Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD3149

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
12/715479-07 en 12-730056-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BT7127, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd wegens onder meer het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige (stief)dochter. Deze ontuchtige handelingen vonden voortdurend en met grote regelmaat plaats gedurende een periode van ruim zeven jaar.

De rechtbank heeft de moeder van het slachtoffer veroordeeld wegens medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummers: 12/715479-07 en 12/730056-05 (tul)

Datum uitspraak: 4 juni 2008

Tegenspraak

----------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 3 december 2007

Datum voorlopige hechtenis: 5 december 2007

----------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West – HvB Torentijd te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M. Kalle, advocaat te Goes.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 mei 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.B. Smeenk en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair (poging doodslag) en onder 4 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat hij ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair (poging zware mishandeling), 2, 3, 5, 8, 10 en 11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en dat voorts aan hem zal worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Zij heeft daarnaast de tenuitvoerlegging gevorderd van de aan verdachte bij vonnis van de politierechter d.d. 8 november 2005 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd. De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaarding zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens) ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet haar bij de keel/hals heeft vastgepakt/vastgegrepen

en/of (vervolgens) de keel/hals heeft dichtgeknepen en/of (gedurende enige

tijd) heeft dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf (telkens) niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), bij de

keel/hals heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of (vervolgens) de keel/hals heeft

dichtgeknepen en/of (gedurende enige tijd) heeft dichtgeknepen gehouden,

althans in de keel/hals heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 november

2005 tot en met 2 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens)

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), in en/of op

en/of tegen en/of aan het gezicht, althans het hoofd, en/of (het) overig(e)

lichaam(sdelen) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt

en/of geduwd en/of getrokken en/of bij de keel/hals heeft

vastgepakt/vastgegrepen en/of (vervolgens) de keel/hals heeft dichtgeknepen

en/of (gedurende enige tijd) heeft dichtgeknepen gehouden, althans in de

keel/hals heeft geknepen, waardoor en/of ten gevolge waarvan deze (telkens)

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 november

2005 tot en met 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens)

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Als je weggaat dan weet ik

jou te vinden, dan maak ik je kapot", althans (telkens) woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 november

2005 tot en met 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens)

opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, (telkens) met dat opzet die [slachtoffer 1] (gedurende enige tijd)

in een huis (gelegen aan de [adres]) met afgesloten (voor- en/of

achter-)deur(en) heeft gehouden/opgesloten;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 november

2005 tot en met 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, (telkens)

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), in en/of op

en/of tegen en/of aan het gezicht, althans het hoofd, en/of (het) overig(e)

lichaam(sdelen) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt

en/of geduwd en/of getrokken, waardoor en/of ten gevolge waarvan deze

(telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

12-700042-08

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2000

tot en met 27 januari 2005 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,, met [slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2]), die toen de leeftijd van twaalf jaren

nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende hij, verdachte, (telkens) zijn penis in de

vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of zich door die [slachtoffer 2] laten

pijpen en/of aftrekken en/of één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de

vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd;

art 244 Wetboek van Strafrecht

7.

12-700042-08

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 28 januari 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente

Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander en/of alleen met

[slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2]), die de leeftijd van twaalf jaren

maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2],

hebbende hij, verdachte, (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd, en/of

- zich door die [slachtoffer 2] laten pijpen en/of aftrekken, en/of

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer 2]

gebracht/geduwd;

en/of zijn mededader (telkens)

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina van die [slachtoffer 2]

gebracht/geduwd;

art 245 Wetboek van Strafrecht

8.

12-700042-08

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 04

juli 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

althans alleen, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende

één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten één of meer

(digitale) filmbestand(en), bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens)

een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt

(te weten [slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2])),

was betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad, immers is hij betrokken geweest bij bovengenoemde handelingen waarbij (onder meer) op enig(e)

afbeelding(en) en/of (digitale) filmbestand(en) te zien is/was - zakelijk weergegeven -:

dat hij, verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van (zijn (stief)dochter) [slachtoffer 2] (geboren op

[geboortedatum slachtoffer 2]) brengt/duwt, dan wel zichtbaar is dat zijn penis in de vagina

van die [slachtoffer 2] zit en/of

- zich door die [slachtoffer 2] laat pijpen en/of aftrekken, en/of

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina, althans bij de schaamstreek,

van die [slachtoffer 2] brengt/duwt,

althans (een) soortgelijke handeling(en)

en/of zijn mededader (telkens)

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina, althans bij de schaamstreek,

van die [slachtoffer 2] brengt/duwt,

althans (een) soortgelijke handeling(en);

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd - zoals nader omschreven in zijn pleitnotities - dat de tenlastelegging ten aanzien van het onder 3, 4 en 8 tenlastegelegde niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de inleidende dagvaarding met betrekking tot deze feiten (partieel) nietig behoort te worden verklaard. Hij heeft daartoe het navolgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 3 (bedreiging) is de tenlastelegging te ruim en daardoor te vaag, waardoor het niet duidelijk is wanneer wat precies is gebeurd. Ten aanzien van feit 4 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) is de tenlastegelegde periode te lang en te weinig concreet. Ten aanzien van feit 8 (kinderporno) is de tenlastelegging – gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 28 september 2004, LJN AQ3710 – niet concreet en duidelijk genoeg. Hierdoor kan de verdediging zich niet goed tegen het onder 3, 4 en 8 tenlastegelegde verweren, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer op alle onderdelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder 3 en 4 tenlastegelegde voldoende duidelijk omschreven. De lengte van de tenlastegelegde periode waarbinnen de feiten zich zouden hebben afgespeeld kan aan de duidelijkheid van hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd niet afdoen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ter terechtzitting is gebleken dat verdachte heeft begrepen wat hem wordt verweten.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde overweegt de rechtbank, dat de officier van justitie de tenlastelegging ter terechtzitting heeft gewijzigd en wel in die zin dat zij hieraan een concrete omschrijving heeft toegevoegd van de seksuele gedragingen welke op de bedoelde afbeeldingen of gegevensdragers zouden zijn weergegeven. De rechtbank is van oordeel dat deze omschrijving specifiek genoeg is, terwijl ook ten aanzien van dit feit ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte begreep waartegen hij zich had te verdedigen.

Vrijspraak

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag, nu niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet had het slachtoffer te doden, zelfs niet in de voorwaardelijke variant. Voorts heeft hij betoogd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 4 tenlastegelegde, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De officier van justitie heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde het volgende.

Op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster op 3 juli 2007 heeft mishandeld door haar bij de keel/hals vast te pakken/vast te grijpen en deze dicht te knijpen. De rechtbank heeft echter niet de overtuiging gekregen dat verdachte daarbij het opzet had aangeefster te doden, noch dat verdachte daarbij zodanig heeft gehandeld dat hij willens en wetens het risico heeft aanvaard dat hij aangeefster van het leven zou beroven, zoals dat onder 1 primair impliciet primair is tenlastegelegd. Zij is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte eens dat verdachte derhalve van dit feit moet worden vrijgesproken.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte aangeefster opzettelijk van haar vrijheid heeft beroofd dan wel beroofd heeft gehouden, zoals onder 4 aan hem is tenlastegelegd. In het dossier bevindt zich enkel een aangifte. Verdachte ontkent ten stelligste dit feit te hebben gepleegd. Er is verder geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster. Gelet op vorenstaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 4 aan hem tenlastegelegde.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte aangeefster heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verder heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft verklaard dat er voor het eerst sprake was van het binnendringen van het lichaam toen zijn stiefdochter 12 of 13 jaren oud was.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. De bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, laten redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte – gelet op de aard van het door verdachte gepleegde geweld – op zijn minst willens en wetens het risico heeft aanvaard dat hij aangeefster door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou toe brengen. Verdachte heeft immers aangeefster bij haar keel gepakt en deze dichtgeknepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel en daardoor belemmeren van de ademhaling hersenletsel teweeg kan brengen.

De rechtbank is van oordeel dat het slechts aan omstandigheden die buiten de wil van verdachte liggen te danken is geweest, dat in deze niet daadwerkelijk sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. Het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is immers niet alleen afhankelijk van de kracht waarmee geknepen wordt of van de manier waarop dit gebeurt.

Met betrekking tot feit 6 overweegt de rechtbank het volgende.

Het slachtoffer heeft tijdens een intakegesprek bij de politie verklaard dat verdachte haar moeder een paar maanden nadat zij en haar moeder bij verdachte waren gaan wonen, begon te slaan. Een paar maanden daarna begon hij haar te misbruiken, aldus het slachtoffer. Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer en haar moeder in februari 2000 bij verdachte zijn gaan wonen. Het slachtoffer is op [geboortedatum slachtoffer 2] geboren. Zij was volgens haar verklaring in het studioverhoor ongeveer zeven jaar oud op het moment dat verdachte haar voor het eerst seksueel misbruikte.

Deze feiten vinden hun bevestiging in de verklaringen van de moeder van het slachtoffer. Zij heeft bij de politie verklaard dat zij verdachte een keer betrapte, terwijl hij seksuele gemeenschap had met haar dochter. In eerste instantie heeft zij verklaard dat haar dochter toen ongeveer negen à tien jaar oud was. Tijdens een later verhoor heeft zij verklaard dat haar dochter toen pas acht jaar oud was.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn stiefdochter ongeveer tien jaar oud was, toen hij voor de eerste keer seksuele handelingen bij haar pleegde.

Gelet op bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte seksuele handelingen bestaande uit het binnendringen van het lichaam van zijn stiefdochter heeft gepleegd, terwijl zij nog geen twaalf jaar oud was, zoals onder feit 6 aan hem is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij op 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1]zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet haar bij de keel heeft vastgepakt/vastgegrepen

en vervolgens de keel heeft dichtgeknepen , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 15 november

2005 tot en met 2 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, telkens

opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1], in het gezicht, en/of tegen overige

lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt

en/of geduwd en/of getrokken en/of bij de keel heeft

vastgepakt/vastgegrepen en/of vervolgens de keel heeft dichtgeknepen

waardoor en/of ten gevolge waarvan deze telkens

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 15 november

2005 tot en met 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, telkens

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk

voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Als je weggaat dan weet ik

jou te vinden, dan maak ik je kapot", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

5.

hij op tijdstippen in de periode van 15 november

2005 tot en met 3 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, telkens

opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2]), in het gezicht, en/of tegen overige

lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt

en/of geduwd, waardoor en/of ten gevolge waarvan deze

telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 01 juni 2000

tot 27 januari 2005 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, met [slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2]), die toen de leeftijd van twaalf jaren

nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die

mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende hij, verdachte, telkens zijn penis in de

vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of zich door die [slachtoffer 2] laten

pijpen en/of aftrekken en/of één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de

vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd;

7.

12-700042-08

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 28 januari 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente

Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander met

[slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2]), die de leeftijd van twaalf jaren

maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2],

hebbende hij, verdachte,

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd, en

- zich door die [slachtoffer 2] laten pijpen en/of aftrekken, en

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer 2]

gebracht/geduwd;

en/of zijn mededader

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina van die [slachtoffer 2]

gebracht/geduwd;

8.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 04

juli 2005 tot en met 03 juli 2007 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, meermalen een afbeelding van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens

een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt

(te weten [slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2])),

was betrokken heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad, immers is hij betrokken geweest bij bovengenoemde handelingen waarbij onder meer op enige

afbeeldingen te zien was - zakelijk weergegeven -:

dat hij, verdachte telkens

- zijn penis in de vagina van zijn stiefdochter [slachtoffer 2] (geboren op

[geboortedatum slachtoffer 2]) brengt/duwt, dan wel zichtbaar is dat zijn penis in de vagina

van die [slachtoffer 2] zit en

- zich door die [slachtoffer 2] laat pijpen en/of aftrekken, en

- één of meer vinger(s) en/of zijn tong in de vagina, althans bij de schaamstreek,

van die [slachtoffer 2] brengt/duwt,

althans soortgelijke handelingen

en [slachtoffer 1] telkens

- één of meer vinger(s) en/of haar tong in de vagina, althans bij de schaamstreek,

van die [slachtoffer 2] brengt/duwt,

althans een soortgelijke handelingen

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2 en 5 bewezenverklaarde telkens:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Medeplegen van met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten hebben W.J.L. Lander, psycholoog, en A. Khayri, psychiater in opleiding, in samenwerking met P. Zonneveld, psychiater, een onderzoek verricht. De deskundigen hebben op 10 april 2008 respectievelijk 9 april 2008 over hun bevindingen gerapporteerd.

Naar het oordeel van de deskundigen was bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast was er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van pedofilie. Verder is er bij verdachte ook sprake van alcoholafhankelijkheid. De deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat verdachte als gevolg hiervan verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten.

De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over. De bewezenverklaarde feiten kunnen aan de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. Deze verminderde toerekeningsvatbaarheid sluit de strafbaarheid van de verdachte echter niet uit.

Ook overigens is met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zeven jaar voortdurend en met zeer grote regelmaat schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter. Die ontucht bestond uit het binnendringen van het lichaam van zijn stiefdochter met zijn penis, zijn vinger(s) en zijn tong en het zich laten pijpen en aftrekken door zijn stiefdochter. De seksuele handelingen begonnen reeds toen zijn stiefdochter ongeveer zeven jaar oud was en eindigden pas op de leeftijd van veertien jaar. Gedurende de laatste twee jaren heeft hij zijn partner, de moeder van het slachtoffer, veelal door middel van geweld bij de ontuchtige handelingen bij haar dochter betrokken. Deze handelingen bestonden onder meer uit het binnendringen van het lichaam van haar dochter met haar vinger(s) en haar tong.

Binnen het gezin was sprake van een bijzonder gewelddadige sfeer. Verdachte sloeg en schopte zijn partner en haar dochter regelmatig. Dit gebeurde onder andere als zij weigerden mee te werken aan seksuele handelingen dan wel als zij het naar zijn mening niet goed deden. Ook kwam het voor dat hij zijn partner bij de keel beetpakte en deze dichtkneep.

Deze feiten zijn bijzonder ernstig. Verdachte had als stiefvader een natuurlijk psychisch overwicht op zijn stiefdochter. Zij vertrouwde verdachte volledig en beschouwde hem als haar vader. Verdachte had als stiefvader een voorbeeldfunctie voor zijn stiefdochter. Hij heeft het vertrouwen dat een kind in haar (stief)vader mag hebben op een grove wijze beschaamd.

Verdachte heeft zijn stiefdochter het recht ontnomen zich in een stabiele en veilige omgeving en in haar eigen tempo zowel lichamelijk alsook geestelijk te ontwikkelen. Hij heeft door zijn handelswijze op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn slachtoffer. Verdachte heeft zijn eigen seksuele gevoelens laten prevaleren en heeft daarbij geen rekening gehouden met de psychische gevolgen voor zijn stiefdochter. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ook haar moeder, zijn partner, bij de ontucht heeft betrokken. De rechtbank rekent hem dit alles zwaar aan. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten als onderhavige nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan.

Verdachte heeft zich voorts gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar ten opzichte van zijn partner schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 28 april 2008;

- het over de verdachte uitgebrachte afloopbericht toezicht d.d. 10 april 2008 van Emergis, Justitiële Verslavingszorg te Middelburg;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 18 april 2008 van Emergis, Justitiële Verslavingszorg te Middelburg;

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport d.d. 9 april 2008, opgemaakt en ondertekend door A. Khayri, psychiater in opleiding, en P. Zonneveld, psychiater en vast gerechtelijk deskundige;

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 10 april 2008, opgemaakt en ondertekend door W.J.L. Lander, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige.

Behalve met de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is heeft de rechtbank rekening gehouden met het hiervoor genoemd uittreksel uit de justitiële documentatie. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie ter zake van zedenmisdrijven, maar wel voor een geweldsdelict. De daarvoor aan verdachte opgelegde straf en het feit dat hij nog in de proeftijd van een eerder aan hem opgelegde straf liep, hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich thans opnieuw aan een soortgelijk feit schuldig te maken.

Uit de voormelde psychiatrische en psychologische rapportages blijkt het volgende.

Verdachte functioneert op zwakbegaafd niveau. Bij verdachte is sprake van alcoholafhankelijkheid en pedofilie. Hij is impulsief in zijn handelen en hij heeft een gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie. Tevens zijn maatschappelijke normen en waarden matig geïnternaliseerd. Als gevolg van overmatig alcoholgebruik zal zijn ongeremde, impulsieve en agressieve gedrag bij toenemende stress toenemen. Verdachte is onvoldoende in staat grenzen te stellen en zijn impulsen te weerstaan.

De psychiater stelt in zijn rapport dat de beperkte copingsvaardigheden, het zeer beperkte inzicht, de beperkte inlevingsvermogens, de neiging ernstige feiten te minimaliseren, evenals de neiging verschillende zaken buiten zichzelf te leggen en/of zichzelf als tekort gedaan te zien, mede versterkt door het misbruik van alcohol, naast de pedofiele ingesteldheid, maken dat de kans op recidive zeer groot is.

De psycholoog schat de kans op recidive in een soortgelijk geval als reëel in indien hij in een soortgelijke situatie komt te verkeren. Bij verdachte is sprake van ernstige persoonlijkheidsproblematiek en van pedofilie waarvoor hij nog nooit behandeld is. De psycholoog vindt het van belang dat verdachte hiervoor behandeld wordt.

Zowel psychiater alsook de psycholoog is van oordeel dat om de kans op recidive in de toekomst te verminderen het belangrijk is dat verdachte langdurig en intensief wordt behandeld en begeleid. Behandeling binnen een forensisch klinische setting is aanvankelijk geïndiceerd. De psychiater en psycholoog zijn het met elkaar eens dat deze behandeling dient plaats te vinden in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Zij merken daarbij op dat, indien verdachte niet wil meewerken of er andere barrières zijn, bij voorbaat het juridische kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt geëffectueerd.

De reclassering schat de kans van recidive hoog in. Zij sluit zich aan bij het advies van de psychiater en psycholoog.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven gemotiveerd te zijn voor behandeling. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit - zoals nader omschreven in zijn pleitnotities - aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (verder TBS) met voorwaarden op te leggen. Hij heeft verzocht de behandeling van de zaak te schorsen, teneinde de reclassering in de gelegenheid te stellen de mogelijkheden van een TBS met voorwaarden te onderzoeken en een maatregelenrapport op te stellen.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Op grond van de door genoemde gedragsdeskundigen opgestelde rapportages acht de rechtbank kans op herhaling van een soortgelijk feit reëel aanwezig, indien behandeling van verdachte uitblijft. De door de genoemde gedragsdeskundigen geadviseerde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal de rechtbank echter niet overnemen. De door verdachte gepleegde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank dermate ernstig dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt. Naast de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden kan ingevolge artikel 38 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht slechts een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor die duur geen recht doet aan de ernst van de feiten.

Daarnaast is de rechtbank, gelet op de aard en de gedragsproblematiek van verdachte, de te verwachten duur van de behandeling, het recidiverisico en de ernst van de gepleegde feiten, anders dan de gedragsdeskundigen, van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd. Zij is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten daarvoor is voldaan. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen de oplegging van deze maatregel.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 8 november 2005 heeft de politierechter in deze rechtbank de verdachte ter zake van mishandeling onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand met een proeftijd van twee jaren onder de voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Deze proeftijd liep nog ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf gegrond is, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de genoemde voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet -tenuitvoer gelegde straf gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 37a, 37b, 45, 47, 57, 240b, 244, 245, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Zij gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank

d.d. 8 november 2005 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter,

mrs. J.F.I. Sinack en E.F.G.M. Gelderman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2008.

Mr. E.F.G.M. Gelderman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.