Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BC3524

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
08/70 VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

WWB. Aanvraag bijstand. Inlichtingenplicht. Onderzoek. Huisbezoek. Informed consent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/70 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster,

gemachtigde mr. H. Klein Hesselink, advocaat te [T],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

gevestigd te Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2007 heeft verweerder een aanvraag van verzoekster van 31 oktober 2007 om bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb), afgewezen.

Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 25 januari 2008 behandeld ter zitting. Verzoekster is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens [M] aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. G.A.A.M de Kort.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Volgens artikel 11, eerste lid, van de Wwb heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de Wwb bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

Ingevolge het tweede lid - voor zover van belang - is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende de inlichtingenplicht niet of in onvoldoende mate nakomt en geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid dit verzuim te herstellen, is dit een rechtsgrond voor weigering van bijstand in het geval dat door de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat na onderzoek is gebleken dat verzoekster niet verblijft op het door haar opgegeven woonadres [adres] te [A], maar dat zij samenwoont [M] op het adres [straat X] te Terneuzen. Het standpunt van verweerder is gebaseerd op bevindingen bij huisbezoeken die op genoemde adressen hebben plaatsgevonden. Voorts is door verweerder verwezen naar een door [M] op 26 juli 2005 afgelegde verklaring. Verzoekster heeft de samenwoning niet vermeld op het aanvraagformulier en heeft in die zin niet voldaan aan de inlichtingenplicht. Zij heeft informatie verzwegen die noodzakelijk is voor het bepalen van de woonsituatie en dus voor de bijstandverlening.

3. Verzoekster betwist dat zij samenwoont met [M] in de zin dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Zij is ex-asielzoekster en beschikt sinds juni 2007 over een verblijfsvergunning. Nadat de opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers was beëindigd, heeft zij regelmatig bij [M] verbleven, maar zij heeft geen relatie met hem. Zij heeft een woning in [A] (gemeente Terneuzen) gehuurd. Bij gebrek aan middelen heeft zij die woning niet kunnen inrichten en heeft zij tijdelijk de nodige spullen in het huis van [M] ondergebracht. Verzoekster stelt dat zij ten gevolge van de afwijzing van haar bijstands aanvraag haar huur niet kan betalen en niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Verzoekster betwist dat het door de sociale recherche bij [M] op 4 december 2007 afgelegde huisbezoek rechtmatig was. Dit huisbezoek vormde een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 van het EVRM. De uitkomst van het huisbezoek mocht daarom niet als bewijsmateriaal dienen.

De voorzieningenrechter gaat van het volgende uit.

4. Verzoekster heeft langdurig in een asielzoekerscentrum verbleven. Gedurende die periode had zij contact met [M]. In het kader van de zogeheten pardonregeling heeft verzoekster per 15 juni 2007 een verblijfsvergunning gekregen. Vervolgens is haar een woning toegewezen op het adres Bernard Zweerslaan 54 in Terneuzen en op 21 augustus 2007 heeft zij een aanvraag voor bijstand ingediend naar de norm van een alleenstaande. Mede op basis van bevindingen tijdens een huisbezoek bij [M] is deze aanvraag bij besluit van 24 augustus 2007 afgewezen. Volgens verweerder voerde verzoekster met [M] een gezamenlijke huishouding op het adres [straat X] te Terneuzen. Verzoekster heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Uit een rapportage van 10 december 2007 van verweerder is op te maken dat verzoekster na de afwijzing is terug gegaan naar een asielzoekerscentrum in Middelburg.

5. Op 5 november 2007 heeft verzoekster nogmaals een aanvraag om bijstand ingediend. De aanvraag vermeldt als adres [adres] te [A]. Deze woning is verzoekster met ingang van 9 november 2007 toegewezen en sinds die datum staat verzoekster op dit adres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven.

6. In vervolg op de aanvraag heeft op 23 november 2007 een onderhoud met verzoekster plaatsgevonden. In dat kader is bij wijze van voorschot € 100,-- verstrekt. Er is een vervolgafspraak gemaakt voor 4 december 2007 om 14.00 uur. De sociale recherche is op 3 december 2007 bij de woning [adres] te [A] geweest. Er werd op aanbellen niet gereageerd. Volgens de rapportage van 6 december 2007 van de sociale recherche is via de voordeur in de hal en de keuken gekeken maar was er niets te zien. Het verslag vermeldt voorts onder andere dat een buurtbewoonster heeft meegedeeld dat er op het adres niemand woonde.

7. Op 4 december 2007 heeft de sociale recherche om 11.45 uur een huisbezoek gebracht bij [M] op het adres [straat X] te Terneuzen. Verzoekster was tijdens het huisbezoek in de woning aanwezig. Het verslag van de rapporteur vermeldt onder andere dat het tweepersoonsbed dubbel beslapen was en dat er meerdere damesschoenen stonden. Op de toilettafel stonden toiletspullen voor een vrouw.

8. Verzoekster heeft op 4 december 2007 om 14.00 uur met hulp van een tolk in de Franse taal met een consulent van verweerder gesproken. De inhoud van dit gesprek is in het verslag van de rapporteur weergegeven met de vermelding dat verzoekster officieel niet wil samenwonen met [M].

9. [M] heeft volgens een proces-verbaal van 26 juli 2005 van de sociale recherche onder andere verklaard dat verzoekster zijn vriendin is en dat zij het liefst officieel samen willen wonen.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

10. Verweerder baseert zijn conclusie dat verzoekster een gezamenlijke huishouding met [M] voert, op de bevindingen van het bezoek aan [adres] in [A] en het huisbezoek van 4 december 2007 bij [M]. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN: BA2410) volgt dat bij het inzetten van een middel als het afleggen van een huisbezoek acht moet worden geslagen op de waarborgen van artikel 8 van het EVRM. De Centrale Raad van Beroep overweegt voorts onder meer het volgende. Een bestuursorgaan heeft een groot belang bij een effectieve controle op de rechtmatigheid van de te verlenen bijstand. Daarmee wordt immers enerzijds beoogd de doelstelling van de Wwb zo mogelijk te realiseren en anderzijds misbruik van bijstand zoveel mogelijk te voorkomen en te bestrijden. Doorgaans kan in dat verband worden volstaan met andere middelen dan huisbezoek zoals administratief onderzoek, koppeling/uitwisseling van gegevensbestanden, omgevingsonderzoek, observaties en horen van belanghebbenden en derden. Onder omstandigheden kan ook een huisbezoek een noodzakelijk en adequaat (aanvullend) controlemiddel zijn. Hierbij dient onder meer te worden beoordeeld of er een redelijke grond is voor het afleggen van een huisbezoek en zo ja, of dat huisbezoek proportioneel is. Van een inbreuk op het huisrecht is geen sprake als de rechthebbende toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. Voorwaarde is dat de toestemming op basis van vrijwilligheid moet zijn verleend waarbij heeft te gelden dat sprake moet zijn van zogeheten ‘informed consent’, inhoudende dat de toestemming gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek.

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij het adres [adres] geen sprake is geweest van een huisbezoek aangezien de sociale recherche niet in de woning is geweest. Het huisbezoek op het adres [straat X] is aan te merken als een huisbezoek bij een derde, dat wil zeggen: een niet bij de aanvraag betrokkene. Voorts staat vast dat het bezoek aan [adres] en het huisbezoek van [straat X] voorafgaand aan het vervolggesprek van 4 december 2007 om 14.00 uur hebben plaatsgevonden.

12. Hoewel zonder meer voorstelbaar is dat verweerder in de behandeling van de aanvraag van 21 augustus 2007 en de verklaring van 26 juli 2005 van [M] aanleiding ziet om nader onderzoek te doen naar de feitelijke woon- en verblijfplaats van verzoekster, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder heeft bezien of gebruik kon worden gemaakt van voor verzoekster minder ingrijpende onderzoeksmiddelen dan een huisbezoek. Deze onderzoeksmiddelen hadden kunnen bestaan uit het horen van verzoekster en, zonodig, het horen van [M]. Voor zover deze gesprekken daartoe aanleiding hadden gegeven, had een afweging kunnen worden gemaakt of een huisbezoek moest worden afgelegd. In dat geval had in de rede gelegen dat in eerste instantie was besloten tot een huisbezoek op het adres [adres] in [A], zijnde het opgegeven woonadres van verzoekster.

13. Gelet op het voorgaande bestond er op 4 december 2007 geen redelijke grond voor een huisbezoek op het adres [straat X] te Terneuzen. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is geweest van het vereiste ‘informed consent’. In dit verband komt betekenis toe aan de ter zitting door [M] afgelegde verklaring dat door de man van de gemeente een legitimatiepas is getoond en dat is gezegd dat hij van de gemeente was en voor controle kwam. Het rapport van 6 december 2007 van de sociale recherche waarin verslag is gedaan van het huisbezoek, vermeldt dat na aanbellen en het tonen van legitimatie de woning mocht worden betreden. Vervolgens is vermeld dat het doel van de komst is meegedeeld. Deze schriftelijke vastlegging is in het licht van de door [M] afgelegde verklaring onvoldoende om vast te kunnen stellen dat aan het vereiste van ‘informed consent’ in de hiervoor genoemde zin is voldaan. Daarbij speelt een rol dat de voorzieningenrechter ter zitting tijdens het horen van [M] heeft vastgesteld dat [M] de Nederlandse taal slechts beperkt beheerst.

14. Het voorgaande betekent dat bij [M] sprake is geweest van een inbreuk op zijn huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Gelet op het voorgaande luidt het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de tijdens het huisbezoek bij [M] aan het licht gekomen gegevens moeten worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs, zodat deze gegevens buiten beschouwing moeten worden gelaten.

15. Overig bewijs, op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat verzoekster haar inlichtingenplicht heeft geschonden, ontbreekt. Immers in de stukken is geen schriftelijke en door verzoekster ondertekende weergave opgenomen van het gesprek dat op 4 december 2007 via een tolk in de Franse taal met verzoekster is gevoerd. Aan de verklaring van 26 juli 2005 van [M] komt, in relatie tot de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag van november 2007, geen doorslaggevende betekenis toe. In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat het in de aanvraag vermelde woonadres overeenkomt met de in de Gemeentelijke basis administratie opgenomen gegevens van verzoekster. Dit betekent dat het besluit van 10 december 2007 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op een juiste feitelijke grondslag berust.

16. In het licht van het voorgaande heeft de voorzieningenrechter de verwachting dat het bestreden besluit bij de heroverweging op het bezwaar geen stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

17. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

schorst het besluit van 10 december 2007 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

treft de voorlopige voorziening dat aan verzoekster voorschotten worden verstrekt als had zij recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 11 januari 2008 tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van

€ 39,-- (negenendertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 644,-- (zeshonderdenvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Terneuzen aan de griffier.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2008 door mr. G.H. Nomes als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, als griffier.