Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BE0035

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
61171/HA ZA 08-43
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(..)'' Partijen hebben op 11 januari 1994 een maatschapsovereenkomst gesloten, met als doel het exploiteren van een agrarisch bedrijf. In artikel 19 van die overeenkomst is een arbitraal beding opgenomen. ''(..)''

''(..)'' Terzake van tussen partijen ontstane geschillen heeft [eiser] een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt. Die procedure heeft geleid tot een arbitraal vonnis d.d. 6 november 2007 (hierna: het arbitrale vonnis).''(..)''

''(..)'' Het arbitrale vonnis is op 20 november 2007 bij de griffie van deze rechtbank

gedeponeerd. ''(..)''

''(..)'' Tussen partijen is tevens een procedure bij deze rechtbank aanhangig strekkende

tot verdeling van de door echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Deze procedure is aangehouden in afwachting van het vonnis in de onderhavige procedure. ''(..)''

''(..)'' Het geschil

De vordering luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het arbitraal vonnis te vernietigen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. ''(..)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

61171 / HA ZA 08-439

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 61171 / HA ZA 08-43

Vonnis van 30 juli 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te Kamperland, gemeente Noord-Beveland,

eiser,

procureur mr. J.M.E. Schieman,

tegen

[gedaagde],

wonende te Kortgene, gemeente Noord-Beveland,

gedaagde,

procureur mr. W.E. de Wit-de Witte.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding;

de conclusie van antwoord;

de conclusie van repliek;

de conclusie van dupliek.

De feiten

Partijen hebben op 11 januari 1994 een maatschapsovereenkomst gesloten, met als doel het exploiteren van een agrarisch bedrijf. In artikel 19 van die overeenkomst is een arbitraal beding opgenomen.

Terzake van tussen partijen ontstane geschillen heeft [eiser] een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt. Die procedure heeft geleid tot een arbitraal vonnis d.d. 6 november 2007 (hierna: het arbitrale vonnis).

In het arbitrale vonnis is onder meer vermeld:

3. Beoordeling van het geschil:

Eiser verzoekt de arbiters:

(a) Te verklaren dat [eiser] niet is gebonden aan de goedkeuring welke hij heeft verleend aan de jaarstukken van de maatschap over 2003;

(b) Te bepalen dat ongedaan wordt gemaakt de overgang per ultimo 2003 van alle onroerende goederen - landbouwgronden-, rechten-, productierechten- en schulden vanuit de maatschap naar privé alsmede te bepalen dat deze onroerende goederen, rechten en schulden behoren tot het actief en passief van de maatschap waarvan het bedrijf door [eiser] wordt voortgezet;

(…)

6. Beslissing met betrekking tot verzoeken aan arbiters:

(a) (…) Aan dit verzoek kan derhalve niet worden voldaan.

(b) Gezien het geheel van feiten en omstandigheden zoals hierboven weergegeven staat vast dat de gronden, rechten, productierechten en schulden bewust zijn onttrokken uit het zakelijk vermogen en naar privé zijn overgeheveld. Aan dit verzoek kan derhalve niet worden voldaan.

(…)

7. Overige beslissingen van de arbiters

(a) Sinds de overdracht van de gronden en rechten per 1 januari 2004 ligt het eigendom hiervan bij partijen in privé. Dit betekent derhalve dat bij de boedelscheiding deze gronden en rechten gewaardeerd dienen te worden op hun waarde in het economisch verkeer.

Het arbitrale vonnis is op 20 november 2007 bij de griffie van deze rechtbank

gedeponeerd.

Tussen partijen is tevens een procedure bij deze rechtbank aanhangig strekkende

tot verdeling van de door echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Deze procedure is aangehouden in afwachting van het vonnis in de onderhavige procedure.

Het geschil

De vordering luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het arbitraal vonnis te vernietigen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

[eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat de arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden, omdat

(1) zij niet hebben beslist op de grondslagen van de vorderingen,

(2) de in aanmerking te nemen beslissingsmaatstaven niet hebben toegepast, en

(3) meer hebben beslist dan gevorderd (met het geven van de onder 7a in het arbitrale vonnis genoemde beslissing).

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat de arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden. (Overige) gronden voor vernietiging ontbreken.

De beoordeling

Artikel 1065 lid 1 geeft een limitatieve opsomming van de gronden voor vernietiging van een arbitraal vonnis. [eiser] beroept zich op de onder lid 1 c genoemde vernietigingsgrond: het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden.

Allereerst dient beoordeeld te worden of de arbiters hun opdracht hebben geschonden door niet te beslissen op de grondslagen van de vorderingen. De toetsingsmogelijkheden van artikel 1065 lid 1 Rv zijn (met uitzondering van sub e) beperkt; een arbitraal vonnis kan niet (zelfs niet marginaal) op zijn inhoud worden getoetst. De beoordeling van de vraag of de arbiters op de grondslagen van de vorderingen hebben beslist, vereist echter een inhoudelijke toetsing van het arbitrale vonnis en valt daarom buiten die beperkte toetsingsmogelijkheid. De vordering is op grond van de onder 3.2 (1) genoemde stelling dan ook niet toewijsbaar.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de arbiters hun opdracht hebben geschonden door de in aanmerking te nemen beslissingsmaatstaven niet toe te passen. [eiser] stelt (in punt 17 van de dagvaarding en in punt 3 en 7 van de conclusie van repliek) dat de kern van de zaak is: ‘De arbiters hebben nagelaten de toewijsbaarheid van de vorderingen aan de hand van de in aanmerking te nemen beslissingsmaatstaven op basis van de door hem aangedragen grondslagen te toetsen’. Vervolgens stelt [eiser] (onder punt 6 bij repliek): ‘[eiser] heeft in de inleidende dagvaarding geen middel gericht tegen de door arbiters gekozen beslissingsmaatstaven’. Daaruit begrijpt de rechtbank dat [eiser] zich niet op het standpunt stelt dat de arbiters de verkeerde beslissingsmaatstaven hebben toegepast, maar op het standpunt dat de arbiters de toepasselijke beslissingsmaatstaven (‘regelen des rechts’) op onjuiste wijze of in het geheel niet hebben toegepast. De beoordeling van dat standpunt vergt een toetsing van de inhoud van het arbitrale vonnis, waarvoor, zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, geen plaats is. De vordering is daarom evenmin toewijsbaar op grond van de onder 3.2 (2) genoemde stelling.

Tenslotte dient te worden beoordeeld of de arbiters hun opdracht hebben geschonden door - met de onder 7a van het arbitrale vonnis vermelde beslissing - meer toe te wijzen dan is gevorderd.

De arbiters hebben aan hun oordeel dat de overgang (per 2003) van de gronden en rechten vanuit de maatschap naar privé in stand dient te blijven, (onder 7a) de conclusie verbonden dat de eigendom van die gronden en rechten per 1 januari 2004 bij partijen in privé ligt en dat ‘dit derhalve betekent dat bij de boedelscheiding deze gronden en rechten gewaardeerd dienen te worden op hun waarde in het economisch verkeer’. De gevolgtrekking die de arbiters maken, kan niet worden opgevat als een oordeel met de bedoeling de waarderingsgrondslag van de gronden en rechten tussen partijen bindend vast te stellen. De arbiters verwijzen slechts naar het algemene uitgangpunt in een verdelingsprocedure ten aanzien van goederen in privé: de waardering naar de waarde in het vrije economisch verkeer. De arbiters hebben dan ook niet meer toegewezen dan gevorderd. De vordering kan niet op de onder 3.2 (3) genoemde stelling worden toegewezen.

De vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis wordt gelet op het voorgaande afgewezen. [eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank,

- wijst de vordering af,

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 254,- aan vastrecht en € 904,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op

30 juli 2008.