Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD5887

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/1236
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag, politieregio zeeland, ambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/1236

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. N.D. Dane (Nederlandse Politiebond),

tegen

de korpsbeheerder van politieregio Zeeland,

verweerder.

I. Procesverloop

Op 2 juli 2007 heeft verweerder besloten eiser wegens plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen, inhoudende ontslag met onmiddellijke ingang.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 23 april 2008 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Weimar en drs. P.D. Spies.

II. Overwegingen

1. Op grond van het bepaalde in artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp), kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan een plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair gestraft worden.

Ingevolge het tweede lid van artikel 76 van het Barp, omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp, is bepaald dat een van de straffen die kunnen worden opgelegd, ontslag is.

In artikel 82 van het Barp is bepaald dat bij de oplegging van de straf kan worden bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van onderhavig beroepschrift uit van het navolgende.

Uit de stukken is af te leiden dat eiser omstreeks 18 augustus 2006 was geplaatst op een kantoorfunctie, omdat hij tijdelijk niet in staat was buitendienstwerk te verrichten. In die tijd kreeg hij het verzoek van zijn collega [naam collega] om in een (kinder)zaak met de behandeling waarvan [naam collega] was belast, een getuige, [naam getuige] genaamd, te horen. [naam collega] had daar geen tijd voor en bij de afwerking van het dossier was haast geboden.

Eiser heeft het verhoor van [naam getuige] afgenomen en het daarvan opgemaakte proces-verbaal door die [naam getuige] laten ondertekenen. Eiser heeft hierbij met [naam getuige] afgesproken dat hij het proces-verbaal nog zou nalopen en zonodig zou verbeteren en de verbeterde versie aan [naam getuige] ter tekening zou voorleggen. Eiser heeft die verklaring vervolgens verbeterd en aangepast, maar die niet meer door [naam getuige] laten ondertekenen. Eiser is daar niet meer aan toe gekomen, omdat hij met ouderschapsverlof zou gaan.

Rond februari 2007 is bij zowel [naam collega] als bij eiser een bericht binnen gekomen van de officier van justitie dat de kinderrechter in de rechtbank Middelburg de verklaring van de getuige [naam getuige] buiten beschouwing heeft gelaten, omdat daarin was geknoeid. In het bijzonder was daarop op de laatste van vier bladzijden de handtekening van zowel die [naam getuige] als die van eiser “geknipt en geplakt”, dat wil zeggen dat het ondertekeningsblok van het oude proces-verbaal was geknipt en vervolgens onder het nieuwe proces-verbaal was geplakt.

Naar aanleiding van dit voorval is bij verweerder een intern onderzoek gestart en zijn zowel eiser als [naam collega] gehoord. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij het door de kinderrechter aangetroffen stuk niet als zodanig heeft opgemaakt. [naam collega] heeft toen verklaard dat hij bedoeld stuk in zijn postvak heeft aangetroffen en dat heeft toegevoegd aan het strafdossier.

Op grond van de verklaringen van eiser en [naam collega] heeft verweerder het aannemelijk geacht dat eiser het geïncrimeerde stuk heeft opgemaakt en daarop het disciplinaire ontslag van eiser gebaseerd. In het bijzonder zou eiser wisselende verklaringen hebben afgelegd. In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

Zoals ter zitting is gebleken is naar de rol van [naam collega] nog onderzoek gaande.

3. Van de zijde van eiser is in beroep aangevoerd dat hij geen enkele bemoeienis heeft gehad met het afknippen van het ondertekeningsblok en daar dan ook niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Dat eiser hier wel verantwoordelijk voor zou zijn kan niet worden gebaseerd op deugdelijk vastgestelde feiten. Eiser erkent de verklaring na het verhoor aangepast te hebben, waarna hij zowel de aangepaste als de ondertekende verklaring in zijn

-eisers- postvakje heeft opgeborgen, een en ander om het later uit te werken. Voorts treft hem geen blaam voor het feit dat de gewijzigde getuigenverklaring in het strafdossier is gekomen en ter kennis is gekomen van zowel de Officier van Justitie als de Rechter.

4. Omtrent de vraag of verweerder het aannemelijk heeft kunnen of mogen achten dat eiser het bedoelde stuk heeft opgemaakt overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser ontkent bedoeld stuk te hebben opgemaakt en anders dan de verklaring van [naam collega] zijn daar naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen aanknopingspunten voor. Weliswaar heeft eiser verzuimd de door hem gewijzigde verklaring zoals afgesproken aan [naam getuige] voor te leggen, doch daarvan wordt hem thans geen verwijt gemaakt en een dergelijk verwijt zou ook niet zonder bijkomende gronden het disciplinaire ontslag kunnen schragen.

Verder is niet gebleken dat eiser er enig belang bij had het stuk op te maken, zoals dat is aangetroffen door de kinderrechter. Eiser kan er ook geen verwijt van worden gemaakt dat hij na een onderbreking van ruim een half jaar wegens ouderschapsverlof zich niet meer precies weet te herinneren waar hij de door [naam getuige] ondertekende verklaring en de aangepaste versie daarvan heeft weggelegd. Dat hij die verklaring(en) in het postvakje van [naam collega] heeft gedaan is zeer wel aannemelijk; immers [naam collega] was met het onderzoek waarvan de verklaring van [naam getuige] deel moest gaan uitmaken bezig en het is dan niet meer dan begrijpelijk dat eiser de voor [naam collega] bestemde stukken in het postvakje van [naam collega] legt.

De verklaringen van eiser bieden derhalve naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag om de door verweerder aangenomen aannemelijkheid te baseren.

Voorts overweegt de rechtbank dat [naam collega] heeft verklaard dat hij het door de kinderrechter aangetroffen stuk destijds in zijn postvakje heeft aangetroffen. Ondanks het feit dat hij dat prutswerk van eiser vond heeft hij dat stuk in het door hem te vormen strafdossier gedaan en afgewacht wat er van zou komen. Na het bericht van de officier van justitie heeft [naam collega] volgehouden dat eiser dat stuk heeft vervaardigd en dat hij dat zo in zijn postvakje heeft aangetroffen. De verklaring van [naam collega] heeft verweerder (mede) ten grondslag gelegd aan de aanname dat eiser het gewraakte stuk heeft vervaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van [naam collega] niet volgt dat hij heeft gezien dat eiser het bedoelde stuk heeft vervaardigd of op de wijze zoals door de kinderrechter in het dossier aangetroffen in zijn postvakje heeft gelegd. [naam collega] heeft dat stuk willens en wetens aan het dossier toegevoegd en het verdere verloop afgewacht. [naam collega] heeft daarmee niet alleen de kans laten voorbijgaan om eiser op zijn - zoals [naam collega] dat noemt - prutswerk aan te spreken en beter werk te verlangen, maar naar het zich laat aanzien zich ook schuldig gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim door dat in zijn ogen valselijk opgemaakt stuk willens en wetens toe te voegen aan het strafdossier, maar nog meer en hier van cruciaal belang heeft [naam collega] aan verweerder de mogelijkheid ontnomen onmiddellijk na de ontdekking van bedoeld stuk een onderzoek naar de herkomst daarvan in te stellen. Dat eiser destijds met ouderschapsverlof was doet aan de laatste nalatige gedraging van [naam collega] niet af.

Het nalaten van [naam collega] (in augustus 2006) om de aan eiser (eerst eind februari 2007) verweten gedraging meteen bij verweerder te melden is een omstandigheid die voor rekening van verweerder dient te komen. Dat nalaten is niet door eiser veroorzaakt of beïnvloed en eiser behoeft daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet enig nadeel te ondervinden. In de houding van [naam collega] is onder de hiervoor geschetste omstandigheden geen reden te vinden om meer op zijn verklaring af te gaan dan op die van eiser.

Op grond van het hiervoor staande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet heeft kunnen of mogen aannemen dat eiser het meerbedoelde stuk heeft opgemaakt. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

5. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

bepaalt dat de korpsbeheerder van politieregio Zeeland aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 (honderddrieënveertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser

begroot op € 644,- (zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de korpsbeheerder van politieregio Zeeland aan eiser.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op

door mr. W.M.P. van Alphen, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: