitgaat dat dit een kennelijke verschrijving is omdat iedereen weet dat Kapelle in de gemeente Kapelle ligt en niet in de gemeente Schouwen-Duiveland, zoals is tenlastegelegd. De officier van justitie heeft daarop de tenlastelegging gewijzigd en wel in die zin dat achter Kapelle wordt toegevoegd de gemeente Kapelle, en dat de zinsnede “gemeente Schouwen-Duiveland” komt te vervallen. Gelet op de inhoud van het dossier is echter evident dat de feiten niet in Kapelle maar in Biezelinge, gemeente Kapelle, hebben plaatsgevonden. De officier van justitie heeft de tenlastelegging dus niet op de juiste wijze gewijzigd. Nu verdachte echter heeft begrepen waar het over gaat en wat hem wordt verweten, en Biezelinge in het proces-verbaal ook als enige pleegplaats van de ontuchtige handelingen is vermeld, merkt de rechtbank de pleegplaats Kapelle aan als een kennelijke verschrijving, die aldus wordt verbeterd dat in plaats daarvan wordt gelezen Biezelinge.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Zij baseert zich daarbij onder andere op de aangifte, de verklaring van het slachtoffer en de bekennende verklaring van verdachte.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte is van mening dat het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op tijdstippen in de periode van 01 augustus

2007 tot en met 3 maart 2008 te Biezelinge, gemeente Kapelle,

met [slachtoffer] (geboren op

[geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handelingen

heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

telkens zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat de reden waarom zij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf vordert, maar een werkstraf, gelegen is in het feit dat verdachte inmiddels vrijwillig psychische hulp heeft gezocht voor zijn problemen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit aan verdachte een lagere werkstraf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd, nu verdachte over ongeveer anderhalve maand geopereerd zal worden aan zijn achillespees en het revalidatietraject lang zal duren. Het valt dus niet te verwachten dat verdachte binnen een redelijke termijn aan de werkstraf zal kunnen beginnen. Het opleggen van een lagere werkstraf kan eventueel gecompenseerd worden door een hogere voorwaardelijke straf op te leggen, aldus de raadsman. Verdachte is bereid zich te houden aan de bijzondere voorwaarde zoals door de officier van justitie gevorderd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 3 maart 2008 in totaal drie keer ontuchtige handelingen gepleegd met een minderjarige meisje. In genoemde periode was verdachte 45 jaar, terwijl zijn slachtoffer destijds 14 jaar was. De handelingen die verdachte pleegde bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer met zijn penis. Verdachte heeft misbruik van gemaakt van het feit dat het slachtoffer verliefd op hem was en het overwicht dat hij als volwassene op haar had.

De wetgever heeft, ook indien deze handelingen met instemming van de betrokken minderjarigen hebben plaatsgevonden, zoals door het slachtoffer en verdachte is verklaard, jeugdigen in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar juist tegen gedragingen als de onderhavige willen beschermen. Duidelijk is dat jeugdigen van deze jonge leeftijd niet in staat zijn alle gevolgen van genomen beslissingen te overzien en mede daardoor gemakkelijk door volwassenen overgehaald kunnen worden tot bepaalde handelingen. De verdachte had als volwassene beter moeten weten. Van hem had verwacht mogen worden dat hij de grenzen in acht zou nemen en in het belang van het slachtoffer zou handelen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is geweest voor zedendelicten.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de het rapport van psycholoog W.J.L. Lander d.d. 15 april 2008. Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat in de persoonlijkheid van verdachte antisociale trekken aanwijsbaar zijn, maar dat deze niet zodanig vanuit de ontwikkeling in de persoonlijkheid verankerd zijn dat het algehele functioneren ernstig wordt belemmerd. Derhalve is er geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis. De antisociale trekken laten zich bij verdachte kenmerken door een matig ontwikkelde gewetensfunctie, matig geïnternaliseerde normen en waarden, weinig schuldbesef en een grote mate van externaliseren. Verdachte voldoet niet aan de criteria om de diagnose pedofilie te kunnen stellen.

De impulscontrole van verdachte is voldoende en hij is in staat om zijn gedrag te reguleren. Hij is ook in staat om de consequenties van zijn gedrag te overzien. Verdachte dient met betrekking tot de tenlastegelegde feiten als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Naar het oordeel van de psycholoog is er een verhoogde kans op strafbare feiten als gevolg van de matig ontwikkelde maatschappelijke normen en waarden en de matig ontwikkelde gewetensfunctie. Hij acht de kans op recidive van een soortgelijk feit aanwezig. Om deze kans te verminderen adviseert de psycholoog dat verdachte zich laat behandelen bij een forensische instelling zoals het Dok te Breda. Om de motivatie van verdachte te verhogen heeft een behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde de voorkeur. Een verplicht reclasseringstoezicht dient om de aanmelding en de continuering van de behandeling te begeleiden.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering d.d. 11 juli 2008. Hieruit komt naar voren dat de reclassering het recidiverisico als gemiddeld schat. Verdachte ziet zichzelf vooral als slachtoffer. Gezien zijn delictverleden, de antisociale trekken en de door hen veronderstelde emotionele ontwikkelingsproblematiek vindt de reclassering een forensische therapie geïndiceerd. Zij denken daarbij niet zozeer aan de specifieke op zedendelinquenten gerichte groepsaanpak van het Dok, maar meer aan een “overall”aanpak door de Forensische Polikliniek (FPP) te Roosendaal. De reclassering adviseert om de kans op recidive in de toekomst te verminderen aan verdachte op te leggen een reclasseringstoezicht met als bijzondere voorwaarde dat verdachte een behandeling volgt bij de FPP te Roosendaal, het Dok te Breda of een andere ambulante forensische behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de feiten. Zij acht een lagere werkstraf zoals door de raadsman van verdachte verzocht gelet op de ernst van de feiten niet op zijn plaats. De omstandigheid dat verdachte op korte termijn aan zijn achillespees moet worden geopereerd, betekent niet dat verdachte een werkstraf van deze omvang niet kan voltooien binnen de termijn. De rechtbank overweegt daarbij dat de werkstraf binnen één jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis moet zijn voltooid. De officier van justitie kan deze termijn ambtshalve of op verzoek van de verdachte met één jaar verlengen. Daarnaast heeft de reclassering ook projecten voor personen, die kampen met gezondheidsproblemen. Verdachte heeft derhalve genoeg tijd om de werkstraf te voltooien.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het aldus bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte zich moet laten behandelen bij de Forensisch Polikliniek te Roosendaal, het Dok te Breda of een andere door de reclassering aan te wijzen forensische instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op, zulks met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door mr. Lameijer, voorzitter, mr. Van Dijk en mr. De Jager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 augustus 2008.