Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD4856

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
61985 - FT RK 08.175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"(..)"1.1 Verzoekster heeft op 12 maart 2008, met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, een verzoek op grond van artikel 287a, eerste lid, van de Faillissementswet ingediend. Het verzoek strekt ertoe Postbank N.V., die weigert mee te werken aan de door verzoekster aan haar crediteuren aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad."(..)"

"(..)"1.2 Verzoekster is verschenen ter mondelinge behandeling van 10 april 2008. Namens Postbank N.V. is verschenen de heer [H.J.R.]. "(..)"

"(..)"2. De standpunten van partijen

2.1 Verzoekster voert aan dat zij op huwelijksvoorwaarden is gehuwd, waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten. Zij is bezig van echt te scheiden. Haar schulden behelzen een bedrag van € 17.934,71 verdeeld over 4 concurrente schuldeisers. De vordering van Postbank dateert van ongeveer 10 jaar geleden en bedraagt € 15.470,09. Zij heeft een inkomsten uit een fulltime dienstbetrekking, zij werkt 38 à 40 uur per week. Zij woont momenteel bij haar ouders thuis en betaalt slechts zo nu en dan een kleine bijdrage in de woonlasten.

Op 19 oktober 2007 heeft verzoekster door tussenkomst van de gemeente Tholen aan haar schuldeisers een schuldregeling aangeboden, inhoudende een betaling van 48,51% ineens tegen finale kwijting. Onder borgstelling van de gemeente Tholen zal de Kredietbank Goes aan verzoekster een saneringskrediet verstrekken met een looptijd van maximaal 36 maanden. Daarbij is uitgegaan van een draagkrachtberekening van € 276,36 per maand. Met uitzondering van Postbank hebben alle crediteuren met de aangeboden schuldregeling ingestemd. "(..)"

"(..)"2.2 Postbank N.V. voert aan dat het krediet 10 jaar geleden voor de duur van 15 jaar was aangegaan. Weliswaar heeft de Postbank het krediet opgezegd en de restantschuld opgeëist, maar zij is van mening dat verzoekster in elk geval nog gedurende 5 jaar moet terugbetalen, terwijl de aangeboden schuldregeling ziet op een resterende aflossingsperiode van slechts 3 jaar. Postbank opteert dan ook niet voor een wettelijk schuldsaneringstraject. Als verzoekster 15 jaar maandelijks op de hoofdsom heeft afbetaald valt er te praten over aanpassing van de rente. Bovendien is de aangeboden schuldregeling gebaseerd op een afloscapaciteit van € 276,36 terwijl de werkelijke afloscapaciteit van verzoekster € 311,- per maand is. "(..)"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2009/209

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

61595 / HA RK 08.119[datum_beslissing]

Sector civiel recht

verzoek ex art. 284 Fw / art. 287a Fw

zaaknummer / rolnummer: 61985 / FT RK 08.175

uitspraakdatum: 15 april 2008

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [adres]

verzoekster,

tegen

de naamloze vennootschap

POSTBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster.

De procedure

1.1 Verzoekster heeft op 12 maart 2008, met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, een verzoek op grond van artikel 287a, eerste lid, van de Faillissementswet ingediend. Het verzoek strekt ertoe Postbank N.V., die weigert mee te werken aan de door verzoekster aan haar crediteuren aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

1.2 Verzoekster is verschenen ter mondelinge behandeling van 10 april 2008. Namens Postbank N.V. is verschenen de heer [H.J.R.].

2. De standpunten van partijen

2.1 Verzoekster voert aan dat zij op huwelijksvoorwaarden is gehuwd, waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten. Zij is bezig van echt te scheiden. Haar schulden behelzen een bedrag van € 17.934,71 verdeeld over 4 concurrente schuldeisers. De vordering van Postbank dateert van ongeveer 10 jaar geleden en bedraagt € 15.470,09. Zij heeft een inkomsten uit een fulltime dienstbetrekking, zij werkt 38 à 40 uur per week. Zij woont momenteel bij haar ouders thuis en betaalt slechts zo nu en dan een kleine bijdrage in de woonlasten.

Op 19 oktober 2007 heeft verzoekster door tussenkomst van de gemeente Tholen aan haar schuldeisers een schuldregeling aangeboden, inhoudende een betaling van 48,51% ineens tegen finale kwijting. Onder borgstelling van de gemeente Tholen zal de Kredietbank Goes aan verzoekster een saneringskrediet verstrekken met een looptijd van maximaal 36 maanden. Daarbij is uitgegaan van een draagkrachtberekening van € 276,36 per maand. Met uitzondering van Postbank hebben alle crediteuren met de aangeboden schuldregeling ingestemd.

2.2 Postbank N.V. voert aan dat het krediet 10 jaar geleden voor de duur van 15 jaar was aangegaan. Weliswaar heeft de Postbank het krediet opgezegd en de restantschuld opgeëist, maar zij is van mening dat verzoekster in elk geval nog gedurende 5 jaar moet terugbetalen, terwijl de aangeboden schuldregeling ziet op een resterende aflossingsperiode van slechts 3 jaar. Postbank opteert dan ook niet voor een wettelijk schuldsaneringstraject. Als verzoekster 15 jaar maandelijks op de hoofdsom heeft afbetaald valt er te praten over aanpassing van de rente. Bovendien is de aangeboden schuldregeling gebaseerd op een afloscapaciteit van € 276,36 terwijl de werkelijke afloscapaciteit van verzoekster € 311,- per maand is.

3. De beoordeling

3.1 Ingevolge artikel 287a van de Faillissementswet kan een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

De wetgever heeft met de invoering van deze bepaling beoogd het minnelijk traject te versterken met een belangrijk rechtsmiddel. De wetgever acht het van belang dat alleen die personen tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden toegelaten die te goeder trouw zijn, oprecht en actief (maar tevergeefs) hebben geprobeerd om met hun schuldeisers tot en schikking te komen en voor wie aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze overblijft dan een beroep op de rechter te doen. Door de gedwongen schuldregeling wordt voorkomen dat personen in de schuldsaneringsregeling terecht komen die in het minnelijk traject op eigen kracht in samenspraak met hun schuldeisers een regeling hadden kunnen treffen.

3.2 In het onderhavige geval kan er van worden uitgegaan dat, indien het niet tot een akkoord met haar schuldeisers komt, verzoekster zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In dat geval zal zij gedurende 3 jaar haar inkomen, voor zover dat ligt boven het voor haar geldende vrij te laten bedrag, aan de boedel moeten afdragen. Deze afdrachten liggen, uitgaande van het op dit moment voor verzoekster geldende vrij te laten bedrag, hoger dan de aflossingscapaciteit waarop de aangeboden schuldregeling is gebaseerd, maar daarbij dient echter ook in ogenschouw genomen te worden het feit dat de kosten van wettelijke publicaties en van het jaarlijks te verhogen maandelijkse bewindvoerdersalaris in mindering wordt gebracht op hetgeen uiteindelijk aan de schuldeisers zal kunnen worden uitgekeerd. De rechtbank gaat uit van een bedrag van ongeveer € 1.800,- in een schuldsanering als de onderhavige. Uitgaande van gelijkblijvende omstandigheden (inkomen, woonlasten, etc) zal aan het einde van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor uitdeling aan de schuldeisers resteren een bedrag in de orde van grootte van € 9.400,-. Het bedrag dat beschikbaar is voor de aangeboden schuldregeling is € 8.700,-.

3.3 In het onderhavige geval heeft aanvaarding van de schuldregeling tot gevolg dat Postbank en de overige schuldeisers op zeer korte termijn een uitkering van 48,51% van hun vordering krijgen. De Postbank ontvangt dan een bedrag van € 7.504,50, tegenover een in redelijkheid te verwachten uitkering van € 8.084,- na verloop van 3 jaren ingeval verzoekster in de wettelijke schuldsaneringsregeling komt, uitgaande van gelijkblijvende omstandigheden als waar thans sprake van is.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan worden geconcludeerd dat Postbank in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen, nu (ook de andere) schuldeisers in een wettelijke schuldsaneringsregeling naar redelijke verwachting een uitkering tegemoet kunnen zien die rond 9% hoger ligt dan de uitkering ineens in de aangeboden minnelijke schuldregeling. De vordering, Postbank N.V. te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling, zal derhalve worden afgewezen.

3.5 Nu het verzoek met betrekking tot de schuldregeling wordt afgewezen dient de rechtbank te beslissen op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

3.6 De rechtbank constateert dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toewijzen.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering Postbank N.V. te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling af;

spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van [verzoekster], geboren op 01-06-1975 te Sint Maartensdijk, wonende te [adres];

benoemt tot rechter-commissaris mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en tot bewindvoerder mevrouw A.M. Koens-Bosters, Postbus 165, 4460 AD Goes;

kent met inachtneming van het hierna bepaalde gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder een maandelijks voorschot op het salaris toe overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van het Besluit Salaris Bewindvoerder;

bepaalt dat het maandelijkse voorschot op het salaris ten laste komt van het boedelactief en indien het boedelactief niet toereikend is ten laste komt van ten hoogste het nominale bedrag van het inkomen dat de schuldenaar gelaten wordt;

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier