Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BC8596

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
56559/HA ZA 07-92
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen eiser en AHL is een overeenkomst van geldlening gesloten in 2004. Het gaat om de kavels toekomstige bouwgrond groot 12.740 m2. Gedaagde sub 2 is bestuurder van AHL. AHL en gedaagde sub 2 zijn namens eiser per brief gesommeerd tot terugbetaling van het geleende bedrag. Eiser vordert gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van €315.677,-- te vermeerderen met wettelijke rent vanaf 14 februari 2008 tot de dag der algehele voldoening, en gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder die van de gelegde beslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

51780HA ZA 06-11851780HA ZA 06-11830 januari 2008

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 56559 / HAZA 07-92

Vonnis van 13 februari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duiveland,

eiser,

procureur mr. W.E. de Wit-de Witte,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AUTO-HUUR-LEASE COMBINATIE NEDERLAND B.V.

statutair gevestigd te Roelofarendsveen, gemeente Alkemade, kantoorhoudende te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duiveland,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagden,

procureur mr. J.C. Bode ’t Hart,

advocaat mr. L.J. van Langevelde.

Partijen worden in het navolgende aangeduid als [eiser], AHL en [gedaagde sub 2].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 23 mei 2007;

de brief met producties d.d. 2 augustus 2007 die mr. De Wit-de Witte ter voorbereiding van de comparitie aan de rechtbank en de advocaat van AHL en [gedaagde sub 2] heeft toegezonden;

het proces-verbaal van comparitie van 17 augustus 2007;

de akte tot het in het geding brengen van een productie zijdens AHL/[gedaagde sub 2];

de antwoordakte zijdens [eiser].

De feiten

Tussen [eiser] en AHL is een overeenkomst van geldlening gesloten d.d. 9 januari 2004. De overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“AKTE VAN GELDLENING

De heer W. [eiser] (…) hierna te noemen: “de schuldeiser”;

de heer M. [gedaagde sub 2] (…) ten deze handelend als zelfstandig bevoegd directeur van de te Bruinisse gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Auto Huur Lease Combinatie Nederland B.V. (…), hierna te noemen AHL “de schuldenaar”, (…)

In aanmerking nemende:

dat [gedaagde sub 2] zich heeft ingespannen voor de tot standkoming van een overeenkomst van verkoop en koop betreffende de kavels toekomstige bouwgrond groot 12.740 m2,

(…)

Dat de heer W. [eiser] wil participeren door middel van een beschikbaar te stellen lening welke lening overeenkomst hierna nader wordt uitgewerkt;

OVEREENKOMST

De schuldenaar erkent wegens heden aan hem ter leen verstrekte gelden schuldig te zijn aan de schuldeiser, die deze schuldbekentenis aanneemt, een som groot

TWEEHONDERDDUIZEND EURO (€ 200.000,00).

Voor deze geldlening gelden de navolgende bepalingen en bedingen:

Rente

Vanaf heden is over de som, hierna te noemen de hoofdsom, een rente verschuldigd van totaal EENHONDERDVIJFTIENDUIZENDZESHONDERDZEVENENZEVENTIG EURO (€ 115.667,00) per twee jaar, te voldoen op een december 2005.

Aflossing

De hoofdsom dient te worden afgelost per een december 2005.

(…)”

[gedaagde sub 2] is bestuurder van AHL. Bij brieven van 7 februari 2006 en 9 januari 2007 zijn AHL en [gedaagde sub 2] namens [eiser] gesommeerd tot terugbetaling van het geleende geld.

Na daartoe verleende toestemming van de voorzieningenrechter te Middelburg is door [eiser] op 1 februari 2007 conservatoir beslag gelegd op goederen van [gedaagde sub 2].

Het geschil

[eiser] vordert AHL en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 315.677,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening, en AHL/[gedaagde sub 2] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder die van de gelegde beslagen.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat AHL toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Op grond van de overeenkomst van geldlening diende het door [eiser] aan AHL uitgeleende bedrag ad € 200.000,-- uiterlijk 1 december 2005 te zijn terugbetaald. AHL heeft echter tot op heden niets terugbetaald. [gedaagde sub 2] is eveneens toerekenbaar tekortgeschoten omdat hij zich persoonlijk garant heeft gesteld voor terugbetaling van de lening. Ook hij heeft nog niets betaald.

[eiser] beroept zich daarnaast op onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] heeft de akte van geldlening willens en wetens op naam van de besloten vennootschap gesteld, wetende dat deze vennootschap het geleende geld niet zou kunnen terugbetalen. Daarnaast beroept [eiser] zich op bedrog, misbruik van omstandigheden dan wel handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid door [gedaagde sub 2].

AHL betwist toerekenbaar te kort te zijn geschoten. Zij is van mening dat de lening nog niet opeisbaar is. De doelstelling van de overeenkomst was participatie van [eiser] in onroerend-goed-projecten in Bruinisse en Hulst. De bestemming van de aangekochte grond diende eerst gewijzigd te worden in bouwgrond en de bedoeling van partijen was dat pas zou worden afgerekend nadat de wijziging van de betreffende gronden zou zijn gerealiseerd. Dit is echter nog niet gebeurd, zodat [eiser] te vroeg is met het opeisen van de lening inclusief rendement. [gedaagde sub 2] voert ten verwere aan dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering jegens [gedaagde sub 2], nu hij geen contractspartij is in de geldleningovereenkomst. Hij betwist daarnaast dat hij onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [eiser]. [gedaagde sub 2] betwist ten slotte dat sprake is van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden.

De beoordeling

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of het door [eiser] uitgeleende bedrag opeisbaar is.

AHL heeft aangevoerd dat de bedoeling van partijen is geweest dat het geleende bedrag pas opeisbaar was nadat de bestemming van de door haar aangekochte gronden was gewijzigd in bouwgronden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de overeenkomst van geldlening, zoals onder 2.1 weergegeven, in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat de geldlening op 1 december 2005 opeisbaar is, te vermeerderen met de rente van € 115.667,--. Het door AHL aangehangen standpunt dat de bedoeling van partijen anders is geweest laat zich immers niet verenigen met het feit dat in de overeenkomst expliciet en ongeclausuleerd is bepaald dat de aflossing zal plaatsvinden op 1 december 2005. Of het geld nou zou worden aangewend voor ontwikkeling van grond in Tholen (zoals door [eiser] gesteld) dan wel Bruinisse en Hulst (zoals door AHL/[gedaagde sub 2] gesteld) doet daarbij niet ter zake.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat, nu niet betwist is dat de bedragen van € 200.000,-- en € 115.667,-- door AHL tot op heden niet zijn betaald, de vordering jegens AHL toewijsbaar is, inclusief de gevorderde rente.

De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of ook [gedaagde sub 2] als contractspartij kan worden aangemerkt. In dat kader staat vast dat de overeenkomst van geldlening tussen [eiser] en AHL is gesloten, zodat [gedaagde sub 2] in beginsel niet kan worden aangesproken tot betaling uit hoofde van tekortkoming. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde sub 2] zich persoonlijk garant heeft gesteld voor terugbetaling. Hij heeft echter nagelaten, na de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 2], deze stelling nader te onderbouwen. De rechtbank zal dan ook voorbijgaan aan deze stelling, zodat [gedaagde sub 2] niet uit hoofde van wanprestatie kan worden aangesproken.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [gedaagde sub 2] persoonlijk kan worden aangesproken. Uitgangspunt is dat wanprestatie van een rechtspersoon onder omstandigheden kan meebrengen dat de bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is ten aanzien van de benadeelde indien hem te dier zake een persoonlijk verwijt treft. Deze persoonlijke verwijtbaarheid kan zich in het licht van de omstandigheden van het geval onder meer voordoen indien de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst door de rechtspersoon wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet in staat zou zijn die overeenkomst na te komen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade. [eiser] heeft [gedaagde sub 2] verweten dat hij in naam van AHL een overeenkomst van geldlening met [eiser] heeft gesloten, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat deze vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen op het moment dat de lening terugbetaald zou moeten worden. [gedaagde sub 2] heeft dit gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van AHL ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van geldlening met [eiser] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat AHL deze overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Ook is niet gesteld of gebleken dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst voorzienbaar was dat AHL niet over financiële middelen zou beschikken. Zelfs indien er van uit gegaan dient te worden dat de financiële omstandigheden van AHL niet rooskleurig zouden zijn geweest bij het aangaan van de overeenkomst, moet voorop worden gesteld dat het in beginsel niet onrechtmatig is indien de bestuurder van de onderneming, dit wetende, desondanks een overeenkomst sluit. Om te concluderen dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden, die voorzienbaar waren en op grond van die voorzienbaarheid aan die bestuurder kunnen worden tegengeworpen of voor zijn risico komen. Ontbreekt immers die voorzienbaarheid dan kan aan de bestuurder geen verwijt gemaakt worden en komt daarmee de grondslag aan eventuele aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van de bestuurder van de vennootschap te ontvallen. [eiser] heeft echter geen omstandigheden gesteld, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar was dat AHL deze overeenkomst niet op de afgesproken datum zou kunnen nakomen.

In het licht van het vorenstaande dient de onder 4.5 geformuleerde vraag naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord.

Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld in de zin van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden, kan hij daar niet in worden gevolgd. Bedrog dan wel misbruik van omstandigheden kunnen slechts van invloed zijn op de verhouding tussen AHL en [eiser] en niet tussen [eiser] en [gedaagde sub 2]. Bovendien heeft [eiser] juist nakoming van de overeenkomst van geldlening door AHL gevorderd, terwijl een beroep op wilsgebreken zou moeten leiden tot vernietiging van de overeenkomst.

Tenslotte heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] geld te ontfutselen terwijl [gedaagde sub 2] hem daarna is gaan beschuldigen van verduistering van een bedrag van € 568.249,24 uit Vera Sealand S.L., een vennootschap te Spanje waarvan zowel [eiser] als [gedaagde sub 2] bestuurder en 50% aandeelhouder zijn. Ook hierin kan [eiser] niet worden gevolgd. Immers, voor zover [gedaagde sub 2] kan worden aangesproken op onrechtmatig handelen, kan dat slechts door middel van de bestuurdersaansprakelijkheid. Daarover is reeds door de rechtbank geoordeeld. [eiser] kan [gedaagde sub 2] niet persoonlijk aansprakelijk stellen via een andere weg

Samenvattend zal de vordering tegen AHL worden toegewezen en de vordering tegen [gedaagde sub 2] afgewezen. AHL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser], met uitzondering van de beslagkosten, nu die zien op beslagen die zijn gelegd onder [gedaagde sub 2]. Anderzijds zal [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde sub 2], die de rechtbank stelt de op helft van de totale kosten van de kant van beide gedaagden.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt AHL tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 315.677,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt AHL in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiser] tot aan dit moment worden begroot op € 4.735,-- wegens griffierecht, € 84,31 wegens overige verschotten en € 4.000,-- wegens procureurssalaris;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot aan dit moment worden begroot op € 2.367,50 en € 2.000,-- wegens procureurssalaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2008.