Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BC7710

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
58723/KG ZA 07-131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser heeft samen met zijn ex-partner in december 2004 een wining gekocht te Terhole. Zij hebben hiervoor een hypothecaire geldlening met de Rabobank gesloten voor een bedrag van €77.600,--. Eiser en ex-partner zijn omstreeks december 2006/januari 2007 uit elkaar gegaan. Sindsdien wordt de maandelijkse hypotheekrente voor de betreffende woning niet meer voldaan. Eiser vordert dat de Rabobank wordt opgedragen aan hem een zogenaamde vervallenverklaring van hypotheek te verstrekken als ook dat de Raobbank geen hypotheekrente meer op eiser verhaalt, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 58723 / KG ZA 07-131

Vonnis in kort geding van 30 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Hulst,

eiser,

procureur: mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. M.J.R. Roethof,

tegen

de coöperatie u.a.

COÖPERATIEVE RABOBANK HULST U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

gedaagde,

procureur: mr. E. Bregonje.

Partijen worden hierna [eiser] en de Rabobank genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief d.d. 15 augustus 2007 van mr. Bregonje met als bijlage de Algemene Bankvoorwaarden;

- het telefaxbericht d.d. 16 augustus 2007 van mr. Roethof;

- de pleitnotities van mr. Roethof;

- de pleitnotities van mr. Bregonje.

1.2. Ter terechtzitting van 16 augustus 2007 heeft de Rabobank geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnotities mondeling toegelicht waarna zij vonnis hebben gevraagd.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft tezamen met -thans- zijn ex-partner mevrouw [ex-partner van eiser] (hierna: [ex-partner van eiser]) in december 2004 een woning gekocht, staande en gelegen aan [adres] te Terhole, gemeente Hulst.

2.2. Ter financiering van de woning hebben [eiser] en [ex-partner van eiser] een hypothecaire geldlening gesloten met de Rabobank ter hoogte van € 77.600,--.

2.3. [eiser] en [ex-partner van eiser] zijn omstreeks december 2006/januari 2007 uit elkaar gegaan.

2.4. Thans wordt de maandelijkse hypotheekrente voor de woning aan [adres] niet meer voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, kort samengevat, dat de Rabobank wordt opgedragen aan hem een zogenaamde vervallenverklaring van hypotheek te verstrekken, alsmede dat het de Rabobank verboden wordt hypotheekrente welke betrekking heeft op [adres] op hem te verhalen, zulks met veroordeling van de Rabobank in de proceskosten.

[eiser] heeft hiertoe het navolgende aangevoerd. Volgens [eiser] heeft hij geen verplichtingen meer aan de Rabobank omdat uit de administratie van de Rabobank blijkt dat [ex-partner van eiser] een nieuwe lening heeft genomen die zij gebruikt heeft om de gezamenlijke lening van [eiser] en [ex-partner van eiser] te beëindigen. Daarvoor verwijst [eiser] naar het rekeningafschrift van de Rabobank SpaarZeker Hypotheek d.d. 31 januari 2007 (productie 11 bij de dagvaarding) waaruit duidelijk blijkt van de algehele aflossing en beëindiging van de aan de hypotheek ten grondslag liggende lening. Door het tenietgaan van de geldlening is volgens [eiser] ook de hypotheek op naam van [eiser] en [ex-partner van eiser] vervallen.

[eiser] heeft er ook vanuit mogen gaan dat de gezamenlijke hypotheek is vervallen. Immers, pas nadat de Rabobank tot de conclusie is gekomen dat [ex-partner van eiser] de hypotheekrente niet meer voldoet, heeft de Rabobank zonder [eiser] daarvan in kennis te stellen een en ander teruggedraaid. Eerst eind juli 2007, daarvoor verwijst [eiser] naar het rekeningafschrift van de Rabobank SpaarZeker Hypotheek d.d. 30 juli 2007, is de financiering wederom op naam van [eiser] en [ex-partner van eiser] gesteld. [eiser] heeft geen contact gehad met de Rabobank over de financiële gevolgen van een eventuele toebedeling van de woning aan [ex-partner van eiser]. Initiatieven daartoe zijn uitsluitend uitgegaan van [ex-partner van eiser]. [eiser] is om die reden ook niet ingegaan op de uitnodiging van de notaris.

3.2. De Rabobank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. De Rabobank stelt daartoe dat de hypotheek niet is vervallen of geroyeerd, omdat de daaraan ten grondslag liggende lening nooit is afgelost. Volgens de Rabobank hebben [eiser] en [ex-partner van eiser] aan de Rabobank te kennen gegeven dat in verband met het uiteengaan van partijen de woning zou worden toebedeeld aan [ex-partner van eiser] en dat zij in dat verband een nieuwe hypothecaire geldlening zou afsluiten om de eerder door [eiser] en [ex-partner van eiser] gezamenlijk afgesloten hypothecaire geldlening af te kunnen lossen. Zover is het echter niet gekomen, omdat de daarvoor vereiste notariële handelingen (levering van het aandeel van [eiser] in de woning aan [ex-partner van eiser]) nooit hebben plaatsgevonden omdat [eiser] weigerde daaraan mee te werken. Gevolg daarvan is dat ook de hypothecaire geldlening tussen [ex-partner van eiser] en de Rabobank niet tot stand is gekomen en dus de gezamenlijke geldlening van [eiser] en [ex-partner van eiser] niet is afgelost. Het enige verwijt dat de Rabobank in deze kan worden gemaakt is dat zij te voortvarend heeft gehandeld door vooruitlopende op de notariële afwikkeling het aan [eiser] en [ex-partner van eiser] gezamenlijk verleende krediet te crediteren en op nul te stellen.

4. De beoordeling

4.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat de op naam van [eiser] en [ex-partner van eiser] staande hypotheek is komen te vervallen. [eiser] heeft niet weersproken dat partijen hebben afgesproken dat [ex-partner van eiser] de woning zou overnemen en in verband daarmee een nieuwe lening zou afsluiten. Verder staat als onweersproken vast dat de overdracht niet heeft plaatsgevonden omdat [eiser] geen medewerking heeft verleend. Gevolg is derhalve dat de gezamenlijk door [eiser] en Wezel afgesloten hypothecaire geldlening niet door aflossing teniet is gegaan en de hypotheek ten name van [eiser] en [ex-partner van eiser] niet is komen te vervallen.

4.2. Weliswaar kan de Rabobank worden verweten dat de administratieve verwerking van een en ander eerder heeft plaats gehad dan de notariële handelingen die daaraan vooraf dienen te gaan, maar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan dit er niet toe leiden dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat de hypotheek ten name van [eiser] en [ex-partner van eiser] hiermee was vervallen. Ook voor [eiser] moet het duidelijk zijn geweest dat, daar het recht van hypotheek alleen kan worden gevestigd door notariële tussenkomst, de gezamenlijke hypotheek niet enkel kan vervallen als gevolg van een administratieve verwerking door de Rabobank. Van de benodigdheid van de notariële handelingen droeg [eiser] wel degelijk kennis, getuige de door [eiser] ter zitting afgelegde verklaring betreffende de reden waarom hij geen medewerking wenste te verlenen aan deze handelingen. Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat het verweer van [eiser] dat hij te goeder trouw de handelwijze van de bank mocht aanmerken als zijnde voldoende voor het tenietgaan van de hypotheek op de woning aan [adres] niet kan slagen.

Vastgesteld moet worden dat [eiser] nog steeds mede-eigenaar is van de woning aan [adres], met de daarbij behorende hypothecaire verplichtingen, op grond waarvan de bank gerechtigd is hem aan te spreken tot betalen van hypotheekrente.

Nu voorts de bank niet kan worden verplicht [eiser] uit de aansprakelijkheid te ontslaan,

zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.3. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2. veroordeelt [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op € 251,-- wegens griffierecht en € 1.054,-- wegens procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.?