Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BD2425

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
60635/KG ZA 07-213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"(...)"2.1. Gedaagde is samen met haar broer ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan de (Adres) te Aardenburg. Op de woning rust een levenslang recht van vruchtgebruik ten behoeve van de vader van gedaagde. " (..)"

"(..)"2.2. Eind maart 2007 hebben gedaagde en haar broer een bemiddelingsopdracht met betrekking tot de verkoop van genoemde woning verstrekt aan de heer F.C.R. Vercraeije van Versluijs Makelaardij te Oostburg op basis van een vraagprijs van € 449.000,-- k.k. "(..)"

"(..)"De woning staat leeg omdat de vader van gedaagde thans in een verpleeghuis verblijft en niet meer zelfstandig kan wonen. "(..)"

"(..)"2.3. De vraagprijs is na ruim een half jaar verlaagd tot € 389.000,--. "(..)"

"(..)"2.4. Eisers hebben op of omstreeks 7 november 2007 op genoemde woning een bod uitgebracht van € 340.000,-- k.k. "(..)"

"(..)"2.5. Op 8 november 2007 heeft de broer van gedaagde aan de heer Vercraeije telefonisch meegedeeld dat het door eisers uitgebrachte bod van € 340.000,-- is aanvaard. "(..)"

"(..)"3.1. Eisers vorderen primair gedaagde te veroordelen om uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de ondertekening van het koopcontract met betrekking tot het pand (adres) te Aardenburg, een en ander versterkt met een dwangsom. Subsidiair vorderen eisers om op basis van artikel 3:300 BW te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de door gedaagde te verlenen medewerking. Ten slotte vorderen eisers gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure. "(..)"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

60635KG ZA 07-21360635KG ZA 07-21316 januari 2008

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 60635 / KG ZA 07-213

Vonnis van 22 januari 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Aardenburg, gemeente Sluis,

eisers,

procureur: mr. H.M. den Hollander,

tegen

[gedaagde],

wonende te Adegem, België,

gedaagde,

procureur: mr. B.J. van de Wijnckel.

De procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties;

de conclusie van antwoord;

- de mondelinge behandeling op 15 januari 2008;

- de pleitnota van mr. Den Hollander.

De feiten.

2.1. Gedaagde is samen met haar broer, de heer [naam], ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan de [adres] te Aardenburg. Op de woning rust een levenslang recht van vruchtgebruik ten behoeve van de vader van gedaagde, de heer [naam vader].

2.2. Eind maart 2007 hebben gedaagde en haar broer een bemiddelingsopdracht met betrekking tot de verkoop van genoemde woning verstrekt aan de heer F.C.R. Vercraeije van Versluijs Makelaardij te Oostburg op basis van een vraagprijs van € 449.000,-- k.k.

De woning staat leeg omdat de vader van gedaagde thans in een verpleeghuis verblijft en niet meer zelfstandig kan wonen.

2.3. De vraagprijs is na ruim een half jaar verlaagd tot € 389.000,--.

2.4. Eisers hebben op of omstreeks 7 november 2007 op genoemde woning een bod uitgebracht van € 340.000,-- k.k.

2.5. Op 8 november 2007 heeft de broer van gedaagde aan de heer Vercraeije telefonisch meegedeeld dat het door eisers uitgebrachte bod van € 340.000,-- is aanvaard.

2.6. Op 12 november 2007 heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen de heer Vercraeije en gedaagde ter gelegenheid waarvan gedaagde heeft meegedeeld dat zij niet akkoord is met de verkoop en dat zij wellicht zelf het aandeel van haar broer in de woning zal overnemen.

2.7. Op 15 november 2007 heeft er vervolgens een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van de heer Vercraeije, waarbij gedaagde, haar broer, haar vader en eisers aanwezig zijn. Tijdens deze bespreking heeft gedaagde nogmaals te kennen gegeven dat zij niet akkoord is gegaan met de verkoop.

2.8. Op 16 november 2007 wordt de koopovereenkomst door de broer van gedaagde ondertekend. Gedaagde weigert de schriftelijke overeenkomst te tekenen.

3. Het geschil.

3.1. Eisers vorderen primair gedaagde te veroordelen om uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de ondertekening van het koopcontract met betrekking tot het pand [adres] te Aardenburg, een en ander versterkt met een dwangsom. Subsidiair vorderen eisers om op basis van artikel 3:300 BW te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de door gedaagde te verlenen medewerking. Ten slotte vorderen eisers gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.

Eisers hebben daartoe het navolgende aangevoerd. Volgens eisers is er tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de koop van de woning aan de [adres] voor een koopsom van € 340.000,--. Op 8 november 2007 heeft de broer van gedaagde met goedvinden van gedaagde telefonisch aan de heer Vercraeije (hierna: de makelaar) laten weten dat het bod van eisers was aanvaard. Omdat de broer van gedaagde als vertegenwoordiger van de familie optrad, mocht de makelaar (van de verkopers) aan de kopers laten weten dat het bod aanvaard werd en mochten de kopers op die mededeling afgaan.

3.2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat er een (mondelinge) koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, omdat zij nooit met het bod van eisers heeft ingestemd. Zij heeft het bod altijd te laag gevonden en heeft op geen enkel moment en op geen enkele wijze te kennen gegeven, noch tegenover haar broer en/of vader, noch tegenover de makelaar en/of eisers, akkoord te gaan met het bod van € 340.000,--. Voorts stelt gedaagde zich op het standpunt dat, indien al sprake zou zijn van een koopovereenkomst, deze op grond van artikel 3:39 BW nietig is, omdat niet is voldaan aan de in artikel 7:2 lid 1 BW vereiste schriftelijkheid. Bovendien is een spoedeisend belang door eisers niet gesteld, zodat zij niet ontvankelijk zijn in hun vordering.

4. De beoordeling.

4.1. Gedaagde heeft aangevoerd dat eisers geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er door eisers voldoende gesteld om een spoedeisend belang aanwezig te achten. In november 2007 hebben eisers hun bod uitgebracht en inmiddels zijn er twee maanden verstreken zonder dat eisers weten waar zij aan toe zijn. De voorzieningenrechter kan eisers volgen in hun stelling dat zij spoedig behoefte hebben aan duidelijkheid omtrent hun positie. Eisers zijn dus ontvankelijk in hun vordering.

4.2. Voor een rechtens afdwingbare koopovereenkomst dient wilsovereenstemming tussen de verkopers en de kopers te bestaan. Vooral omdat het door eisers uitgebrachte bod van € 340.000,-- aanzienlijk lager is dan de vraagprijs van € 389.000,--, mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te lichtvaardig worden aangenomen dat gedaagde met de koopprijs heeft ingestemd. De enkele, door gedaagde betwiste, stelling van eisers dat de instemming van gedaagde met de koopovereenkomst blijkt uit het feit dat zij telefonisch aan haar vader en broer heeft laten weten dat zij het bod van € 340.000,-- goed vond, is, in het licht van de ter zitting zijdens gedaagde afgelegde verklaring dat zij nooit met het bod akkoord is gegaan, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat tussen partijen een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen. Bovendien blijkt uit de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde verklaring van de broer van gedaagde dat gedaagde alleen maar aan haar vader heeft gezegd “je doet maar”, en dat dit - zo blijkt ook uit die verklaring - slechts een reactie op de mededeling van haar vader was dat hij het bod wilde aanvaarden. Op grond van deze enkele reactie kan, in het licht van de stelling van gedaagde dat zij nooi t akkoord is gegaan met het bod van € 340.000,--, niet worden aangenomen dat gedaagde aan haar broer en haar vader ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven met het bod in te stemmen. Ook uit de mededeling van gedaagde aan de makelaar dat zij nog geen beslissing heeft kunnen nemen, kan niet worden afgeleid dat het bod door gedaagde is aanvaard. Op grond van het vorenstaande moet er voorshands van worden uitgegaan dat gedaagde, anders dan haar broer, met eisers nimmer overeenstemming heeft bereikt omtrent de prijs en dat er om die reden ook geen koopovereenkomst tot stand is gekomen.

4.3. Eisers hebben voorts aangevoerd dat, omdat de broer van gedaagde als vertegenwoordiger van de familie optrad, de makelaar en eisers mochten afgaan op de mededeling van de broer van gedaagde omtrent de aanvaarding van het door eisers gedane aanbod. Als - zoals in het onderhavige geval - de rechtshandeling tot het aangaan van de overeenkomst in naam van een partij door een ander wordt verricht, moet, wil sprake zijn van een overeenkomst, door degene in wiens naam is gehandeld zelf de schijn van de aanwezigheid van een toereikende volmacht zijn opgewekt. Dat de broer van gedaagde in de relatie met de makelaar als vertegenwoordiger van de familie [gedaagde] (gedaagde en haar vader) optrad is in dit geding niet komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat sprake is van omstandigheden of gedragingen van gedaagde op grond waarvan moet worden geoordeeld dat gedaagde toerekenbaar de schijn heeft opgewekt dat haar broer gerechtigd was om namens hen beiden een onvoorwaardelijke koopovereenkomst aan te gaan. Integendeel, uit de bij de dagvaarding overgelegde verklaringen van de broer van gedaagde en de makelaar (producties 3 en 4) blijkt dat gedaagde zelf regelmatig bij de makelaar telefonisch informeerde naar de stand van zaken en dat gedaagde tijdens de verkoopperiode diverse telefoongesprekken met het kantoor van de makelaar heeft gevoerd over het verloop van de verkoop. Op grond van het vorenstaande moet het ervoor gehouden worden dat d e makelaar naar aanleiding van de mededeling van de broer van gedaagde ten onrechte en prematuur aan eisers heeft laten weten dat overeenstemming was bereikt.

4.4. Nu het vorenstaande niet kan leiden tot het oordeel dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen, zal het gevorderde worden afgewezen.

4.5. Eisers zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden

veroordeeld.

5. De beslissing.

De voorzieningenrechter:

5.1. wijst het gevorderde af;

5.2. veroordeelt eisers in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op € 251,-- wegens griffierecht en € 1.054,-- wegens procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2008