Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BJ4484

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
53517 / HA ZA 2006-345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[eiser], destijds 17 jaar oud, is op 28 augustus 1997 betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij als bromfietser ten val is gekomen en werd overreden door een maaimachine met de messen in werking. Als gevolg van dit ongeval heeft [eiser] letsel opgelopen, dat uiteindelijk resulteerde in een subtotale amputatie van de linkeronderarm. Hij draagt een prothese.

Geschil over schadeposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

53517 / HA ZA 06-3452 mei 2007

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 53517 / HA ZA 06-345

Vonnis van 2 mei 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

procureur mr. M.R. Minekus,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERINGMIJ ZLM U.A.,

gevestigd te Goes,

gedaagde,

procureur mr. J.C. van den Dries.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 27 september 2006

het proces-verbaal van comparitie van 21 december 2006.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser], destijds 17 jaar oud, is op 28 augustus 1997 betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij als bromfietser ten val is gekomen en werd overreden door een maaimachine met de messen in werking. Als gevolg van dit ongeval heeft [eiser] letsel opgelopen, dat uiteindelijk resulteerde in een subtotale amputatie van de linkeronderarm. Hij draagt een prothese.

2.2. ZLM heeft in haar hoedanigheid van verzekeraar van het schadetoebrengende motorvoertuig (civielrechtelijke) aansprakelijkheid voor het ongeval aanvaard.

2.3. Ten tijde van het ongeval volgde [eiser] het eerste jaar van de driejarige opleiding commercieel medewerker bank en verzekeringen (MBO-niveau). Die opleiding heeft hij in 1999 afgerond. Na een werkstage in de zomer van 1999 is [eiser] een HBO-opleiding gaan volgen aan de Hogeschool Zeeland. Na afronding van die studie heeft hij een studie gevolgd aan de (economische faculteit van de) Katholieke Universiteit Brabant, studierichting Services & Retailmarketing. In 2006 studeerde hij daar af. Met ingang van 1 juni 2006 is [eiser] – op basis van een tijdelijk arbeidscontract – werkzaam bij [werkgever] B.V., momenteel in een functie op HBO-niveau.

Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank ZLM veroordeelt om aan hem te betalen een bedrag van € 270.696,31, te vermeerderen met wettelijke rente sedert datum ongeval (28 augustus 1997) althans sedert de data van het ontstaan van de onderscheiden schades althans sedert de datum dagvaarding (15 juni 2006) tot aan de dag der algehele voldoening, bij wijze van voorschot op de geleden en nog te lijden schade.

Aldus vordert [eiser] – zonder daarmee een algehele en definitieve regeling te beogen; hij wil in de toekomst aanspraak kunnen maken op vergoeding van thans nog niet goed overzienbare schade – vergoeding van de navolgende, ongevalsgerelateerde, schade:

a. (restant) reeds verschenen materiële schade € 13.086,71

b. reiskosten € 94,--

c. eigen bijdrage zorgverzekeraar 20903 € 45,83

d. aangepaste kleding € 3.593,84

e. diversen € 50,--

f. huishoudelijke hulpbehoefte € 52.263,82

g. schade voortvloeiend uit verlies aan verdienvermogen € 79.467,98

h. schade gelegen in een verlies aan zelfwerkzaamheid € 65.783,45

i. ziektekosten (verzekeringspremies) € 10.302,73

k. hulpmiddelen € 49.490,27

l. vergoeding van immateriële schade € 35.000,--

m. restant buitengerechtelijke kosten € 6.482,45

[eiser] stelt dat hij tot heden aan voorschotten heeft ontvangen € 58.441,77, waarmee (onder meer) schadepost l volledig is uitgekeerd en € 13.750,-- aan buitengerechtelijke kosten is vergoed (post m betreft meerkosten).

[eiser] heeft deze schadeposten toegelicht. Ten aanzien van post g heeft hij het navolgende gesteld: de feitelijke situatie dient te worden vergeleken met de fictieve situatie zonder ongeval en de redelijke verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen in die situatie. Zonder ongeval zou [eiser] hoogstwaarschijnlijk na afronding van zijn MBO-opleiding bij een bank of verzekeraar zijn gaan werken. Feitelijk heeft hij doorgestudeerd; de keuze daartoe is (mede) door het ongeval bepaald. Hij wilde zijn economische kwetsbaarheid – ontstaan door zijn handicap – zoveel mogelijk beperken; door verder te studeren wilde hij de kans op een betaalde baan vergroten. Die keuze (ook al was deze voor ZLM duurder dan de keuze om direct te gaan werken) mocht [eiser] maken. Er is voorts geen sprake van een causaal verband tussen een mogelijk door [eiser] door zijn studie te verkrijgen voordeel (een hoger inkomen dan wanneer hij niet had gestudeerd), omdat als er al sprake zal zijn van een verhoogde verdiencapaciteit deze vooral het gevolg zal zijn van de eigen studie-inspanningen van [eiser], in combinatie met zijn doorzettingsvermogen. Overigens is het niet zonder meer zeker dat [eiser] door zijn studie daadwerkelijk een hoger inkomen zal genieten dan hij zonder het ongeval zou hebben gedaan. Ook is niet zeker wanneer dit voordeel zich (eventueel) zal voordoen en hoe groot het dan is. Dat mag niet in het nadeel van [eiser] worden uitgelegd.

[eiser] berekent zijn verlies aan verdienvermogen door de uit te gaan van het salaris dat hij zou hebben ontvangen als hij direct na zijn MBO-opleiding (hij neemt 1 november 1999 als aanvangsdatum) zou zijn gaan werken. Rekening houden met een zekere doorgroei, met de indexering, met vakantiegeld en emolumenten, een en ander netto-gemaakt en na aftrek van de door [eiser] ontvangen studiefinanciering tot september 2003, begroot [eiser] zijn schade op dit punt tot januari 2006 op voornoemd bedrag.

3.2. ZLM voert verweer. Zij stelt dat over de schadeposten a, b, c, e en l geen verschil van mening is. Die posten zijn door haar volledig (derhalve tot een bedrag van 53.276,54) aan [eiser] vergoed; daarnaast is nog € 2.079,07 betaald. Voorts is aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 15.893,88 vergoed.

ZLM betwist post g in haar geheel. Nadat [eiser] (zonder vertraging) in 1999 zijn MBO-opleiding had afgemaakt, heeft hij, op aanbod van ZLM, arbeidsdeskundige begeleiding ontvangen. [eiser] had zich op dat moment al voor een HBO-opleiding ingeschreven. In het kader van de begeleiding is een stage in de lijn van de MBO-opleiding aangeboden. Die stage werd door de betreffende werkgever als positief ervaren. [eiser] heeft vervolgens zelf gekozen om door te studeren. De handicap (prothese) speelde daarbij geen rol. ZLM stelt dan ook primair dat er causaal verband is tussen het ongeval en de keuze om verder te studeren. Subsidiair stelt ZLM dat de keuze van [eiser] weliswaar met zich bracht dat hij gedurende een aantal jaren een betrekkelijk laag (studenten-)inkomen heeft genoten, maar dat hij na afronding van zijn studie tot aan zijn pensionering zich een hoger inkomen dan zonder die studie zal kunnen verwerven (zeker nu er een tekort is op de arbeidsmarkt aan hoger opgeleiden). Zijn ongevalsgerela-teerde handicap zal hem daarin niet belemmeren. Aldus valt [eiser] ook een voordeel toe, dat in mindering moet worden gebracht op de schade; alsdan moet worden vastgesteld dat er op het punt van verdienvermogen geen schade is geleden. ZLM betwist tenslotte de berekeningswijze van deze schade; zij mist gegevens over kennelijk tijdens de studie verworven inkomsten uit arbeid.

Voorts betwist ZLM de omvang van de posten d (zij is bereid eenmalig een bedrag groot € 2.000,-- te vergoeden), f (zij is bereid tot een eenmalige vergoeding van € 26.000,--), h (zij is bereid een bedrag van € 20.000,-- te vergoeden), i (ZLM acht deze niet voldoende onderbouwd), k (deze post wordt door ZLM in haar geheel betwist), l (met haar bevoorschotting meent zij een redelijke vergoeding te hebben betaald) en k (ZLM betwist ten aanzien van de reeds verschenen schade in verzuim te zijn en derhalve rente verschuldigd te zijn).

De beoordeling

Ter comparitie is overeengekomen dat de rechtbank eerst bij vonnis een oordeel zal geven over schadepost g, het verlies aan verdienvermogen. Partijen zullen daarna – mede aan de hand van door [eiser] nog in te brengen stukken – met elkaar in overleg treden over de overige schadeposten. Indien zij niet tot overeenstemming komen, zal de rechtbank – zo partijen daarom vragen: na een schriftelijke ronde waarin partijen hun standpunt nader kunnen toelichten – ook over de overige schadeposten oordelen.

4.2. [eiser] stelt dat hij schade heeft geleden – geen verdienvermogen had – doordat hij na afronding van zijn MBO-opleiding niet is gaan werken (en dus: verdienen), maar is gaan doorstuderen. ZLM betwist primair het causale verband tussen de keuze te gaan studeren en het ongeval en stelt subsidiair dat er geen schade is.

4.3.1. Ten aanzien van de vraag of er tussen het ongeval (en de als gevolg daarvan voor [eiser] ontstane handicap) en de keuze om te gaan studeren een causaal verband is, is het navolgende van belang. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij op het moment dat het ongeval plaatsvond in het eerste leerjaar zat van de MBO-opleiding en nog geen beeld had van wat hij na die opleiding zou gaan doen: gaan werken of gaan studeren. Dat het voor de hand had gelegen dat hij zou gaan werken, licht hij toe met de stelling dat driekwart van zijn medestudenten op het MBO direct na die opleiding is gaan werken. Zijn keuze te gaan studeren is met name bepaald door de omstandigheid dat hij zijn kwetsbaarheid op de arbeidsmarkt – ontstaan door zijn handicap – wilde verkleinen. Dat betwist ZLM niet. Zij stelt dat objectief gezien de handicap niet aan werken in de weg had gestaan (dan wel dat de handicap na een HBO-studie nog op dezelfde wijze eventueel beperkingen met zich zou hebben gebracht). In een stage is gebleken dat werken heel goed ging; [eiser] had evenwel, gelet op de datum van inschrijving bij de Hogeschool Zeeland, al voordat hij die stage deed voor doorstuderen gekozen. Te gaan studeren was een volledig vrije keuze van [eiser].

4.3.2. Met deze stellingen miskent ZLM dat [eiser] destijds niet alleen diende te kiezen tussen op dat moment gaan werken of gaan studeren, maar dat hij in wezen ook diende te kiezen voor een loopbaan. De veronderstelling dat zijn loopbaan er – ging hij direct werken – anders zou uitzien dan wanneer hij zou gaan studeren en dat bij die verschillen het ongevalsgevolg (de prothese aan zijn linkerarm) een rol zou spelen (in die zin, dat als gevolg daarvan zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt anders waren dan zonder die prothese) is naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd. Immers zal die prothese altijd enigszins beperkend zijn in fysieke mogelijkheden, en is het niet onjuist om te veronderstellen dat doorstuderen – waardoor een baan waarin met de handen moet worden gewerkt minder vanzelfsprekend is – meer kansen biedt op de arbeidsmarkt. In die zin is er door het ongeval een zeker verlies aan keuzemogelijkheid ontstaan. Vanuit die door [eiser] tot uitgangspunt genomen – redelijke – gedachtegang, die door ZLM op zich niet is betwist, moet worden vastgesteld dat bij de keuze van [eiser] om te gaan studeren het feit dat hem het ongeval is overkomen, zal hebben meegespeeld en dat ook mocht doen. Daarbij is niet van belang dat uit de door ZLM overgelegde revalidatierapporten, die de periode betreffen waarin [eiser] de keuze om te gaan studeren heeft gemaakt, voormelde afwegingen niet noemen.

4.3.3. Daarmee is evenwel nog niet vastgesteld dat de keuze om te gaan studeren ook daadwerkelijk een ongevalsgevolg was. Daarvoor dient ook vast te staan dat [eiser], had het ongeval niet plaatsgevonden, niet zou zijn gaan studeren, maar zou zijn gaan werken. Immers, alleen dan kan zich de door hem gestelde schade voordoen. [eiser] heeft aangegeven dat en waarom het voor de hand had gelegen dat hij na de MBO-opleiding zou gaan werken. Die stellingen zijn door ZLM niet betwist. Dat betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [eiser] inderdaad in het geval het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden direct na zijn MBO-opleiding zou zijn gaan werken, terwijl hij in de feitelijke situatie – en, zoals hiervoor overwogen, ten gevolge van het ongeval – is gaan studeren. Er is derhalve sprake van een causaal verband tussen het ongeval en de keuze te gaan studeren in plaats van te gaan werken.

4.4.1. Dan komt aan de orde de vraag of door die keuze ook daadwerkelijk schade is geleden. Bij vaststelling van verlies aan verdienvermogen komt het er op aan het verschil vast te stellen tussen wat feitelijk sinds het ongeval aan inkomsten is en zal (kunnen) worden ontvangen en wat dat zou zijn geweest als het ongeval niet had plaatsgevonden. Van belang is daarbij dus dat het hier gaat om een schadepost die over de langere termijn moet worden bezien: de gevolgen van de door [eiser] – naar hiervoor is vastgesteld: in redelijk als gevolg van het ongeval te beschouwen – keuze dienen te worden bezien voor de duur van zijn op die keuze gebaseerde loopbaan. Niet kan daaruit – zoals [eiser] doet – slechts een deel worden gehaald (namelijk de periode dat doordat [eiser] studeerde, hij geen of bijna geen inkomen had). Voor de vaststelling van de schade dient de vraag te worden beantwoord of de door [eiser] gemaakte keuze op de lange termijn (blijvende) negatieve (in de zin van: in vergelijking met de situatie zonder ongeval: inkomensverla-gende) gevolgen voor zijn carrière heeft. Als de keuze hem eerst heeft benadeeld, maar vervolgens heeft bevoordeeld of zal bevoordelen, dan dient ook met dat laatste – als voldoende causaal gerelateerd aan het ongeval – rekening te worden gehouden. Daarbij is niet relevant dat het succesvol studeren vooral het gevolg is van ijver en inzet van [eiser]; immers dient voor de vaststelling van de schade de hypothetische situatie waarin het ongeval wordt weggedacht te worden vergeleken met de feitelijke situatie met dat ongeval, en de inzet en ijver van [eiser] zijn onderdeel van die feitelijke situatie

4.4.2. De feitelijke (inkomens)situatie van [eiser] is dat hij na afronding van zijn MBO-opleiding in 1999 maar een beperkt inkomen genoot, omdat hij ervoor heeft gekozen te gaan studeren. Die studie (aanvankelijk HBO, later universitair) heeft hij inmiddels afgerond. Vanaf begin 2006 heeft hij een baan, aanvankelijk op MBO+, thans op HBO-niveau. Het gaat in die baan naar wens; [eiser] heeft ter comparitie aangegeven dat hij wel op zoek gaat naar een functie met een hogere beloning (en kennelijk beter passend bij zijn opleidingsniveau). Zijn hoger opleiding zal hem – ook naar eigen verwachting – een hoger inkomen opleveren dan hij zou hebben gehad als hij na de MBO-opleiding zou zijn gaan werken.

4.4.3. De hypothetische situatie, het ongeval weggedacht, zou zijn geweest dat [eiser] na afronding van zijn MBO-opleiding zou zijn gaan werken. Hij zou dan vanaf 1999 een inkomen op MBO-niveau hebben ontvangen. Hij heeft uitgerekend hoeveel dat zou zijn geweest; tegen die berekening heeft ZLM overigens verweer gevoerd. [eiser] is uitgegaan van een eindsalaris van € 2.268,-- bruto per maand.

4.4.4. In zijn eigen berekening gaat [eiser] er van uit dat hij, was hij direct aan het werk gegaan, hij in 2005 een inkomen zou hebben gehad dat ongeveer € 90,-- per maand hoger zou zijn geweest dan het (aanvangs-)salaris dat hij in zijn huidige baan ontvangt. Gelet op de aard van het letsel en gezien ook zijn doorzettingsvermogen – zoals ook ter comparitie aan de rechter is gebleken – mag er in redelijkheid van worden uitgegaan dat [eiser] in staat zal zijn een bij zijn huidig opleidingsniveau passende werkkring te vinden, en aldus een inkomen te verwerven dat (aanmerkelijk) hoger zal liggen dan het (eind-)inkomen dat hij zou hebben ontvangen als hij alleen een MBO-opleiding had gehad. Daarbij is ook van belang dat [eiser] zijn universitaire heeft afgesloten in 2006, op 26-jarige leeftijd, derhalve op een nauwelijks hogere leeftijd dan die van studenten die via dezelfde route, maar dan zonder enige complicatie, een universitaire studie volgen en afronden. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat zij die een universitaire studie hebben gevolgd een hoger inkomen zullen kunnen verwerven dan zij die een dergelijke studie niet hebben gevolgd. Dat [eiser] daarop een uitzondering zou zijn niet gesteld en evenmin gebleken.

4.4.5. Wanneer de huidige situatie – rekening houdend met hetgeen onder 4.4.4 is overwogen – wordt vergeleken met de hypothetische situatie zonder ongeval is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat [eiser] als gevolg van zijn – door het ongeval ontstane – keuze om te gaan studeren in plaats van te gaan werken schade in de zin van verlies van verdienvermogen heeft geleden. Daarbij moet het volgende worden bedacht: - [eiser] zal – naar in redelijkheid is te verwachten – tot zijn 65ste levensjaar, derhalve nog 39 jaar, werken; - te verwachten valt – gelet op doorzettingsvermogen – dat hij op niet al te lange termijn zal doorgroeien naar een functie, passend bij zijn opleidingsniveau; - te verwachten is dat daarbij zijn inkomen zal toenemen, en zeker zal stijgen boven het eindsalaris dat hij zou hebben gehad als hij na zijn MBO-opleiding aan hat werk was gegaan; - de door [eiser] gestelde schadepost beloopt (nog zonder rekening te houden met eventuele bijverdiensten als door ZLM gesteld, die van dit bedrag zouden moeten worden afgetrokken) een bedrag van bijna € 80.000,--; in redelijkheid mag worden verwacht dat hij dat bedrag gedurende zijn toekomstige loopbaan als gevolg van zijn hogere opleiding zal “terugverdienen” (immers gaat het om een bedrag van ruim € 2.000,-- netto dat hij gemiddeld per jaar meer zou moeten verdienen dan zonder zijn hogere opleiding). De betreffende schadepost wordt dan ook afgewezen.

4.5. Gelet op het onder 4.1 overwogene zal de rechtbank de zaak voor het overige aanhouden, opdat partijen over de overige schadeposten in overleg kunnen treden. De zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 1 augustus 2007, opdat beide partijen bij akte kunnen aangeven wat het overleg heeft opgeleverd, of de rechtbank nog beslissingen dient te nemen en zo ja, of er behoefte is aan nog een schriftelijke ronde.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering, voor zover deze betrekking heeft op schadepost g, verlies van verdienvermogen, af;

verwijst de zaak voor het overige naar de rol van woensdag 1 augustus 2007, voor het nemen van een akte als bedoeld onder 4.5, door beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2007.