Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BC8284

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
55787/ HA ZA 07-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"(...)" Op 31 december 2001 is brand ontstaan in de gemeenschappelijke stookruimte van de openbare basisschool “De Kirreweije” en de christelijke basisschool “Onder de wieken” te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de stookruimte). De gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de Gemeente), eigenaar van onder meer de stookruimte, heeft door die brand schade geleden. AZ heeft als (brandschade-)verzekeraar van de gemeente aan de gemeente een uitkering gedaan. "(..)"

"(...)" 2.2. De brand is ontstaan direct nadat één van de gedaagden een (niet toegestane) vuurpijl, waarvan de stok was verwijderd, tegen het gaas van de ventilatieopening van de ruimte heeft gelegd en deze heeft aangestoken. Daaraan voorafgaand hebben twee van de gedaagden een rooster voor dat gaas weggehaald. Blijkens een proces-verbaal van technisch onderzoek van de Politie Zeeland, Oosterscheldebekken/Middelburg van 2 janauri 2002, heeft daarna:

“vermoedelijk (…) de aandrijflading van deze pijl de kerstversiering op de vloer in brand gezet en is (de pijl) buiten de stookruimte ontploft.”(..)"

"(..) "Bij vonnissen van 24 april 2002 van de kinderrechter van deze rechtbank zijn gedaagden – onherroepelijk – tot straffen veroordeeld wegens “opzettelijke brandstichting”. (..)"

"(...)"Bij verstekvonnis van 15 november 2006 heeft de rechtbank op vordering van AZ gedaagden. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan AZ van een bedrag van € 36.325,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2001 tot aan de dag der algehele voldoening en tot bedragen van in totaal € 5.464,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gedaagden zijn veroordeeld in de kosten van het geding. "(...)"

"(...)"3.2 Gedaagden vorderen dat de rechtbank hen – uitvoerbaar bij voorraad – tot goede opposanten verklaart, het verstekvonnis vernietigt en de zaak aanhoudt, opdat schade-expert Hettema+Disselkoen een nieuwe, deugdelijk toegelichte schadeberekening kan overleggen waarop partijen kunnen reageren, dan wel dat zij de gevorderde hoofdsom met € 12.000,-- vermindert en bepaalt dat gedaagden daarvan 50% aan AZ dienen te voldoen, zulks met compensatie van de proceskosten. "(..)"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 55787 / HA ZA 07-12

Vonnis in verzet van 16 januari 2008

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ALGEMENE ZEEUWSE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Middelburg,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. M. van der Bent,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland.

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagden,

eisers in het verzet,

procureur mr. J. Boogaard,

advocaat mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest.

Partijen zullen hierna AZ en [gedaagden]. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door deze rechtbank op 15 november 2006 tussen AZ als eiseres en [gedaagden]. als gedaagden bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 54564 / HA ZA 06-486

- de verzetdagvaarding van [gedaagden].

- de conclusie van antwoord in oppositie van AZ

- de conclusie van repliek in oppositie, tevens houdende wijziging van eis van [gedaagden].

- de akte uitlating productie van AZ

- de akte overlegging producties van AZ

- de antwoordakte van [gedaagden].

- de akte van AZ

- de antwoordakte van [gedaagden]..

2. De feiten

2.1. Op 31 december 2001 is brand ontstaan in de gemeenschappelijke stookruimte van de openbare basisschool “De Kirreweije” en de christelijke basisschool “Onder de wieken” te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de stookruimte). De gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de Gemeente), eigenaar van onder meer de stookruimte, heeft door die brand schade geleden. AZ heeft als (brandschade-)verzekeraar van de gemeente aan de gemeente een uitkering gedaan.

2.2. De brand is ontstaan direct nadat [gedaagde sub 3] een (niet toegestane) vuurpijl, waarvan de stok was verwijderd, tegen het gaas van de ventilatieopening van de ruimte heeft gelegd en deze heeft aangestoken. Daaraan voorafgaand hebben [gedaagden sub 1 en 2] een rooster voor dat gaas weggehaald. Blijkens een proces-verbaal van technisch onderzoek van de Politie Zeeland, Oosterscheldebekken/Middelburg van 2 janauri 2002, heeft daarna:

“vermoedelijk (…) de aandrijflading van deze pijl de kerstversiering op de vloer in brand gezet en is (de pijl) buiten de stookruimte ontploft.”

2.2. Bij vonnissen van 24 april 2002 van de kinderrechter van deze rechtbank zijn [gedaagden]. – onherroepelijk – tot straffen veroordeeld wegens “opzettelijke brandstichting”.

3. Het geschil

3.1. Bij verstekvonnis van 15 november 2006 heeft de rechtbank op vordering van AZ [gedaagden]. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan AZ van een bedrag van € 36.325,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2001 tot aan de dag der algehele voldoening en tot bedragen van in totaal € 5.464,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [gedaagden]. zijn veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagden]. vorderen dat de rechtbank hen – uitvoerbaar bij voorraad – tot goede opposanten verklaart, het verstekvonnis vernietigt en de zaak aanhoudt, opdat schade-expert Hettema+Disselkoen een nieuwe, deugdelijk toegelichte schadeberekening kan overleggen waarop partijen kunnen reageren, dan wel dat zij de gevorderde hoofdsom met € 12.000,-- vermindert en bepaalt dat [gedaagden]. daarvan 50% aan AZ dienen te voldoen, zulks met compensatie van de proceskosten.

Zij stellen primair dat nu de Gemeente hen nimmer aansprakelijk heeft gesteld, AZ als gesubrogeerde dat ook niet kan. Voorts stellen zij dat geen sprake was van opzettelijke brandstichting. Nu de brand is ontstaan doordat op de vloer van de stookruimte – in strijd met de voor die ruimte geldende voorschriften – voor [gedaagden]. niet zichtbaar, brandbaar (kerst-)materiaal lag, waarop vonken zijn terechtgekomen waardoor dat materiaal vlam heeft gevat menen [gedaagden]. dat zij voor niet meer dan 50% aansprakelijk zijn voor de schade (en de kosten). De andere 50% dient voor rekening van de Gemeente te blijven. Voorts betwisten zij de schadeberekening; in die berekening wordt ongemotiveerd uitgegaan van een dagwaarde van de 5 vervangen ketels van € 15.000,--. [gedaagden]. menen dat de dagwaarde destijds niet meer dan € 3.000,-- kan zijn geweest. Zij verwijzen naar de aanschafprijs in 1995, de door de Gemeente gehanteerde afschrijvingen en prijzen die op openbare veilingen voor oude ketels worden betaald. Tenslotte betwisten zij de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

3.3. AZ stelt dat de rechtbank de vorderingen van [gedaagden]. dient af te wijzen en hen dient te veroordelen tot betaling van hetgeen waartoe zij bij het onder 3.1 genoemde verstekvonnis zijn veroordeeld, met dien verstande dat wettelijke rente over de hoofdsom wordt gevorderd vanaf 17 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.

AZ stelt te zijn gesubrogeerd in de rechten van de Gemeente. Zij stelt dat [gedaagden]. op grond van onrechtmatig handelen aansprakelijk zijn voor de volledige schade in de stookruimte. Zij hebben een (verboden) lawinepijl laten ontploffen in (de ventilatieopening van) die ruimte en zijn veroordeeld voor “opzettelijke brandstichting”. AZ betwist dat er sprake is van “eigen schuld” van de Gemeente. Zij betwist dat geen brand zou zijn ontstaan als er geen kerstversiering in de ruimte was geweest. Als de brand al (mede) door aanwezigheid van dit materiaal is ontstaan, dan vermindert dat niet (de omvang van) de vergoedingsplicht van [gedaagden].. Het eventueel door de Gemeente geschonden (brand-) voorschrift strekt niet tot voorkoming van brand door het opzettelijk afsteken van vuurwerk; die schending kan de Gemeente dan ook in het onderhavige kader niet als “eigen schuld” worden toegerekend. Voor het geval de rechtbank anders oordeelt, beroept AZ zich op de billijkheidscorrectie: de ernst van het onrechtmatige handelen van [gedaagden]. is (in verhouding met de fout van de Gemeente) zo groot, dat hun vergoedingsplicht geheel in stand dient te blijven.

Voor de hoogte van de schade verwijst AZ naar de rapportage van expertisebureau Hettema +Disselkoen. Deze expert heeft de dagwaarde van de ketels op € 15.000,-- vastgesteld.

Uit de overgelegde briefwisseling blijkt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht; AZ maakt terecht aanspraak op vergoeding van de kosten daarvan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagden]. stellen dat de Gemeente hen nimmer aansprakelijk heeft gesteld of om vergoeding heeft gevraagd en trekken daarom in twijfel dat AZ in rechten van de Gemeente is gesubrogeerd. Vast staat ([gedaagden]. erkennen dat in elk geval voor 50% van het nog vast te stellen schadebedrag) dat [gedaagden]. jegens de Gemeente aansprakelijk waren voor de door de brand ontstane schade. Op grond van het destijds geldende art. 284 Wetboek van Koophandel is door het enkele feit dat zij – als schadeverzekeraar – die schade heeft vergoed die vordering overgegaan op AZ. Daarvoor was niet noodzakelijk dat de Gemeente eerst zelf [gedaagden]. aansprakelijk stelde of schadevergoeding vorderde. Voldoende staat vast dat AZ in de rechten op vergoeding van de Gemeente – tot het bedrag dat zij heeft vergoed – is gesubrogeerd.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat sprake is geweest van opzettelijke brandstichting door [gedaagden].. [gedaagden]. zijn bij in kracht van gewijsde gegane, op tegenspraak gewezen vonnissen veroordeeld wegens (medeplegen van) opzettelijke brandstichting. Die omstandigheid levert dwingend bewijs van die opzettelijke brandstichting op. [gedaagden]. hebben nog wel tegenbewijs aangeboden. Zij verwijzen ter onderbouwing van dat aanbod naar de processen-verbaal van de politie. Uit die stukken blijkt dat [gedaagden]. een zware (verboden) vuurpijl, waarvan de stok was verwijderd (waardoor de pijl zijn sturing kwijt is) in een ventilatieopening van de stookruimte (waarvan het rooster was verwijderd en alleen nog een gaaswerk aanwezig was) hebben laten ontploffen. Elk van de drie gedaagden hebben aan dat laten ontploffen zodanig meegewerkt dat zij voor de gevolgen daarvan allen gelijkelijk aansprakelijk zijn. Het is van algemene bekendheid dat bij het ontploffen van een vuurpijl vonken vrijkomen en brand kan ontstaan. Door te handelen als omschreven hebben [gedaagden]. op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat brand zou ontstaan. Daarmee is (voorwaardelijk) opzet gegeven. Dat het mogelijk niet hun bedoeling was dat er brand zou ontstaan doet daaraan niet af. In de voorts door [gedaagden]. overgelegde eigen verklaring wordt niets nieuws naar voren gebracht. De conclusie moet zijn dat hetgeen [gedaagden]. aanvoeren ter onderbouwing van hun aanbod om tegenbewijs te leveren geen enkel aanknopingspunt biedt voor de veronderstelling dat geen sprake is geweest van opzettelijke brandstichting. Onder die omstandigheden moet het aanbod tot tegenbewijs worden gepasseerd.

4.3. De brand is ontstaan doordat vonken van de door [gedaagden]. ontstoken vuurpijl op brandbaar materiaal in de stookruimte zijn terechtgekomen. Dat brandbare materiaal had daar op grond van een voorschrift van de Gemeente niet mogen zijn. [gedaagden]. stellen dat sprake is van eigen schuld van de Gemeente, die hun vergoedingsplicht jegens de Gemeente (en na subrogatie: jegens AZ) vermindert.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente fout – en gevaarzettend – heeft gehandeld door in de stookruimte brandbaar materiaal op te slaan. Indien de (brand en de) schade mede daardoor is ontstaan, moet worden vastgesteld dat die schade mede het gevolg is van een aan de gemeente toe te reken omstandigheid. Dat de door de Gemeente overtreden norm niet direct is geschreven ter bescherming tegen het risico van brand door brandstichting, doet daaraan niet af. Wel speelt de vaststelling dat het hier gaat om een norm die niet tegen brandstichting beschermt een rol bij de vraag hoe ernstig de fout van de gemeente – in relatie tot de fout van [gedaagden]. – moet worden ingeschat. De rechtbank is van oordeel dat ten opzichte van het gedrag van [gedaagden]. – het in de wetenschap dat vonken zouden ontstaan in een ventilatieopening van de stookruimte (dus nagenoeg in een gebouw) een zware vuurpijl aansteken – de door de Gemeente gemaakte fout in het niet valt. Op grond daarvan – en in aanmerking nemend het bepaalde in de laatste volzin van art. 6:101 van het Burgerlijk Wetboek – is de rechtbank van oordeel dat de vergoedingsplicht zo dient te worden verdeeld dat deze geheel rust op [gedaagden]. en er geen vergoedingsplicht rust op de Gemeente.

4.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat AZ de volledige schade – voor zover zij die aan de Gemeente heeft vergoed – op [gedaagden]. kan verhalen. AZ vordert € 36.325,14. Niet in geschil is dat zij dat bedrag aan de Gemeente heeft uitgekeerd. Wel betwisten [gedaagden]. dat de schade dat bedrag beliep. Zij stellen dat de schadeberekening – in het bijzonder de vaststelling van de dagwaarde van de 5 verloren gegane verwarmingsketels – onjuist is.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt is van belang dat schade-expert Hettema+Disselkoen aanvankelijk (bij rapport van 10 februari 2003) een schadeopstelling had gemaakt waarbij werd uitgegaan van de nieuwwaarde (van in totaal € 19.863,48) van de ketels. Nadat in het kader van de onderhavige verhaalsvordering van AZ met de raadsman van [gedaagden]. discussie ontstond over de hoogte van de schade, en met name of bij de vaststelling van de schade aan de ketels wel rekening was gehouden met “nieuw voor oud”, is een “dagwaarde” van de ketels door de schade-expert vastgesteld van € 15.000,--. Gelet op deze gang van zaken moet, anders dan [gedaagden]. stellen, onder het hier gehanteerde begrip “dagwaarde” niet worden verstaan de waarde die de betreffende ketels kort voor de brand (boekhoudkundig, of bij verkoop) hadden, maar de nieuwwaarde van de ketels waarvan wordt afgetrokken het voordeel dat de gemeente toeviel omdat zij in plaats van 5 jaar oude ketels, nieuwe ketels heeft gekregen. Daarvan uitgaande is de inschatting die Hettema+ Disselkoen heeft gemaakt niet onredelijk. Nu [gedaagden]. in hun betoog uitgaan van een andere opvatting van het begrip “dagwaarde”, wordt dat verweer gepasseerd. Daarmee is ook de door [gedaagden]. opgevoerde grond om ook te twijfelen aan de andere door Hettema+Disselkoen opgegeven schadecijfers (namelijk dat die, gelet op de onjuiste vaststelling van de dagwaarde, ook onjuist kunnen zijn) komen te vervallen. De rechtbank zal de schadevaststelling van Hettema+Disselkoen volgen.

4.6. Tegen de hoogte van de overige schadeposten is geen (ander) verweer gevoerd. Wel betwisten [gedaagden]. de buitengerechtelijke incassokosten. AZ heeft de gestelde kosten gespecificeerd, doch daaruit valt niet af te leiden dat de gestelde verrichtingen meer omvatten dan enkele (herhaalde) sommaties of het enkele doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de in artikelen 238 en 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te houden. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook alsnog afwijzen.

4.7. Gelet op het vorenstaande zal het verzet gegrond worden verklaard voor zover het zich richt tegen de veroordeling van [gedaagden]. tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tegen de ingangsdatum van over de (hoofd-)som van € 36.325,14 verschuldigde wettelijke rente. Voor het overige zal het verstekvonnis van 15 november 2006 worden bevestigd.

4.8. [gedaagden]. zullen – als grotendeels in het ongelijk gestelde partij – worden veroordeeld in de kosten van de procedure in verzet.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet gegrond voor zover het zich richt tegen de ingangsdatum van de over de (hoofd-)som van € 36.325,14 verschuldigde wettelijke rente en tegen de veroordeling van [gedaagden]. tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

stelt de ingangsdatum van de over de (hoofd-)som van € 36.325,14 vast op 17 maart 2004;

wijst de vordering tot betaling van een bedrag van € 1.788,-- als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten alsnog af;

verklaart het verzet voor het overige ongegrond en bevestigt – voor zover nodig – in zoverre het vonnis van deze rechtbank van 15 november 2006;

veroordeelt [gedaagden]. in de kosten van het geding in verzet, tot op heden aan de zijde van AZ begroot op nihil aan verschotten en € 1.447,50 aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.?