Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD6910

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
08466
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De vrijstelling ex artikel 19, lid 3 van de WRO voor een woninguitbreiding ten behoeve van een gehandicapt kind is gebaseerd op een beleidsregel die apert onredelijk is. Bestreden besluit is geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/466VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[Naam],

wonende te [plaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland,

gevestigd te Zierikzee,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan [naam], te [plaats], (de vergunninghouder) vergunning verleend voor het vergroten van zijn woning op het perceel, kadastraal bekend: [nummer], en plaatselijk bekend: [straatnaam], te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd het bestreden besluit te schorsen.

Bij brief van 23 mei 2008 heeft verweerder de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit overgelegd aan de rechtbank. Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank gevraagd om ermee in te stemmen dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennisneemt van de stukken met inventarisnummer 16 en 17. Bij tussenuitspraak van 28 mei 2008 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

Het verzoek is op 3 juni 2008 behandeld ter zitting. Verzoekster is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam]. Als derde belanghebbende is de vergunninghouder in persoon verschenen.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover daarbij de toetsing door de voorzieningenrechter meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. De betreffende algemene maatregel van bestuur is het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985).

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en sub a, ten eerste, van het Bro 1985 komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

3. Voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO heeft verweerder beleidsregels opgesteld. Daarin is ten aanzien van een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom het volgende bepaald (voor zover hier van belang):

“C. voor een uitbreiding of aangebouwd bijgebouw aan de achtergevel:

- tot een maximale oppervlakte van 40 m2 op het erf buiten het bebouwingsvlak. Het erf mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd;

- mits de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en mits niet meer dan 1/6 van het erf buiten het bebouwingsvlak wordt bebouwd tot een maximale oppervlakte van 100 m2 indien het erf, gelegen buiten het bebouwingsvlak, gelijk aan of groter is dan 360 m2;

- de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 1 meter bedragen, mits dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;

-----

- de dakvoethoogte bedraagt maximaal 3,3, meter en de totale hoogte bedraagt maximaal 6 meter.

-----

H. In geval van bouwplannen die verband houden met uitbreidingen voor mensen met een beperking en waarvoor, bijvoorbeeld op grond van de Wet voorzieningen Gehandicapten, een noodzaak bestaat, bestaat de mogelijkheid om op grond hiervan vrijstelling te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is.

4. Het bouwplan behelst een uitbreiding op de begane grond en de eerste verdieping van de woning aan de [straatnaam], te [plaats]. Op dit perceel rust volgens het vigerende bestemmingsplan “Poortambacht 8, 2e gedeeltelijke uitwerking” (verder: het bestemmingsplan) de bestemming woondoeleinden, categorie A. De gevraagde uitbreiding van de woning is gelet op de bebouwingsstrook op de plankaart niet toegestaan. De welstandscommissie heeft op 28 januari 2008 een negatief advies over het bouwplan uitgebracht.

5. Verweerder heeft met gebruikmaking van zijn vrijstellingsbevoegdheid ex artikel 19, derde lid, van de WRO een bouwvergunning verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvrager in voldoende mate heeft aangetoond dat de uitbreiding medisch noodzakelijk is, zodat de bouwaanvraag past binnen het vrijstellingenbeleid onderdeel H. De beperking van de lichtinval op de gevel van naastgelegen woningen is niet voldoende zwaarwegend om af te wijken van het vrijstellingenbeleid. Er bestaat geen reëel alternatief waarbij een vergelijkbaar resultaat wordt behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De medische noodzaak van de uitbreiding is voor verweerder aanleiding om het advies van de welstandscommissie te passeren.

6. Verzoekster stelt daar tegenover dat verweerder in strijd met de beleidsregels heeft gehandeld. De bouwvergunning voldoet niet aan de criteria onder C. Het bepaalde onder H is een aanvulling op C. Een andere uitleg kan in redelijkheid niet worden aanvaard. Verzoekster betwist de medische noodzaak van deze uitbreiding. Er is niet aangetoond dat met behulp van andere voorzieningen dan wel met een uitbreiding uitsluitend op de begane grond volstaan kan worden, waarbij ook kan worden voldaan aan de redelijke eisen van welstand. De wens van de vergunninghoudende ouders om [naam dochter] thuis te verzorgen wordt uitdrukkelijk gerespecteerd. De thans gekozen oplossing schaadt de belangen van verzoekster echter onevenredig. Verweerder heeft onvoldoende het belang van verzoekster betrokken bij zijn afwegingen.

7. De vergunninghouder heeft aangegeven dat de verbouwing dringend nodig is voor de normale verzorging van zijn meervoudig gehandicapte dochter [naam]. Plaatsing in een AWBZ-instelling vinden de ouders onwenselijk.

8. Ter zitting is gebleken dat verweerder de stukken, waarvan beperkte kennisneming door de rechtbank is geweigerd, aan de gemachtigde van verzoekster heeft toegezonden. Deze stukken zijn door de rechtbank daarom aan het dossier toegevoegd en door de voorzieningenrechter in zijn beoordeling betrokken.

9. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

10. Verweerder kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot het hanteren van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid van de WRO. In dit geding is de toepassing van onderdeel H van verweerders Beleidsregels artikel 19 lid 3 van de WRO (verder: de beleidsregels) aan de orde. Er is aan de beleidsregels geen toelichting toegevoegd.

11. De opvatting van verzoekster dat uit de samenhang van de beleidsregels volgt dat zowel moet worden voldaan aan de eisen gesteld onder sub C en daarnaast aan sub H onderschrijft de voorzieningenrechter vooralsnog niet. Die opvatting zou immers ofwel betekenen dat een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom dan wel de andere uitbreidingen genoemd onder A, B, D en E zouden kunnen worden toegestaan uitsluitend in die gevallen waarbij er sprake is van een medische noodzaak ofwel dat de regel onder H elke betekenis mist. Dat een dergelijk vergaand, niet-planologisch criterium bepalend is voor de toepassing van artikel 19, derde lid van de WRO is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een onredelijke en onlogische uitleg van de beleidsregels.

12. De voorzieningenrechter gaat er dus vanuit, evenals verweerder, dat onderdeel H ten opzichte van de andere onderdelen A tot en met G een zelfstandige betekenis heeft.

De voorzieningenrechter is echter vooralsnog van oordeel dat de wijze, waarop de beleidsregel onder H door verweerder wordt geïnterpreteerd en toegepast, apert onredelijk is. Deze interpretatie houdt volgens de toelichting van verweerder ter zitting in dat aan een vrijstelling, gebaseerd op onderdeel H, geen enkele planologische beperking is verbonden. Alle planologisch beperkende voorschriften in de beleidsregels zouden door de toepassing van onderdeel H geheel ondergeschikt zijn aan dit niet-planologische criterium.

Door deze toepassing is de beleidsregel onder H daarom in strijd met de rechtszekerheid, die belanghebbenden aan het bestemmingsplan en aan het beleid inzake vrijstellingen van het bestemmingsplan kunnen ontlenen, omdat dan slechts een medisch criterium leidend en doorslaggevend is en andere belangen steeds minder zwaar worden gewogen.

13. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de in zijn toepassing onredelijke beleidsregel onder H niet ten grondslag mocht leggen aan het besluit om de gevraagde vrijstelling en vergunning voor de woninguitbreiding te verlenen.

14. De voorzieningenrechter merkt verder op dat noch uit de medische verklaring van de revalidatiearts, noch uit de toelichting van de architect de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend de thans vergunde uitbreiding van de woning van vergunninghouders hen in staat stelt om hun – begrijpelijke en te respecteren – wens om [naam dochter] thuis te verzorgen te realiseren. Ter zitting is gebleken dat verzoekster oog heeft voor de noden van haar buren en bereid is om met een op andere wijze vormgegeven, minder bezwaren opleverende, toereikende uitbreiding van de woning van vergunninghouders in te stemmen

15. Gelet op het hogeroverwogene bestaat er thans zodanig ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet tot het schorsen van het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

16.De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

schorst het bestreden besluit tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar;

bepaalt dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 (honderdvijfenveertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Schouwen-Duiveland aan verzoekster.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2008

door mr. G.J.A. van Unnik als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: