Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BC5989

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
07/887
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4986, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dienstongeval art. 54 Barp. besluit: geen belang, eiseres heeft geen kosten van geneeskundige behandeling of verzorging gemaakt en heeft niet aannemelijk gemaakt dat die in de toekomst wel te verwachten zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/887

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. N.D. Dane, advocaat bij de Nederlandse Politiebond te Woerden,

tegen

de Korpsbeheerder van de Politie Zeeland,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat het ongeval, dat haar op 12 februari 2007 is overkomen geen dienstongeval is in de zin van artikel 1, eerste lid, sub z van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en dat derhalve artikel 54 van het Barp niet van toepassing is.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 13 februari 2008 behandeld ter zitting. Eiseres is daar niet verschenen, maar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. P.D. Spies.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z van het Barp wordt onder dienstongeval verstaan: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

Artikel 54 van het Barp bepaalt:

1. In geval van dienstongeval of beroepsziekte worden aan de desbetreffende ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot het eerste lid.

2. Eiseres is werkzaam als medewerkster wijksecretariaat op het politiebureau te Heinkenszand. Op 12 februari 2007 is zij bij binnenkomst in dit bureau in een openstaand luik gestapt.

3. Verweerder heeft geweigerd dit ongeval aan te merken als een dienstongeval in de zin van het Barp en heeft als gevolg daarvan artikel 54 van het Barp buiten toepassing verklaard. In beroep heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseres geen belang heeft bij onderhavige procedure.

4. Eiseres meent dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er geen sprake is van een dienstongeval. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wel belang heeft bij onderhavige procedure heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 december 2004 (LJN: AR7794).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank leidt uit voormelde uitspraak af dat de CRvB daarin heeft beoordeeld of er sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan wel een enkele verklaring voor recht werd gevraagd dat het daar aan de orde zijnde incident, los van enig rechtspositioneel voorschrift, als dienstongeval moest worden aangemerkt. De CRvB oordeelde dat er in dat geval sprake was van een besluit (en niet van een enkele verklaring voor recht), aangezien verweerder naar aanleiding van een omtrent dat incident ingevuld registratieformulier had beslist dat artikel 54 van het Barp niet van toepassing was. De rechtbank leidt voorts uit deze uitspraak af dat voor dit oordeel – dat er sprake is van een besluit - de omstandigheid dat betrokkene op dat moment (nog) niet concreet aanspraak maakte op een vergoeding, doch eerst om vergoeding wilde vragen indien het incident in de toekomst (opnieuw) tot schade zou blijken te leiden, niet relevant was.

7. De rechtbank komt op grond van deze uitspraak tot de conclusie dat in casu sprake is van een besluit. Dit laat echter onverlet de vraag of eiseres belang heeft bij de beoordeling van dat besluit in deze procedure. Naar het oordeel van de rechtbank kan voormelde uitspraak van de CRvB niet dienen ter beantwoording van die vraag. Het oordeel van de CRvB in die uitspraak, dat het niet relevant is dat (nog) niet concreet aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding, dient te worden gezien in het licht van de vraag die daar voorlag, namelijk of van een besluit sprake was. De vraag of eiseres belang heeft bij onderhavige procedure beantwoordt de rechtbank ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

8. Op het ongevalsregistratieformulier heeft eiseres aangegeven door het ongeval op 12 februari 2007 schaafwonden, kneuzingen en blauwe plekken te hebben opgelopen. Blijkens dit formulier is aan eiseres in verband met dit ongeval geen geneeskundige hulp verleend en is er verder geen materiële schade ontstaan. Ook op het aangifteformulier (dienst)ongevallenverzekering van 15 maart 2007 geeft eiseres aan niet een arts te hebben gezien in verband met het ongeval en ook geen behandeling te hebben ondergaan.

9. Artikel 54 van het Barp beoogt bij (onder meer) een dienstongeval de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging te vergoeden.

Nu eiseres geen kosten van geneeskundige behandeling of verzorging heeft gemaakt, zo leidt de rechtbank uit voormelde formulieren af, en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten in de toekomst te verwachten zijn, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belang heeft bij onderhavige procedure.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op

door mr. W.M.P. van Alphen, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: