Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD2444

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
59125/HA ZA 07-382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"(..)"1.1. In de nacht van 24 op 25 juli 2007 voer de aan Ahlmarco in eigendom toebehorende tanker “Fryken” op de Westerschelde op weg van Antwerpen naar Engeland.

De “Fryken” is op de Westerschelde, in het Nauw van Bath, uit het vaarwater geraakt en aan de grond gelopen.

Na het aan de grond lopen hebben de sleepboten “Union Emerald” en “Schelde 20”, in eigendom toebehorende aan verweerster sub 1, bij de “Fryken” vastgemaakt en de Fryken losgetrokken."(...)"

"(...)"1.2. Ahlmarco heeft URS België c.s. op 26 juli 2007, volgens Ahlmarco om 12.50 uur, gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank te Middelburg op 29 augustus 2007, teneinde het eventueel verschuldigde hulploon te doen vaststellen."(...)"

"(..)"1.3. Door URS België c.s. is bij “Claim form (Admiralty claim in rem)” – verder claim form - van 26 juli 2007, volgens URS België c.s. om 11:00:28 uur Engelse tijd, 12:00:28 uur Nederlandse tijd, een vordering voor hulploon ingesteld bij de High Court of Justice, Queen’s Bench Division, Admiralty Court – verder Admiralty Court – in Londen, Verenigd Koninkrijk. "(..)"

"(..)"2. Het geschil in het incident

2.1. URS België c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van de vorderingen kennis te nemen, althans haar uitspraak aan te houden totdat de bevoegdheid van het Admiralty Court vaststaat, met veroordeling van Ahlmarco in de kosten. "(..)"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 40

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 59125 / HA ZA 07-382

Vonnis in incident van 5 maart 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AHLMARCO B.V.,

gevestigd te Haren,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. C.J. IJdema,

advocaat mr. J. Blussé van Oud-Alblas te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

UNIE VAN REDDING- EN SLEEPDIENST BELGIE (URS België) N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

URS SALVAGE & MARITIME CONTRACTING N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

procureur mr. J.C. Bode 't Hart,

advocaat mr. E.A. Bik/mr. N.J. Margetson/mr. J.A. Oggel te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Ahlmarco en URS België cs. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure in het incident blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie van onbevoegdheid

- conclusie van antwoord in het incident.

Door URS België c.s. is pleidooi gevraagd.

Het pleidooi heeft plaatsgevonden op donderdag 24 januari 2008.

Nadat de advocaten hebben gepleit overeenkomstig hun pleitnota’s leggen zij hun pleitnota’s over.

Ter gelegenheid van het pleidooi zijn de volgende aktes genomen:

- akte houdende productie in het incident zijdens Ahlmarco;

- akte houdende productie in het incident eveneens zijdens Ahlmarco;

- akte houdende overlegging productie in het onbevoegdheidsincident zijdens URS

België c.s.;

- aanvullende akte houdende overlegging productie in het onbevoegdheidsincident eveneens

zijdens URS België c.s.;

- brief van de procureur van Ahlmarco d.d. 29 januari 2008 met als bijlagen de originele

betekeningsbewijzen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. In de nacht van 24 op 25 juli 2007 voer de aan Ahlmarco in eigendom toebehorende tanker “Fryken” op de Westerschelde op weg van Antwerpen naar Engeland.

De “Fryken” is op de Westerschelde, in het Nauw van Bath, uit het vaarwater geraakt en aan de grond gelopen.

Na het aan de grond lopen hebben de sleepboten “Union Emerald” en “Schelde 20”, in eigendom toebehorende aan verweerster sub 1, bij de “Fryken” vastgemaakt en de Fryken losgetrokken.

2.2. Ahlmarco heeft URS België c.s. op 26 juli 2007, volgens Ahlmarco om 12.50 uur, gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank te Middelburg op 29 augustus 2007, teneinde het eventueel verschuldigde hulploon te doen vaststellen.

2.3. Door URS België c.s. is bij “Claim form (Admiralty claim in rem)” – verder claim form - van 26 juli 2007, volgens URS België c.s. om 11:00:28 uur Engelse tijd, 12:00:28 uur Nederlandse tijd, een vordering voor hulploon ingesteld bij de High Court of Justice, Queen’s Bench Division, Admiralty Court – verder Admiralty Court – in Londen, Verenigd Koninkrijk.

3. Het geschil in het incident

3.1. URS België c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van de vorderingen kennis te nemen, althans haar uitspraak aan te houden totdat de bevoegdheid van het Admiralty Court vaststaat, met veroordeling van Ahlmarco in de kosten.

3.2. URS België c.s. stellen daartoe het navolgende.

3.2.1. De rechtbank Middelburg is niet bevoegd om van het geschil kennis te nemen omdat zij geen internationale rechtsmacht heeft. Het betreft een geschil tussen een Nederlandse rechtspersoon en twee Belgische rechtspersonen.

De EEX-Verordening – verder de Verordening - is van toepassing. Op grond van de hoofdregel opgenomen in de Verordening onder art. 2 lid 1 is de rechter van de woonplaats van gedaagden bevoegd. De Verordening kent geen uitzonderingen voor geschillen die de hoogte van het hulploon betreffen. Er is niet sprake van een andere specifieke verdragsrechtelijke jurisdictieregel.

URS België c.s. bestrijden dat tussen Ahlmarco en URS België c.s. een overeenkomst tot stand is gekomen. Er is dus niet sprake van een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5 sub 1 van de Verordening. Dit volgt ook uit hetgeen Ahlmarco in haar inleidende dagvaarding onder punt 1.1. stelt en in haar conclusie van antwoord in het incident onder paragraaf 2. Uit het aanpakken van de trossen aan boord van de “Fryken” volgt ook niet dat sprake is van een overeenkomst. Daarmee is voldaan aan de voor de reder en de kapitein in artikel 8:560 lid 2 BW neergelegde verplichting tot samenwerking, ook zonder contract, met de hulpverlener.

Er is sprake van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 lid 1 Rv door Ahlmarco.

Een verbintenis tot het betalen van hulploon is ook een verbintenis uit de wet. Een overeenkomst is dus niet nodig voor een vordering tot vaststellen van hulploon.

De Nederlandse rechter is ook niet bevoegd op grond van artikel 637 Rv. Ingevolge artikel 1 Rv gelden de regels van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts onverminderd het omtrent rechtsmacht in verdragen en EG-Verorderingen bepaalde. Dit volgt ook uit artikel 94 van de Grondwet.

3.2.2. De rechtbank Middelburg is voorts niet bevoegd omdat ten tijde van de betekening van de dagvaarding de zaak al aanhangig was gemaakt bij het Admiralty Court in Londen.

Bij het Admiralty Court is een vordering voor hulploon ingesteld bij claim form van 26 juli 2007 om 11:00:28 uur Engelse tijd, zijnde 12:00:28 Nederlandse tijd. Deze zaak is in Nederland op 26 juli 2007 om 12.50 uur aanhangig gemaakt, bijna 50 minuten nadat de zaak in Engeland aanhangig is gemaakt.

Voor het geval de rechtbank Middelburg zich bevoegd acht dient de rechtbank op grond van artikel 27 lid 1 van de Verordening de uitspraak ambtshalve aan te houden totdat de bevoegdheid van het Admiralty Court vaststaat.

Het tijdstip van het aanhangig zijn van een zaak dient te worden bepaald aan de hand van artikel 30 van de Verordening. De eerste formele handeling met betrekking tot het geding inleidende stuk wordt gezien als het moment van aanhangigheid mits vervolgens de formaliteiten worden uitgevoerd die nodig zijn om het geding van start te doen gaan.

Ingevolge artikel 30 van de Verordening is het tijdstip en niet slechts de datum van het aanhangig maken van de zaak bepalend.

Ondanks de omstandigheid dat de bevoegdheid van de Engelse rechter, via artikel 71 lid 1 van de Verordening, is gebaseerd op het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen – verder het Beslagverdrag 1952 - zijn de regels met betrekking tot aanhangigheid en litispendentie in de Verordening van toepassing omdat het Beslagverdrag van Brussel van 1952 daarvoor geen regeling inhoudt.

3.2.3. In Engeland is de vordering ingesteld door URS Salvage & Maritime Contracting N.V., degene in opdracht waarvan, en onder de coördinatie van wie, de hulpverlening is geschied, mede namens “…, the owners, masters and crew of tugs “Schelde” and “Union Emerald”. De vordering is in Engeland dus mede namens de rederij van de sleepboten de Unie van Redding- en Sleepdienst (URS België) N.V. ingesteld.

3.3. Ahlmarco bestrijdt dat de rechtbank Middelburg onbevoegd zou zijn om van het incident kennis te nemen. Ahlmarco stelt daartoe het navolgende.

3.3.1. De rechtbank Middelburg is op grond van artikel 5 lid 1 van de Verordening bevoegd omdat er tussen Ahlmarco en URS België c.s. een overeenkomst tot stand gekomen is en URS België c.s. de op grond van de overeenkomst te leveren dienst in het arrondissement Middelburg heeft verricht.

Dat een overeenkomst tot stand gekomen is volgt uit het feit dat de sleepboten met toestemming van de scheepsleiding vastgemaakt hebben. Dat over de kwalificatie van de diensten en de daarvoor verschuldigde vergoeding geen overeenstemming is bereikt doet daaraan niet af.

Voorts is de rechtbank Middelburg bevoegd omdat blijkens artikel 637 Rv jo. artikel 10 Rv in zaken van hulpverlening mede bevoegd is de rechter binnen wiens rechtsgebied de hulp is verleend.

3.3.2. Ahlmarco stelt voorts dat de zaak in Nederland eerder aanhangig is gemaakt dan in Engeland.

Het door URS België c.s. in Engeland ingediende “claim form” betreft een actio in rem. Deze actio in rem is ingesteld op basis van het Beslagverdrag 1952 welk verdrag ingevolge artikel 71 lid 1 van de Verordening prevaleert, en de ter uitvoering daarvan geldende Engelse bepalingen van procesrecht.

Artikel 30 van de Verordening is voor de bepaling van de aanhangigheid van de actio in rem niet van toepassing. Ingevolge de van toepassing zijnde bepalingen kan een in rem procedure eerst aanhangig worden door “service” (betekening), niet “issue” (indiening bij de rechtbank), van het claim form aan boord van het schip in Engeland. Die “service” vond eerst plaats tegelijk met de beslaglegging op 29 juli 2007. De rechtbank Middelburg is dus de eerst aangezochte rechter.

Ahlmarco stelt voorts gemotiveerd dat indien zaken op dezelfde dag aanhangig zijn gemaakt bij toepassing van artikel 27 van de Verordening de chronologie van aanhangigheid niet doorslaggevend is maar het stadium waarin de procedure zich bevindt. De procedure voor de Nederlandse rechter is verder gevorderd en bovendien is er bij de rechtbank Middelburg een vrijwaringsprocedure aanhangig tegen de “Pioneer Bay”.

Nog afgezien van het vorenstaande betoogt Ahlmarco dat bij toepassing van artikel 27 van de Verordening de bepalingen van het Beslagverdrag 1952 moeten prevaleren. Het moment van indiening van het claim form kan dus niet als uitgangspunt dienen voor het bepalen van de aanhangigheid van de hoofdzaak. Ingevolge artikel 7 van het Beslagverdrag 1952 kan de Engelse rechter in de hoofdzaak pas worden aangezocht als het beslag in Engeland is gelegd. Het claim form kan, nu het vóór het beslag is ingediend, de hoofdzaak niet hebben ingeleid als bedoeld in artikel 30 van de Verordening.

Artikel 30 van de Verordening stelt voorts als voorwaarde voor het aanhangig zijn de eis van betekening aan verweerder. In het onderhavige geval is aan Ahlmarco niet betekend conform de eisen van de EEX Betekeningsverordening zodat ook daarom niet aan artikel 30 van de Verordening is voldaan.

Indien en voor zover de chronologie van het aanhangig maken wél aan de orde zou zijn dient als tijdstip van “issue” van het claim form, bij gebreke van een specifieke aanduiding van het tijstip van “issue”, 16.30 uur te gelden. Het op het claim form vermelde tijdstip van 11.00 uur is het tijdstip van betaling van de “court fee”.

De Engelse rechter was op het moment van “issue” van het claim form niet bevoegd omdat er op dat moment nog geen beslag op de “Fryken” was gelegd. Dat is pas op 29 juli 2007 gedaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1. Met betrekking tot haar bevoegdheid overweegt de rechtbank het navolgende.

Om te voorkomen dat er gevallen zijn waarin de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, hoewel er aanknopingspunten zijn die een dergelijke rechtsmacht wel gewenst maken, is met het opnemen van artikel 10 Rv in Boek 1 titel 1 het beginsel distributie bepaalt attributie gehandhaafd. Ingevolge dit artikel behouden specifieke regelingen voor relatieve bevoegdheid, die zich buiten de tweede afdeling van de tweede en van de derde titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevinden, een dubbele functie voor zover door de bepalingen van de eerste afdeling van de eerste titel niet in rechtsmacht is voorzien èn voor zover uit de specifieke bepaling zelf niet voortvloeit dat zij alleen op interne relatieve bevoegdheid betrekking heeft.

Op grond van artikel 10 Rv behouden in en buiten het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorkomende bepalingen die de rechtsmacht van de Nederlandse rechter afbakenen ten volle hun betekenis.

Ingevolge artikel 637 lid 1 Rv, aan welke bepaling ingevolge artikel 10 Rv een rechtsmacht toedelende functie toekomt, is in zaken van hulpverlening mede bevoegd de rechter binnen het rechtsgebied van wie de hulp is verleend.

De hulpverlening heeft in het arrondissement Middelburg plaatsgevonden. De rechtbank zal zich derhalve bevoegd verklaren om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.2. Door URS België c.s. is voorts een beroep gedaan op artikel 27 van de Verordening. De rechtbank is van oordeel dat de Verordening van toepassing is nu het Beslagverdag 1952 geen regels met betrekking tot aanhangigheid en litispendentie bevat.

Van belang voor toepassing van artikel 27 van de Verordening is het tijdstip van aanbrengen van de zaak bij de gerechten in de verschillende lidstaten.

Artikel 30 van de Verordening geeft voor toepassing van artikel 27 van de Verordening aan op welk moment een zaak geacht wordt te zijn aangebracht.

Ingevolge artikel 30 van de Verordening is in lidstaten waar de betekening of de kennisgeving voorafgaat aan de indiening van de vordering bij het gerecht de zaak aanhangig vanaf de datum waarop het stuk wordt ingediend bij de tot betekening of de kennisgeving bevoegde autoriteit, en niet vanaf de datum van de betekening of de kennisgeving zelf.

Aangezien URS België c.s. in België is gevestigd diende de dagvaarding door Ahlmarco te worden betekend met inachtneming van de bepalingen van de EU- Betekeningsverordening. Voor de procedure die voor deze rechtbank dient geldt als datum voor de aanhangigheid in het kader van art. 27 van de Verordening de datum waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of kennisgeving het stuk ontvangt, de ontvangende Belgische autoriteit in de zin van art. 2 van de EU-Betekeningsverordening. De datum van ontvangst blijkt uit het ontvangstbewijst dat krachtens art. 6 EU-Betekeningsverordening aan de verzendende autoriteit moet worden gestuurd.

Uit de betekeningsbewijzen die door Ahlmarco, zoals toegezegd ter gelegenheid van het pleidooi, bij brief van 29 januari 2008 in het geding zijn gebracht blijkt dat de dagvaardingen op 30 juli 2007 door de ontvangende Belgische Autoriteit zijn ontvangen.

Aangezien vervolgens inschrijving op de rol is gevolgd wordt de zaak geacht op 30 juli 2007 bij de rechtbank Middelburg te zijn aangebracht.

Ahlmarco heeft er in haar brief van 29 januari 2008 op gewezen dat, zoals uit de incidentele conclusie van onbevoegdheid van URS België c.s. blijkt, URS België c.s., evenals Ahlmarco, ervan uitgaat dat de zaak in Nederland op 26 juli 2007 om 12.50 uur Nederlandse tijd aanhangig is gemaakt. Gelet op het vorenstaande gaan partijen daarbij uit van het tijdstip waarop de dagvaardingen aan de deurwaarder in België zijn verzonden. De rechtbank gaat daaraan voorbij omdat ingevolge artikel 30 van de Verordening een zaak geacht wordt te zijn aangebracht bij een gerecht op het tijdstip waarop de tot betekening of de kennisgeving bevoegde autoriteit het stuk ontvangt.

4.3. In lidstaten waar de vordering bij het gerecht moet worden ingediend vóór de betekening of kennisgeving van het stuk dat het geding inleidt aan de verweerder, is volgens artikel 30 van de Verordening een zaak aanhangig vanaf de datum waarop de vordering bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser alles doet wat nodig is met het oog op de betekening of de kennisgeving van de vordering aan de verweerder.

Tussen partijen bestaat kennelijk, alhans zo is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door URS België c.s. onweersproken geconstateerd, geen verschil van mening of in een procedure als de onderhavig het door URS België c.s. bij het Admiralty Court ingediende claim form het het geding inleidende stuk is.

Het claim form is, zo is onweersproken, door URS België c.s. op 26 juli 2008 bij het Admiralty Court ingediend. Daarna is het, tegelijk met het leggen van het beslag op de “Fryken” op 29 juli 2007, aan boord van het schip betekend.

Indiening van het claim form geldt als datum aanhangigheid mits URS België c.s. alles doen wat nodig is met het oog op de betekening of de kennisgeving van de vordering aan de verweerder. Wat moet worden gedaan hangt af van het rechtsstelsel. In het onderhavige geval dient betekend te worden overeenkomstig de bepalingen van de EU-Betekeningsverordening. Het te betekenen stuk dat is geregistreerd bij het gerecht moet dan ter betekening worden ingediend bij de voor betekening en kennisgeving bevoegde autoriteit. Onbestreden is dat URS België c.s. het claim form niet overeenkomstig de weg van de EU-Betekeningsverordening heeft doen betekenen. Het claim form is niet ter betekening bij de ingevolge artikel 2 van de EU-Betekeningsverordening bevoegde autoriteit ingediend. Gelet op het vorenstaande kan URS België c.s. niet geacht worden alles te hebben gedaan wat nodig is met het oog op de betekening of de kennisgeving van de vordering aan verweerder. Aangezien niet gesteld of gebleken is dat dat inmiddels wel is gebeurd kan de zaak ook niet geacht worden bij het Admiralty Court aanhangig te zijn.

De rechtbank zal de hoofdzaak dan ook niet aanhouden.

4.4. Door URS België c.s. is verzocht om, indien de rechtbank een tussenvonnis wijst, te bepalen dat hoger beroep is toegestaan. Ahlmarco heeft verklaard in te stemmen met tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis.

Aangezien de rechtbank een eindvonnis in het onbevoegdheidsincident zal wijzen staat van het vonnis echter hoger beroep open zonder nadere bepaling door de rechtbank.

4.5. Nu de vordering van URS België c.s. wordt afgewezen, zal de rechtbank URS België c.s. veroordelen in de kosten van het incident aan de zijde van Ahlmarco begroot op een bedrag van € 904,-- ter zake van procureurssalaris.

5. De beslissing

De rechtbank:

In het incident:

- verklaart zich bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen;

- veroordeelt URS België c.s. in de kosten van het incident aan de zijde van Ahlmarco begroot op een bedrag van € 904,-- ter zake van procureurssalaris.

In de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 april 2008 voor het nemen van de conclusie van antwoord door URS België c.s.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2008.