Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD3152

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
12-715018-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht wegens het medeplegen van ontuchtige handelingen bij haar minderjarige dochter en het toelaten dat haar medeverdachte ontuchtige handelingen pleegde met haar minderjarige dochter, welke handelingen gedurende een periode van zeven jaar voortdurend en met grote regelmaat plaatsvonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/715018-08

Datum uitspraak: 4 juni 2008

Tegenspraak

----------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 14 januari 2008

Datum voorlopige hechtenis: 17 januari 2008

----------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 mei 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.B. Smeenk en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt opname dan wel behandeling bij een GGZ instelling.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd. De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaarding zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

[medeverdachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01

juni 2000 tot en met 27 januari 2005 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

met [slachtoffer] ([geboortedatum]), die toen de leeftijd van

twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd,

die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [medeverdachte] (telkens) zijn penis in de

vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en/of zich door die [slachtoffer] laten

pijpen en/of aftrekken en/of één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de

vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd, tot het plegen van welk misdrijf

verdachte op of omstreeks bovengenoemde periode te Oost-Souburg, gemeente

Vlissingen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of behulpzaam

is geweest door wanneer zij, verdachte, aanwezig was in dezelfde woning/vertrek

en wist dat (één van de) bovengenoemde handeling(en) plaatsvond(en), opzettelijk die woning/dat vertrek heeft verlaten,

althans die woning/dat vertrek opzettelijk niet heeft betreden zonder dat zij die

[medeverdachte] op enige wijze heeft weerhouden van het plegen van één of meer van

bovengenoemde handeling(en) en/of die [medeverdachte] niet op enige wijze heeft

weerhouden van het plegen van één of meer van bovengenoemde handeling(en);

art 48 ahf 2 Wetboek van Strafrecht;

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

[medeverdachte] op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode

van 28 januari 2005 tot en met 03 juli 2005 te Oost-Souburg, gemeente

Vlissingen, met [slachtoffer] ([geboortedatum]), die de leeftijd

van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [medeverdachte] (telkens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht/geduwd en/of zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of aftrekken

en/of één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht/geduwd, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks

bovengenoemde periode te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens)

opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

wanneer zij, verdachte, aanwezig was in dezelfde woning/vertrek en wist

dat (één van de) bovengenoemd(e) handeling(en) plaatsvond(en), opzettelijk die woning/dat vertrek heeft verlaten,

althans die woning/dat vertrek opzettelijk niet heeft betreden zonder dat zij die

[medeverdachte] op enige wijze heeft weerhouden van het plegen van één of meer van

bovengenoemde handeling(en) en/of die [medeverdachte] niet op enige wijze heeft

weerhouden van het plegen van één of meer van bovengenoemde handeling(en);

art 48 ahf 2 Wetboek van Strafrecht;

art 245 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 04

juli 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met [slachtoffer]

([geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte (telkens)

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht/geduwd,

en/of haar mededader (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd, en/of

- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of aftrekken, en/of

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht/geduwd;

art 245 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 04

juli 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

althans alleen, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager,

bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten één of

meer (digitale) filmbestand(en), bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens)

een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt (te weten

[slachtoffer] ([geboortedatum])),

was betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad, immers is zij

betrokken geweest bij bovengenoemde handelingen waarbij (onder meer) op enige(e)

afbeelding(en) en/of (digitale) filmbestand(en) te zien is/was - zakelijk weergegeven -:

dat zij, verdachte (telkens)

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina, althans bij de schaamstreek, van

haar dochter [slachtoffer] ([geboortedatum]) brengt/duwt,

althans (een) soortgelijke handeling(en)

en/of haar mededader (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] brengt/duwt, dan wel zichtbaar is dat zijn

penis in de vagina van die [slachtoffer] zit en/of

- zich door die [slachtoffer] laat pijpen en/of aftrekken, en/of

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina, althans bij de schaamstreek, van die

[slachtoffer] brengt/duwt,

althans (een) soortgelijke handeling(en);

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde (kinderporno), nu er bij verdachte en haar mededader geen filmbestanden en/of foto’s van seksuele gedragingen met het slachtoffer zijn aangetroffen en het overige bewijs dun is. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte bij de politie veronderstellenderwijs heeft verklaard over de foto’s die zouden zijn genomen door haar mededader.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat er meerdere malen foto’s zijn gemaakt van alle seksuele handelingen die verdachte en/of haar partner bij hun (stief)dochter pleegden. Het slachtoffer heeft tegenover de politie verklaard dat haar stiefvader foto’s van haar maakte terwijl zij misbruikt werd. De partner van verdachte heeft dit in zijn verklaring bevestigd. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat hij de foto’s in eerste instantie op zijn computer heeft gezet, maar dat hij ze later heeft weggegooid.

Verdachte heeft verklaard dat zij, op het moment dat zij en haar partner bij haar dochter seksuele handelingen pleegden, niet wist dat haar partner daar opnamen van maakte. Zij heeft voorts verklaard dat haar partner die opnamen naderhand wel eens aan haar heeft laten zien.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de foto’s van de seksuele gedragingen met haar dochter tezamen en in vereniging met haar partner heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad. Uit hetgeen hiervoor is vastgesteld volgt dat, hoewel verdachte op enig moment wist van de foto’s, er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en haar partner gericht op het maken van foto’s van de seksuele gedragingen met het minderjarige slachtoffer. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 4 aan haar tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

[medeverdachte] op tijdstippen in de periode van 01 juni 2000 tot en met 27 januari 2005 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

met [slachtoffer] ([geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [medeverdachte] (telkens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en/of zich door die [slachtoffer] laten

pijpen en/of aftrekken en/of één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks in bovengenoemde periode te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door wanneer zij, verdachte, aanwezig was in dezelfde woning/vertrek en wist dat (één van de) bovengenoemde handeling(en) plaatsvond(en), opzettelijk die woning/dat vertrek te verlaten, althans die woning/dat vertrek opzettelijk niet te betreden zonder dat zij die [medeverdachte] op enige wijze heeft weerhouden van het plegen van één of meer van bovengenoemde handeling(en)

art 48 ahf 2 Wetboek van Strafrecht;

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

[medeverdachte] op tijdstippen gelegen in de periode van 28 januari 2005 tot en met 03 juli 2005 te Oost-Souburg, gemeente

Vlissingen, met [slachtoffer] ([geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende die [medeverdachte] telkens zijn penis in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht/geduwd en zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of aftrekken en/of één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op bovengenoemde periode te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

wanneer zij, verdachte, aanwezig was in dezelfde woning/vertrek en wist dat bovengenoemde handelingen plaatsvonden, opzettelijk die woning/dat vertrek te verlaten, althans die woning/dat vertrek opzettelijk niet te betreden zonder dat zij die

[medeverdachte] op enige wijze heeft weerhouden van het plegen van één of meer van bovengenoemde handelingen

art 48 ahf 2 Wetboek van Strafrecht;

art 245 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op tijdstippen gelegen in de periode van 04 juli 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] ([geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd,

en/of haar mededader

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd, en

- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of aftrekken, en

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht/geduwd;

art 245 Wetboek van Strafrecht

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplichtigheid bij met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplichtigheid bij met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten hebben drs. J.W.G.M. van Soest, psycholoog, en drs. N.A. Marcos-Kingsale, psychiater, in samenwerking met drs. M.C. van Dijk-Van Diest, psychiater in opleiding, een onderzoek verricht. De deskundigen hebben op 20 februari 2008 respectievelijk 3 maart 2008 over hun bevindingen gerapporteerd.

Naar het oordeel van de deskundigen was bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en borderline trekken. De psychiater is van oordeel dat bij verdachte tevens sprake is van een verstoord hechtingspatroon in de relatie met haar dochter. De psycholoog en psychiater zijn tot de conclusie gekomen dat verdachte als gevolg hiervan enigszins verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar respectievelijk enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten.

De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over en maakt deze tot de hare en wel in zoverre dat haars inziens de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. Deze enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid sluit de strafbaarheid van de verdachte echter niet uit.

Ook overigens is met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim zeven jaar toegelaten dat haar toenmalige partner met wie zij samenwoonde met grote regelmaat ontuchtige handelingen pleegde bij haar nog zeer jonge dochter. Deze handelingen vonden plaats in het bijzijn van verdachte dan wel met haar medeweten. De ontucht bestond uit het binnendringen van het lichaam van zijn stiefdochter met zijn penis, zijn vinger(s) en zijn tong en het zich laten pijpen en aftrekken door zijn stiefdochter. De seksuele handelingen begonnen reeds toen het slachtoffer zeven jaar oud was en eindigden pas op de leeftijd van veertien jaar. Verdachte heeft haar partner gewoon zijn gang laten gaan. Zij heeft niets gedaan om deze seksuele handelingen te voorkomen dan wel haar dochter hiertegen te beschermen. Integendeel, gedurende de laatste twee jaren van deze periode pleegde ook verdachte ontuchtige handelingen bij haar dochter. Deze handelingen bestonden onder meer uit het binnendringen van het lichaam van haar dochter met haar vinger(s) en haar tong.

Binnen het gezin was sprake van een bijzonder gewelddadige sfeer. De mededader van verdachte sloeg en schopte verdachte en haar dochter regelmatig. Dit gebeurde onder andere als zij weigerden mee te werken aan de seksuele handelingen dan wel als zij het naar zijn mening niet goed deden. Verdachte heeft de seksuele handelingen met haar dochter onder druk van haar mededader gepleegd. Dit maakt haar echter niet minder strafbaar. Verdachte had, zoals zij ook zelf heeft verklaard, zich kunnen onttrekken aan deze druk door weg te gaan bij haar mededader en aangifte bij de politie te doen. Immers, in 2005 heeft zij ook bij de politie aangifte gedaan van mishandeling van haarzelf door haar mededader. Verdachte wilde echter niet zonder hem verder en nam daarom de seksuele gedragingen met haar dochter op de koop toe. Op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte ook maar iets heeft ondernomen om de seksuele gedragingen bij haar dochter te voorkomen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft - wat er ook zij van de rol van de mededader - nagelaten haar eigen verantwoordelijkheid te nemen als moeder en beschermer van haar kind. Zij heeft door haar handelwijze op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van haar dochter en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat een jong meisje in haar als moeder had mogen stellen. Hierdoor is haar dochter het recht ontnomen om zich in een stabiele en veilige omgeving en in haar eigen tempo lichamelijk en geestelijk te ontwikkelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als onderhavige nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 28 april 2008;

- het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport d.d. 16 januari 2008 van Emergis, Justitiële Verslavingszorg te Middelburg;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 29 april 2008 van de Reclassering Nederland, Regio Utrecht-Arnhem, te Utrecht;

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 20 februari 2008, opgemaakt en ondertekend door drs. J.W.G.M. van Soest, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige;

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport d.d. 3 maart 2008, opgemaakt en ondertekend door drs. N.A. Marcos-Kingsale, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, in samenwerking met drs. M.C. van Dijk-Van Diest, psychiater in opleiding.

Blijkens bovengenoemd uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor zedenmisdrijven.

Uit de rapportages blijkt het volgende. Verdachte is een afhankelijke vrouw met een laag zelfbeeld. Zij voelt zich aangetrokken tot mannen met een dominant karakter. Zij kan moeilijk kwaad worden op anderen, omdat ze bang is dat anderen haar dan zouden kunnen verlaten. Zij heeft moeite met het aangeven van grenzen in een relatie. De psycholoog sluit de kans op herhaling niet uit indien verdachte weer gaat samenwonen met haar dochter. In dat geval adviseert hij de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Indien verdachte echter niet met haar dochter gaat samenwonen adviseert hij ter voorkoming van recidive een behandeling gericht op egoversterking bij een GGZ instelling. De psychiater schat de recidivekans op grensoverschrijdend gedrag als vrij hoog in. Zij adviseert ter voorkoming van recidive een egoversterkende psychotherapeutische behandeling binnen een GGZ of RIAGG circuit.

De reclassering adviseert om aan verdachte als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf reclasseringstoezicht op te leggen. Verder is zij het eens met de door de deskundigen geadviseerde behandeling.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting een strafmaatverweer gevoerd, waarbij hij heeft betoogd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan het voorarrest met daarnaast een forse voorwaardelijke straf en een maximale werkstraf. Verder heeft hij betoogd dat aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde dient te worden gekoppeld van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling bij het RIAGG of een GGZ instelling.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen, dat verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt om haar dochter te dwingen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen en dat zij nooit enige psychische druk heeft uitgeoefend op haar dochter. Verdachte is in deze zaak zelf ook slachtoffer.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal, mede omdat zij minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, een minder lange gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, maar acht een gevangenisstraf voor de duur als door de verdediging voorgestaan onvoldoende uit het oogpunt van generale preventie. De rechtbank acht tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren op zijn plaats, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Zij zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt dat zij zich moet laten behandelen bij een GGZ instelling.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 48, 57, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- de veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen die haar zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, unit Middelburg, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt behandeling bij een GGZ instelling of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instelling.

Zij verstrekt aan genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de genoemde bijzondere voorwaarde.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter,

mrs. J.F.I. Sinack en E.F.G.M. Gelderman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2008.

Mr. E.F.G.M. Gelderman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.