Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BC7304

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
54020/HA ZA 06-409
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2247, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres sub 2 heeft drie percelen bouw- en/of weiland in de gemeente Borsele in eigendom verkregen.Van één van deze percelen heeft eiseres sub 2 een deel verkocht.

"(...)"Gedaagde heeft in 1977 het verzoek van de vorige eigenaar van (een van) deze percelen om medewerking aan de bouw van een bedrijfswoning op zijn perceel afgewezen. Wel is in 1978 de bouw van een bedrijfsgebouw (een gesloten veldschuur) toegestaan. (...)"

In 1993 constateert gedaagde dat de veldschuur is verbouwd zonder vergunning.

"(...)"Op 30 juli 1998 is eisers een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd; zij dienden op verbeurte van een dwangsom van fl. 500,-- per dag dat de overtreding voortduurde (en met een maximum van fl. 100.000,--) uit de veldschuur te verwijderen “de natte cel, het toilet, de kamers op de verdieping, de tuimeldakvensters, de vaste trap, het keukenblok en de twee containers”. Deze last is – na een aantal bestuursrechtelijke procedures – onherroepelijk geworden. "(...)"

(...)"Bij beschikking van 14 oktober 1999 heeft de president de door de Rabobank gevraagde toestemming geweigerd en bepaald dat de onroerende zaak wordt verkocht aan Warijsse B.V. voor de koopsom van fl. 350.000,--. Op 9 december 1999 is de onroerende zaak aan Warijsse in eigendom overgedragen; op 7 juli 2000 is J.H. eigenaar geworden. "(...)"

"(...)"Eisers vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt primair om hen te betalen een bedrag van € 1.190.935,-- + p.m., subsidiair om schade te vergoeden, nog op te maken bij staat, alles voorwaardelijk met herroeping van de beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 1999 (rek.nr. 54/1999) en met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure. "(...)"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

54020HA ZA 06-40954020HA ZA 06-4099 januari 2008

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 54020 / HA ZA 06-409

Vonnis van 9 januari 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1] en

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Eclisfontaine (Frankrijk),

eisers,

procureur mr. K.P.T.G. Flos,

advocaat mr. H.E.Chr.M. Nieland te Bergen op Zoom,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BORSELE,

zetelend te Heinkenszand,

gedaagde,

procureur mr. J.J. Jacobse.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de productielijst (tot en met dagvaarding)

de conclusie van antwoord

de conclusie van repliek, tevens wijziging en vermeerdering van eis

de akte houdende verzet tegen wijziging en vermeerdering van eis

de rolbeslissing waarin het bezwaar ongegrond is verklaard

de conclusie van dupliek

de akte overlegging van één productie

de antwoordakte

de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken,

De feiten

In respectievelijk 1980 en 1990 heeft eiseres sub 2 (hierna: [eiser]) in eigendom verkregen een drietal percelen bouw- en/of weiland aan de [adres] in de gemeente Borsele (kadastraal gemeente Borsele, sectie X, [[2]ummers]). Van perceel nr. [2] heeft [eiser] in 1997 een deel verkocht; het resterende deel is toen hernummerd als sectie X, nr. [nieuw nummer perceel 2].

2.2. Gedaagde heeft in 1977 het verzoek van de vorige eigenaar van (een van) deze percelen om medewerking aan de bouw van een bedrijfswoning op zijn perceel afgewezen. Wel is in 1978 de bouw van een bedrijfsgebouw (een gesloten veldschuur) toegestaan.

2.3. [eiser] heeft op 15 mei 1990 gedaagde gevraagd of zij op haar percelen een bedrijfswoning mocht bouwen, dan wel de bestaande veldschuur tot bedrijfswoning mocht ombouwen. Bij brief van 11 september 1990 wijst gedaagde dat verzoek af, omdat ter plaatse niet een agrarisch bedrijf (al) aanwezig is, terwijl het voor het betreffende gebied geldende bestemmingsplan “Buitengebied” dat, wil bouwen kunnen worden toegestaan, wel vereist.

2.4. Op 11 februari 1991 is [eiser], na het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende gemeenschap van inboedel en uitsluiting van iedere andere gemeenschap van goederen – met eiser sub 1 (hierna: [eiser sub 1]) gehuwd.

2.5. In 1993 constateert gedaagde dat de veldschuur is verbouwd zonder vergunning. Zij schrijft “de familie [eiser]” daarover aan. In 1995 constateert gedaagde eenzelfde feit; zij stelt zich op het standpunt dat feitelijk een woning is gerealiseerd. Eisers bewonen dan daadwerkelijk de veldschuur. De gemeente zegt [eiser] bestuursdwang dan wel oplegging van een dwangsom aan. Op 19 september 1995 wordt [eiser] een last onder dwangsom opgelegd. Zij dient (onder meer) de feitelijk gerealiseerde woning te verwijderen. Op 30 juli 1998 is eisers een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd; zij dienden op verbeurte van een dwangsom van fl. 500,-- per dag dat de overtreding voortduurde (en met een maximum van fl. 100.000,--) uit de veldschuur te verwijderen “de natte cel, het toilet, de kamers op de verdieping, de tuimeldakvensters, de vaste trap, het keukenblok en de twee containers”. Deze last is – na een aantal bestuursrechtelijke procedures – onherroepelijk geworden.

2.6. Eisers, althans [eiser], voldoen niet aan de last. Op 2 maart 1999 wordt voor een bedrag van fl. 25.520,-- aan verbeurde dwangsommen (en kosten) een dwangbevel betekend aan [eiser sub 1]. Op 18 maart 1999 is ten laste van “[eiser sub 1], echtgenoot van [eiser]” executoriaal beslag gelegd op de schuur met erf en weiland (hierna: de onroerende zaak). Bij brief van 8 april 1999 meldt gedaagde aan [eiser sub 1] dat de maximale dwangsom van fl. 100.000,-- is verbeurd.

2.7. Vanaf eind 1998 zijn eisers niet meer in staat hun financiële verplichtingen na te komen. Voor een schuld van fl. 24.500,-- legt (ook) de belastingdienst executoriaal beslag op de onroerende zaak, terwijl voorts conservatoir beslag is gelegd door een aannemer. Wegens achterstand in de rentebetalingen op schulden (waarvoor op de onroerende zaak ten gunste van de Rabobank een recht van hypotheek was gevestigd) zegt de Rabobank begin 1999 de financiering van eisers op; bij exploit van 21 april 1999 zegt de Rabobank gedaagde aan dat zij voornemens is tot executie over te gaan en daarvoor zonodig de executie van gedaagde overneemt.

2.8. Op 8 september 1999 maakt gedaagde een aantal afspraken met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Warijsse B.V. (hierna: Warijsse), waarin Warijsse als koper van de onroerende zaak (kort gezegd) toezegt de illegale situatie te zullen beëindigen en aan gedaagde (voorwaardelijk) een bedrag van fl. 30.000,-- beschikbaar zal stellen als compensatie voor de kosten die zij heeft gemaakt voor het voeren van diverse procedures ter beëindiging van de illegale situatie. Tevens wordt afgesproken dat de verbeurde dwangsommen door geen van beide partijen bij eisers zullen worden opgeëist.

2.9. Op 15 september 1999 verzoekt de Rabobank aan de president van deze rechtbank om toestemming te verlenen voor onderhandse executie van de onroerende zaak middels verkoop aan [A.J.B.K.] voor een koopsom van fl. 367.500,--. Gedaagde heeft bezwaar gemaakt, stellende dat bij gunning aan deze koper beëindiging van de illegale situatie bemoeilijkt wordt. Zij wijst erop dat zij daarover wel afspraken heeft met Warijsse, welke afspraken (waarin vervat kwijtschelding van de verbeurde dwangsommen) ook in het voordeel zijn van eisers. Bij beschikking van 14 oktober 1999 heeft de president de door de Rabobank gevraagde toestemming geweigerd en bepaald dat de onroerende zaak wordt verkocht aan Warijsse voor de koopsom van fl. 350.000,--. Op 9 december 1999 is de onroerende zaak aan Warijsse in eigendom overgedragen; op 7 juli 2000 is[J.H.] eigenaar geworden.

2.10. In maart 2000 zijn eisers verhuisd naar Frankrijk.

2.11. In november 2000 heeft gedaagde aan [J.H.] een bouwvergunning verleend. Bij brief van 29 juni 2005 heeft gedaagde [J.H.] in verband met handelen in strijd met art. 40 van de Woningwet aangeschreven. In strijd met de in 1999 gemaakte afspraken waren niet verwijderd de natte cel, de vaste trap, het toilet, het dakraam aan de voorzijde en “de verdiepingsvloer boven het woongedeelte”, terwijl waren aangebracht een plavuizen vloer, scheidingswanden op de zolderverdieping, een cv, een keukenblok en een plafond met spotjes. [J.H.] is een last onder dwangsom in het vooruitzicht gesteld. Vervolgens zijn er tussen gedaagde en [J.H.] gesprekken geweest, waarbij aan de orde is geweest herbestemming van de onroerende zaak met een kleinschalige kantoorfunctie, zulks in het kader van de nota “Nieuwe Economische Dragers”.

Het geschil

Eisers vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt primair om hen te betalen een bedrag van € 1.190.935,-- + p.m., subsidiair om schade te vergoeden, nog op te maken bij staat, alles voorwaardelijk met herroeping van de beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 1999 (rek.nr. 54/1999) en met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

3.2. Eisers stellen dat gedaagde jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Zij voeren daartoe bij repliek uiteindelijk zeven gronden aan:

a. gedaagde gedoogt en blijft gedogen, dan wel legaliseert andere illegale, met die van eisers vergelijkbare situaties (eisers noemen er een aantal en lichten die met foto’s toe) , terwijl dat bij eisers niet is gedaan terwijl het wel mogelijk was:

b. gedaagde heeft geweigerd de (voorgenomen) paardenhouderij van [eiser] aan te merken als agrarisch bedrijf, waardoor eisers op grond van het toen vigerende bestemmingsplan kon opteren voor een bedrijfswoning;

c. gedaagde heeft executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaak op naam van [eiser sub 1], terwijl [eiser] eigenares was; daardoor moest de executie door de Rabobank worden overgenomen (hetgeen gedaagde wist dan wel behoorde te weten);

d. gedaagde heeft vrijwillige verkoop van de onroerende zaak aan derden gefrustreerd en bij de bank op executie aangedrongen;

e. gedaagde heeft met oneigenlijke middelen jegens [eiser] gehandeld in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM;

f. gedaagde heeft [J.H.]/Warijse toegestaan de door eisers aangebrachte voorzieningen te herstellen waarmee deze werden gelegaliseerd, hetgeen aan eisers was geweigerd;

g. er was in 1998/1999 – naar thans blijkt – geen noodzaak om handhavend op te treden en de ontruiming op de voortvarende wijze waarop dat door gedaagde is gedaan te bewerkstelligen.

Door dit onrechtmatig handelen hebben eisers schade geleden, die zij onderverdelen in schade samenhangend met de betreffende onroerende zaak, inkomensschade en overige (im)materiële schade, in totaal € 1.190.935,-- + PM.

Eisers vorderen voorwaardelijk herroeping van de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 oktober 1999, nu deze beschikking op – door gedaagde – vals voorgehouden feiten is gebaseerd. Met name is ten onrechte aan de voorzieningenrechter voorgehouden dat [eiser] een dwangsom van fl. 100.000,-- had verbeurd; immers was haar nooit een dwangsom/dwangbevel bekend geworden. Bovendien is gebleken dat gedaagde jegens [J.H.]/Warijsse niet handhaafde en dat de gemeente [eiser] heeft belast met een bedrag van fl. 30.000,-- ter compensatie van gemaakte kosten (zonder betaling waarvan kwijtschelding van de dwangsom niet zou plaatsvinden). Met deze kennis zou de voorzieningenrechter anders hebben geoordeeld.

3.3. Gedaagde betwist dat zij onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld. Zij betwist voorts het causale verband tussen het haar verweten handelen en de door eisers gestelde schade en zij stelt dat de door gedaagde naar eisers stellen geschonden normen niet strekken tot bescherming tegen de door eisers thans gestelde schade. Gedaagde voert tenslotte verweer tegen de diverse door eisers opgevoerde schadeposten.

Ten aanzien van de gevorderde herroeping van de beschikking van 14 oktober 1999 stelt gedaagde primair dat eisers die vordering bij de voorzieningenrechter moeten indienen. Onduidelijk is aan welke voorwaarden eisers deze vordering hebben gebonden. Geen van de gronden, die art. 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voor een herroeping noemt, worden door eisers gesteld; zij doen zich ook niet voor. Overigens is de mogelijkheid herroeping te vorderen verjaard.

Op de verweren zal hierna voor zover nodig nader worden ingegaan.

De beoordeling

Eisers stellen dat gedaagde jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld; gedaagde betwist dat. De rechtbank zal de de in 3.2 weergegeven zeven, door eisers opgevoerde gronden voor hun stelling dat onrechtmatig is gehandeld bespreken.

4.2.1. Onder a. stellen eisers dat gedaagde in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelde, door ander illegale situaties te gedogen dan wel te legaliseren, terwijl zij dat voor de situatie van eisers niet heeft gedaan. Primair stelt gedaagde dat enige vordering op grond van ongelijke behandeling – die als zij zich voordeed, aanving met het onder 2.5 genoemde besluit van 19 september 1995 – is verjaard. Dit verweer wordt verworpen. Van ongelijke behandeling kan iemand pas kennis nemen wanneer hij niet alleen weet hoe hijzelf is behandeld, maar ook hoe situaties van anderen worden behandeld. Dat de handhaving jegens eisers in 1995 is ingezet betekent niet dat zij ook toen al wisten en ook behoorden te weten dat zij anders werden behandeld dan anderen. Gedaagde heeft over de tijdstippen waarop eisers van die andere situatie wisten of moesten weten, niets gesteld. Onder die omstandigheden moet aan het beroep op verjaring worden voorbijgegaan.

4.2.2. Waar eisers stellen dat gedaagde hun situatie had kunnen en dus had moeten legaliseren en alleen al omdat zij dat niet heeft gedaan onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, moet worden vastgesteld dat het bestuursrechtelijk handelen van gedaagde jegens eisers destijds meermalen door de bestuursrechter is getoetst en uiteindelijk in stand is gebleven. De rechtmatigheid van dat handhavend optreden op zich staat daarmee vast. Er was geen plicht voor gedaagde te legaliseren. Dat staat er evenwel niet aan in de weg dat gedaagde wel, door in gelijksoortige situaties heel anders te handelen, jegens eisers onrechtmatig kan hebben gehandeld. Of die situatie zich heeft voorgedaan zal de rechtbank thans bezien. Pas daarna komen – zo dat nog nodig is – aan de orde de door gedaagde opgeworpen vragen naar het causale verband tussen dat handelen van gedaagde en de door eisers gestelde schade en naar de relativiteit (als gedaagde een norm heeft overtreden, was dat dan een norm die beschermde tegen de schade die eiseres stellen te hebben geleden?).

4.2.3. Eisers noemen – bij repliek voor het eerst concreet – een aantal gevallen die vergelijkbaar zouden zijn en waarin gedaagde heeft gedoogd of gelegaliseerd. Gedaagde heeft daarop bij dupliek gereageerd; bij gelegenheid van de pleidooien hebben eisers slechts in beperkte mate hetgeen gedaagde hebben gesteld betwist.

4.2.4. Eisers stellen niets over wanneer de bedoelde gevallen zich voor het eerst voordeden. Wanneer de betreffende situaties zich zijn gaan voordoen nadat jegens eisers handhavend is opgetreden, geldt hetgeen hierna (onder 4.7) voor het handelen van gedaagde ten aanzien van [J.H.]/Warijsse zal worden overwogen.

4.2.5. Wordt er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de betreffende situaties zich al voordeden toen gedaagde jegens eisers wel handhavend optrad, dan geldt het volgende. Van drie van de acht door eiseres genoemde gevallen heeft gedaagde onbetwist gesteld dat (anders dan bij eisers) wel sprake was van een agrarisch bedrijf ([bedrijf]). Daarmee is sprake van een niet vergelijkbaar geval – de vraag of de paardenhouderij van eiseres terecht of ten onrechte niet als agrarische bedrijf is aangemerkt is een heel andere vraag, die hierna onder 4.3 aan de orde zal komen. In twee andere gevallen is – onbetwist – sprake van een heel andere bestemming dan in de situatie van eisers (woonbestemming bij [D.J.], een grondgebonden bedrijf met de mogelijkheid van een bedrijfswoning bij “[adres]”. Van twee situaties ([K] en “illegale woonsituatie aan de [adres]”) stelt gedaagde dat de door eisers gestelde situatie door haar niet is aangetroffen; daartegen hebben eisers niets meer ingebracht, zodat die stelling van gedaagde als juist moet worden aanvaard. Tenslotte is er nog één situatie, waarvan gedaagde stelt dat zij door tijdsverloop en bepalingen van overgangsrecht was genoodzaakt te gedogen. Dat ook bij eisers sprake was van dergelijke noodzaak tot gedogen is door hen nooit aangevoerd; al om die reden is de situatie niet vergelijkbaar.

4.2.6. De conclusie moet zijn dat steeds sprake was van niet vergelijkbare gevallen; dan kan niet worden gezegd dat gedaagde eisers in strijd met het gelijkheidsbeginsel anders heeft behandeld dan vergelijkbare gevallen, laat staan dat die “andere behandeling” zodanig was dat van onrechtmatig handelen jegens eisers moet worden gesproken.

4.3. Onder b. stellen eisers dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij had kunnen en moeten legaliseren, omdat het bedrijf van [eiser] een agrarisch bedrijf was en derhalve op grond het geldende bestemmingsplan een bedrijfswoning was toegestaan, en dat niet heeft gedaan. De beslissing van gedaagde om bedoeld bedrijf niet als een agrarisch bedrijf te zien is door haar genomen als bestuursorgaan. Over die beslissing heeft de bestuursrechter van deze rechtbank in een beschikking van 27 mei 1998 (gewezen in een geschil tussen eiseres en gedaagde) een oordeel gegeven. Het hoger beroep van eisers tegen die beschikking is niet ontvankelijk verklaard; het verzet tegen die niet-ontvankelijk verklaring is ongegrond verklaard. De bestuursrechter overwoog in de beslissing van 28 mei 1998 onder meer:

“Eisers stellen zich op het standpunt dat de paardenhouderij ten onrechte niet als een volwaardig agrarisch bedrijf is aangemerkt. (…).

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Eisers hebben ter ondersteuning van hun standpunt dat ten tijde van de ter visielegging van de facetherziening op 4 mei 1994 reeds sprake was van een agrarisch bedrijf, een tweetal rapporten overgelegd.

Het rapport van 3 mei 1996 van De Landbouw Voorlichting (DLV) betreft een bedrijfsplan. Gesteld wordt daarin dat de paardenhouderij, die de sinds 1977 in familiebezit is, sinds midden jaren tachtig in omvang kan worden gezien als een volwaardig bedrijf. Die stelling is in het rapport overigens niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat aan dit rapport hooguit de conclusie kan worden ontleend dat een bedrijfsmatige exploitatie van de paardenhouderij in deze omvang haalbaar is en niet dat daarvan thans daadwerkelijk sprake is, laat staan dat daarvan in mei 1994 reeds sprake was.

Het door eisers overgelegde accountantsrapport geeft evenmin steun aan eisers stellingen. Dit rapport, opgemaakt op 12 mei 1997, betreft het boekjaar 1994. In de daaraan voorafgaande jaren zijn geen jaarcijfers opgesteld omdat dit naar eisers zeggen niet nodig werd geoordeeld. Blijkens dit rapport is in 1994 een opbrengst gehaald van f 1.678 uit akkerbouw en van f 4.900 uit rundveehouderij/voedergewassen. Het resultaat was f 14.589 negatief. Omtrent de in het rapport van DLV genoemde commerciële activiteiten als het ter dekking stellen van hengsten, het fokken en verkopen van volbloeds en het africhten van paarden voor keuringen e.d. vermeldt het accountantsrapport geen gegevens. De rechtbank ziet in dit rapport alsmede in het ontbreken van jaarcijfers in de voorafgaande jaren eerder een bevestiging van verweerders opvatting dat eisers activiteiten niet als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt maar zich in de hobbysfeer afspelen.

Gezien het voorgaande hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk weten maken dat ten tijde hier van belang reeds een agrarisch bedrijf ter plaatse werd geëxploiteerd.”

Aldus is het beleid van gedaagde op het hier aan de orde zijnde punt – bij onherroepelijke beslissing – bestuursrechtelijk getoetst en in stand gebleven. In dat licht dienen aan de motivering van de stelling van eisers dat dat beleid desalniettemin jegens hen onrechtmatig is geweest zware eisen te worden gesteld. Evenwel hebben eisers hun stelling slechts onderbouwd met overlegging van het al door de bestuursrechter genoemde bedrijfsplan, voorts landbouwtellingsgegevens over de jaren 1996-1999 (terwijl, gelet op inhoud en totstandkoming van het betreffende bestemmingsplan, gekeken moet worden naar de situatie per 4 mei 1994) en artikelen waarin opvattingen worden weergegeven over wat onder het bedrijfsmatig houden van paarden moet worden verstaan. Daarmee hebben eiseres hun stellingen volstrekt onvoldoende gemotiveerd. Het handelen van gedaagde wordt niet als onrechtmatig beschouwd.

4.4. Onder c. stellen eisers dat gedaagde ten onrechte op naam van [eiser sub 1] beslag op de onroerende zaak heeft gelegd en dat dat, alsmede de gevolgen van het beslag (namelijk de overname van de executie door de Rabobank) onrechtmatig is geweest. Juist is dat op naam van [eiser sub 1] op de onroerende zaak beslag is gelegd, terwijl die zaak in eigendom toebehoorde aan [eiser]. Had de gemeente juist gehandeld – en ten name van [eiser] beslag gelegd, hetgeen mogelijk was geweest omdat de last onder dwangsom (ook) aan haar was opgelegd) – dan was het vervolg niet anders geweest dan nu is geweest. Er waren immers naast gedaagde nog (minstens) drie andere schuldeisers, waaronder de Rabobank, en ook dan was door de bank (gelet op de al van eind 1998 daterende behoorlijke achterstand van eisers in de nakoming van hun hypothecaire verplichtingen) de executie overgenomen (waartoe zij op grond van art. 509 Rv het recht heeft) en was een nieuwe financiering niet mogelijk geweest en was tot verkoop overgegaan. De suggestie van eisers dat er een direct verband is tussen de onjuiste tenaamstelling en de overname van de executie door de Rabobank kan de rechtbank zonder nadere toelichting, die door eisers niet is gegeven, niet volgen. Gedaagde heeft dus weliswaar onjuist (en mogelijk ook onrechtmatig) gehandeld, doch de daarbij overtreden norm – namelijk dat beslag wordt gelegd op de juiste naam – strekt niet tot bescherming van eisers tegen de schade die zij thans stellen te hebben geleden (nu zij die ook zouden hebben geleden als gedaagde juist had gehandeld).

4.5. De onder d. genoemde grond betreft de stelling van eisers dat gedaagde de vrijwillige verkoop van de onroerende zaak heeft gefrustreerd. Als dit onrechtmatig handelen wordt vastgesteld, dan zal uitsluitend de gestelde schade, die direct samenhangt met de uiteindelijk door de Rabobank doorgezette onderhandse verkoop van de onroerende zaak (kort gezegd de in de dagvaarding onder A gestelde schade van maximaal € 235.875,-- in totaal) met dit handelen in causaal verband kunnen staan. Vraag is evenwel eerst of genoemd handelen heeft plaatsgevonden en zo ja, of het onrechtmatig was. Vast staat dat nadat gedaagde op 18 maart 1999 beslag had gelegd, op 21 april 1999 de Rabobank heeft aangezegd op grond van haar hypotheekrecht te zullen gaan executeren. Op 9 april 1999 had gedaagde aan ZLTO (die in opdracht van eisers bij verkoop van de onroerende zaak zou bemiddelen) bericht dat een eventuele verkoop met voortvarendheid diende te worden ter hand genomen. Ook de Rabobank heeft (bij brief van 20 mei 1999) bewilligd in het zoeken naar onderhandse kopers. Eisers spreken over vijf serieuze gegadigden. Zij lichten dat niet verder toe. Terecht heeft gedaagde van eventuele kopers van de onroerende zaak gevraagd dat zij zich zouden onthouden het inrichten van de veldschuur als een woning. Voor zover eisers menen dat gedaagde door die eisen aan potentiële kopers te stellen onrechtmatig handelde, volgt de rechtbank hen niet. Vervolgens is in september 1999 (door de Rabobank) de president van deze rechtbank om toestemming voor onderhandse executie verzocht. Nu het doel van een beslag is tot executie te komen – en door eisers niet is betwist dat gedaagde (zij het op een onjuiste naam) op zich terecht beslag heeft gelegd, valt – mede gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken – niet in te zien op welke wijze gedaagde een onderhandse verkoop heeft gefrustre erd. Van onrechtmatigheid als hier gesteld is dan ook geen sprake geweest.

4.6. Tenslotte stellen eisers onder e. dat gedaagde jegens [eiser] heeft gehandeld in strijd met art. 1 van het Eerste Protocol van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Begrijpt de rechtbank eisers goed, dan leggen zij aan deze stelling ten grondslag de (onder g. genoemde) stelling dat gedaagde geen zwaarwegend belang had om handhavend jegens eisers op te treden, een dwangsom op te leggen en die door middel van beslag te executeren, welk beslag ook nog eens (de onder c. weergegeven stelling) is gelegd op een goed van [eiser] op naam van [eiser sub 1]. Voormeld artikel uit het Eerste Protocol beschermt het recht op ongestoord genot van eigendom; met die bepaling – zo zegt het artikel zelf – wordt op geen enkele wijze het recht aangetast dat een staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk acht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met (onder meer) het algemeen belang. Gelet op hetgeen onder 4.5 en 4.8 over de door eisers onder c. en g . opgeworpen gronden voor onrechtmatig handelen van gedaagde is overwogen, zijn de bezwaren van eisers onjuist, en heeft gedaagde op rechtmatige wijze het recht van eigendom van [eiser] beperkt. Nu eisers voor het beroep van eisers op voormeld verdragsartikel geen andere gronden aanvoeren, heeft dat beroep geen zelfstandige betekenis. De rechtbank gaat er dan ook aan voorbij.

4.7. Onder f. stellen eisers – kort gezegd – dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door aan [J.H.]/Warijsse thans toe te laten wat zij destijds aan hen, eisers, verbood.

De rechtbank stelt vast dat het handhavend optreden jegens eisers de diverse toetsen van bestuursrechters heeft doorstaan, en – mede gelet op het hiervoor onder 4.2 overwogene – (in beginsel) jegens eisers als rechtmatig moet worden beschouwd. De stelling van eisers onder f. is niet, dat onrechtmatig is gehandeld omdat destijds in strijd met enige regel is gehandeld; de stelling is dat onrechtmatig is gehandeld omdat later, jegens een derde ([J.H.]/Warijsse), anders is gehandeld. Eisers stellen vervolgens recht te hebben op vergoeding van de schade, geleden ten gevolge van dat aanvankelijk – rechtmatige – handelen. Die redenering kan de rechtbank niet volgen. Immers geldt het volgende. Als van de juistheid van de stellingen van eisers wordt uitgegaan (en kan worden vastgesteld dat gedaagde thans jegens [J.H.]/Warijsse niet handhaaft) dan kan dat onrechtmatig jegens eisers zijn. Evenwel is onjuist dat daarmee het destijds handhaven jegens eisers (ook) onrechtmatig wordt. Immers, door het enkele feit dat gedaagde later jegens een ander niet handhaaft, wordt het eerdere wel handhaven niet onrechtmatig. Alleen het latere niet-handhaven is (mogelijk) onrechtmatig, en als dat zo is, dan is gedaagde gehouden de schade, die eisers tengevolge van dàt onrechtmatige handelen hebben geleden, te vergoeden. De schade die eisers vorderen is evenwel geen schade ten gevolge dat onrechtmatige handelen; de schade die zij stellen betreft schade, die het gevolg is van het handhaven jegens hen, derhalve gevolg van rechtmatig handelen. Aldus moet worden vastgesteld dat de gestelde schade niet in causaal verband staat met het gestelde onrechtmatig handelen; onder die omstandigheden is nader onderzoek naar dat gestelde onrechtmatig handelen niet nodig, maar kan zonder dat onderzoek aan de stellingen van eisers op dit punt worden voorbijgegaan.

4.8. Onder g. wordt door eisers aangevoerd dat er in 1998/1999 – naar thans blijkt – voor gedaagde geen noodzaak bestond om handhavend op te treden en op de voortvarende wijze waarop zij dat deed de ontruiming te bewerkstelligen. Begrijpt de rechtbank het goed, dan verwijzen eisers naar de omstandigheid dat gedaagde jegens [J.H.]/Warijsse niet handhavend optreedt, en om die reden destijds ook jegens hen dat niet, althans niet zo voortvarend, hadden behoeven te doen. Ook hier geldt dat het handhavend optreden van gedaagde de toets van het bestuursrecht heeft doorstaan. Zoals al onder 4.7 overwogen brengt het feit dat gedaagde jegens [J.H.]/Warijsse op een later tijdstip anders heeft gehandeld dan jegens eisers niet met zich dat het handelen jegens eisers daardoor onjuist is geworden. Voorts geldt dat gedaagde een zekere vrijheid heeft in de wijze waarop zij handhaaft. Een verdere toetsing van het handelen van gedaagde (of zij minder voortvarend had kunnen optreden, of er zwaarwegende belangen waren zo te handelen, etc.) door de civiele rechter stuit daarop af.

4.9. De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat de door eisers gestelde gronden niet leiden tot het oordeel dat gedaagde jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Aan hetgeen eisers voorts nog hebben aangevoerd gaat de rechtbank voorbij, nu daaruit niet duidelijk valt af te leiden wat gedaagde precies – in het licht van de gestelde schade – aan relevant onrechtmatig handelen wordt verweten.

4.10. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de gestelde schadeposten. De vordering tot vergoeding van schade wordt afgewezen.

4.11. Eisers hebben voorwaardelijk nog gevorderd dat de rechtbank zal herroepen de onder 2.9 genoemde, door de president van deze rechtbank op 14 oktober 1999 gegeven beschikking. Deze, bij repliek voor het eerst – bij wijze van vermeerdering van eis – ingestelde vordering is door eisers “zonodig” gedaan. Nadere toelichting op dat “zonodig” is niet gegeven, evenmin is aangegeven onder welke voorwaarden de (door eisers zelf “voorwaardelijk” genoemde) vordering is gedaan. Gelet op art. VII, lid 3 van de Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Wet van 14 december 2001, Stb. 623, in werking getreden op 1 januari 2002), staat voor een vóór inwerkintreding van die wet gewezen beschikking het thans geregelde rechtsmiddel van herroeping open. Evenwel dient herroeping te worden verzocht bij verzoekschrift, bij de rechter die de betreffende beschikking heeft gewezen binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden (art. 391 in verband met de artt, 864 en 383 Rv). Aan al deze eisen is niet voldaan: de herroeping wordt gevorderd, bij de rechtbank, sector civiel in plaats van bij de president (thans voorzieningenrechter), en is te laat ingediend. Immers, de grond voor de gevorderde herroeping is gelegen in feiten en omstandigheden, die zich in elk geval hebben voorgedaan en bij eisers bekend waren voordat zij de dagvaarding aan gedaagde deden betekenen (in die dagvaarding worden zij namelijk genoemd), terwijl de vordering tot herroeping eerst bij repliek – vijf en een halve maand later – is gedaan. Eisers worden in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.

4.12. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De rechtbank

verklaart eisers niet ontvankelijk in hun (voorwaardelijke) vordering tot herroeping van de beschikking van 14 oktober 1999, gewezen door de president van deze rechtbank;

wijst de vorderingen voor het overige af;

veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 4.670,-- aan griffierecht, nihil aan overige verschotten en € 14.449,50 aan salaris procureur, welke kosten worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk, mr. M.C. de Regt en mr. M.P. Meeuwisse en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2008.