Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD2788

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/358
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

parkeergarage; vrijstelling bestemmingsplan;

Besluit luchtkwaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/358

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

<eiser>,

wonende te <woonplaats>,

eiser,

gemachtigde: mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda.

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes,

verweerder,

gemachtigde: mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg.

I. Procesverloop

Bij besluiten van 27 september 2006 heeft verweerder aan de gemeente Goes, met gebruikmaking van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke (hierna: WRO), vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan, alsmede een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een parkeergarage en commerciële ruimten aan het Bleekplein te Goes. Voorts heeft verweerder bij besluiten van evengenoemde datum aan ROM Marsaki B.V., met gebruikmaking van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan, alsmede een reguliere bouwvergunning voor het bouwen van dertig woningen aan het Bleekplein te Goes.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 22 januari 2008 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.A.M. van der Velden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ir. C. Eijkelenboom, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. U.T. Hoekstra.

II. Overwegingen

1. De gemeente Goes en ROM Marsaki B.V. (hierna: vergunninghouders) hebben op 19 december 2005 een bouwvergunning aangevraagd voor een parkeergarage en commerciële ruimten, alsmede dertig woningen (hierna: het bouwplan). Het bouwplan is gesitueerd op de percelen Westwal 31, 33 en 35 en Kolveniershof 106, 108 en 122, kadastraal bekend gemeente Goes, sectie D, nummer 5383, 5249, 5454, waarvoor ten tijde hier van belang het bestemmingsplan Binnenstad-Centrum gold.

2. Eiser is eigenaar van het perceel <adres>. Op het perceel staat een woning, gelegen in een gebied direct grenzend aan het bouwplan.

3. Het bouwplan is op onderdelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om de bouw niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend.

4. Eiser heeft, kort samengevat, aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het bestreden besluit houdt volgens eiser nog steeds niet een afweging in van alle in geding zijnde belangen, terwijl ook niet aan alle motiveringsvereisten is voldaan, aldus eiser. Volgens eiser wijkt het bestreden besluit ingrijpend af van het vigerende planologische regime en wordt zijn woon- en leefklimaat door het bouwplan ernstig bedreigd. Het reeds beperkte uitzicht vanuit zijn woning wordt hierdoor grotendeels weggenomen, er is een vermindering van zonlichtinval in zijn tuin en er is sprake van inkijk vanuit de parkeergarage.

Het bouwplan vormt een inbreuk op de stedenbouwkundige uitgangspunten van het vrij recente vigerende bestemmingsplan. Dit geldt met name ten aanzien van het ter plaatse toegestane bebouwingspercentage en de toegestane bouwhoogte. Een en ander kan niet worden onderbouwd met het bij het bestreden besluit gevoegde “Deskundigenadvies Kolveniershof”. Voorts maakt volgens eiser het schriftelijke advies van de welstandscommissie niet duidelijk of aan redelijke eisen van welstand wordt voldaan. Indien het advies op 5 maart 2007 tot stand is gekomen, dan zijn vrijstelling en bouwvergunning verleend zonder dat de welstandscommissie een oordeel over de bouwplannen heeft gegeven, aldus eiser. Voor wat betreft de geluidhinder heeft verweerder eerst na het indienen van het bezwaarschrift een akoestisch onderzoek laten uitvoeren en in het bestreden besluit wordt slechts gerefereerd aan rekenresultaten en de daaruit getrokken conclusies. Volgens eiser heeft verweerder verzuimd het gehele onderzoek ter kennisneming aan hem te zenden. Hierdoor is het voor hem niet mogelijk om de juistheid van het onderzoek te (laten) verifiëren, aldus eiser. Voor wat betreft de luchtkwaliteit blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder nog altijd geen onderzoek heeft laten uitvoeren. Een toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit heeft niet plaatsgevonden en er wordt louter gewezen op een algemeen TNO-rapport met daarin een model voor het berekenen van de jaargemiddelde benzeenconcentratie-bijdragen van parkeergarages en parkeerterreinen. Volgens eiser is de toetsing die is verricht op basis van het TNO-rapport niet verifieerbaar en is geen onderzoek gedaan naar concentraties van andere stoffen dan benzeen. Eiser heeft ter zitting opgemerkt dat voor het bouwplan in strijd met het stelsel van de Woningwet twee afzonderlijke vergunningen zijn verleend voor de bouw van de woningen en de bouw van de parkeergarage.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

6. Het verlenen van vrijstelling is een bevoegdheid van verweerder. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de rechtbank een vrijstellingsbesluit terughoudend toetsen. Ter beoordeling is of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot vrijstelling heeft kunnen besluiten teneinde de gevraagde bouwvergunningen te kunnen verlenen.

7. Op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders in door Gedeputeerde Staten (GS), in overeenstemming met de inspecteur aangewezen categorieën van gevallen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan.

Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

8. Voor de juistheid van eisers stelling dat het verlenen van twee afzonderlijke vrijstellingen en bouwvergunningen voor twee bouwwerken die onlosmakelijk met elkaar samenhangen in strijd is met het stelsel van de Woningwet ziet de rechtbank geen aanknopingspunt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat sprake is van twee verschillende aanvragers en dat de aanvragen in onderlinge samenhang zijn beoordeeld.

9. Het project valt binnen een door GS vastgestelde categorie van gevallen, waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend.

10. Bij de beantwoording van de vraag of de vrijstellingen zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, is de mate van inbreuk op het bestaande planologische regime van relevante betekenis. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zijn de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar, naarmate de inbreuk van het project ten behoeve waarvan de vrijstelling wordt verleend op de bestaande planologische situatie geringer is.

11. Gezien de aard van de bouwplannen, welke mede de bouw van woningen omvatten, en de bouwmassa waarvoor vrijstelling wordt verleend, is sprake van een aanzienlijke inbreuk op het bestaande planologische regime, zodat in dit geval ook bijzondere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

12. Verweerder heeft het voorontwerp bestemmingsplan “Binnenstad-Centrum, gedeelte Bleekplein 2005” als ruimtelijke onderbouwing bij de vrijstellingsbesluiten gebruikt. De Provinciale Commissie Omgevingsbeleid (PCO) heeft in haar schriftelijk advies van 16 september 2005 meegedeeld dat de in haar eerdere advies van 3 mei 2005 gemaakte categorie 1 en 2 opmerkingen als vervallen kunnen worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder de ruimtelijke onderbouwing afdoende ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan. In dit verband wijst de rechtbank op het advies van Rothuizen van Doorn ‘tHooft van 9 februari 2007, dat ter onderbouwing van het bestreden besluit is toegevoegd. Hieruit blijkt dat met het bouwplan goed is ingespeeld op de functies en massa’s die zich in de directe omgeving bevinden.

Verweerder heeft het belang van eiser, bestaande uit handhaving van het bestaande uitzicht, schaduwwerking en verlies van privacy door inkijk, afgewogen tegen het algemeen belang (ruimere bebouwingsmogelijkheden ter plaatse ten behoeve de ontwikkeling van de binnenstad).

De rechtbank acht het resultaat van deze belangenafweging niet onredelijk. De rechtbank acht hierbij van belang dat de woningen in het bouwplan niet uitkijken op eisers perceel en dat de gevel van de parkeergarage aan de achterzijde van het complex tot aan de vierde verdieping gesloten wordt uitgevoerd. Verder is de slagschaduw van het gebouw beperkt doordat de bovenste bouwlaag ontbreekt in de nabij het perceel van eiser gelegen hoek van het gebouw. Voor wat betreft de (verdere) beperking van het uitzicht geldt dat dit ook al mogelijk was onder het eerdere bestemmingsplan. Verder kan eisers perceel in de binnenstad niet gevrijwaard worden van de bij een stedelijke omgeving passende ontwikkelingen die uitzicht beïnvloeden. De komst van een parkeergarage ter plaatse was reeds voorzien in het Masterplan Goes. Het onderhavige plan is aangepast aan de actuele verkeerssituatie en parkeerbehoefte in Goes. Het overeenkomstig opgestelde voorontwerp bestemmingsplan “Binnenstad-Centrum” bevat een stedenbouwkundige visie en de relatie daarvan met het Masterplan is verder uiteengezet in een “Deskundigenadvies Kolveniershof”van 9 februari 2007 van het stedenbouwkundig adviesbureau Rothuizen van Doorn ’t Hooft. De rechtbank ziet niet in waarom aan deze nadere uiteenzetting, welke is opgesteld in het kader van de procedure van een andere belanghebbende, geen algemene betekenis toekomt, zoals eiser heeft gesteld.

13. Anders dan door eiser is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de resultaten van het akoestisch onderzoek door Grontmij Nederland bv, zoals neergelegd in een rapportage van 9 februari 2007, niet zijn aan te merken als feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang, waarover eiser had moeten worden gehoord, alvorens op het bezwaar kon worden beslist. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting uiteengezet dat het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een vereiste melding op grond van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en dat de concrete resultaten ervan, zoals ingebracht in de onderhavige procedure, niets meer behelzen dan een nadere onderbouwing van het reeds eerder door verweerder ingenomen standpunt dat, gelet op de aard van het bouwwerk en de (vrijwel volledig) gesloten uitvoering ervan, van reële geluidsoverlast geen sprake zal zijn. De rechtbank volgt dit standpunt, mede in aanmerking nemend de bestaande situatie, waarin sprake is van een ruime parkeervoorziening in de open lucht. De rechtbank gaat op grond van de goede procesorde voorbij aan de door eiser ter zitting geplaatste kanttekeningen bij de aannames van het akoestisch onderzoek. Het akoestisch onderzoek heeft ter inzage gelegen in het kader van de bestemmingsplanprocedure en is daarnaast door de rechtbank bij brief van 8 augustus 2007 aan eisers gemachtigde toegezonden, zodat niet valt in te zien dat bedoelde kanttekeningen niet eerder in het geding hadden kunnen worden ingebracht.

14. Uit artikel 7, derde lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) volgt dat de onderhavige vrijstelling mag worden verleend, ongeacht de bestaande luchtkwaliteit voor wat betreft de in dat artikel genoemde stoffen, indien de concentratie in de buitenlucht van die stoffen daardoor verbetert of ten minste gelijk blijft, of indien bij een beperkte toename van die concentratie de luchtkwaliteit per saldo verbetert als gevolg van een met de vrijstelling samenhangende maatregel. In dat verband is een verkennend luchtkwaliteitsonderzoek nodig indien een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit niet op voorhand kan worden uitgesloten (zie Vz. RvS 21 november 2005, LJN: AU7147).

De invloed van het bestemmingsplan “Binnenstad-Centrum, gedeelte Bleekveldplein” op het verkeer en de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit zijn door verweerder onderzocht, waarbij geen overschrijdingen van de normen voor fijnstof en stikstofdioxide uit het Blk 2005 zijn geconstateerd. Verweerder acht het verder uitgesloten dat de parkeergarage als zodanig een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse tot gevolg zal hebben, gezien het bestaande parkeerterrein, de omvang van de grotendeels gesloten parkeergarage en de afvoer van gassen en dampen van de eerste drie parkeerlagen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een rekenmodel van TNO voor het berekenen van de jaargemiddelde benzeenconcentratie-bijdragen van parkeergarages en parkeerterreinen en naar berekeningen van de concentraties verontreinigende componenten door werkverkeer op basis van het CAR-model 5.0. Eiser heeft de door verweerder gehanteerde aannames ten aanzien van het aantal voertuigbewegingen in twijfel getrokken en heeft gesteld dat de toetsing op basis van de gegevens van TNO niet toetsbaar is, maar de rechtbank ziet in hetgeen daarover door eiser is gesteld onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van verweerders conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen afzien van het uitvoeren van een afzonderlijk luchtkwaliteitsonderzoek voor de parkeergarage.

15. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de vrijstellingen.

16. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het welstandsadvies als voldoende zorgvuldig moet worden aangemerkt en voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Door eiser is niet betwist dat het welstandsadvies vóór het primaire besluit is uitgebracht. Door eiser is geen contra-expertise ingebracht. Verweerder heeft daarom zijn besluitvorming op het welstandsadvies van 5 maart 2007 mogen baseren. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht de bouwvergunningen heeft verleend.

17. De conclusie is dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep is ongegrond.

18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op

door mr. J.F.I. Sinack als voorzitter en mr. C. van Boven - Hartogh en mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen als griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: