Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BC6639

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
59416/KG ZA 07-164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde huurt sinds 19 maart 2007 van Woongoed Middelburg een woning te Middelburg. Woongoed ontving een groot aantal klachten van omwonenden ter zake van overlast veroorzaakt door het gezin, met name door de drieling binnen het gezin. Woongoed vordert gedaagde te veroordelen om de woning met al de haren en het hare binnen 8 dagen na betekening en bij gebreke de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van politie en justitie en veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 265
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2008/100 met annotatie van Theo Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 59416 / KG ZA 07-164

Vonnis van 16 oktober 2007

in de zaak van

de stichting

ST. WOONGOED MIDDELBURG,

gevestigd te Middelburg,

eiseres,

procureur mr. J.M. Koeveringe-van Dekker,

advocaat mr. J. Mikes,

tegen

[gedaagde],

wonende te Middelburg,

gedaagde,

procureur mr. H. Mink.

Partijen zullen hierna Woongoed en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- pleitnota zijdens Woongoed Middelburg.

De zaak is behandeld ter terechtzitting 9 oktober 2007 waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] huurt met ingang van 19 maart 2007 van Woongoed een woning staande en gelegen aan het [adres] te Middelburg.

[gedaagde] bewoont de woning met vijf kinderen, een drieling van 12 jaar en twee kinderen van 6 en 10 jaar.

2.2. Kort nadat [gedaagde] de woning met haar kinderen is gaan bewonen ontving Woongoed een groot aantal klachten van omwonenden ter zake van overlast veroorzaakt door het gezin [gedaagde].

2.3. Bij brief van 19 april 2007 heeft Woongoed [gedaagde] op de hoogte gebracht van de klachten met betrekking tot het overlast veroorzakende gedrag van haar kinderen.

Bij brief van 23 mei 2007 aan [gedaagde] geeft woongoed aan dat de klachten nog steeds voortduren en dat Woongoed op het punt staat om een gerechtelijke procedure te starten om tot ontbinding van de huurovereenkomst en daaropvolgende ontruiming van de woning te komen.

Op 7 juni 2007 heeft in het Stadskantoor te Middelburg een bespreking plaatsgevonden met betrekking tot de problematiek rond de familie [gedaagde]. Daarbij waren aanwezig Woongoed, Stichting AZZ, Bureau Jeugdzorg, Politie Zeeland en de gemeente Middelburg.

Op 21 augustus 2007 heeft ten kantore van Woongoed met onder andere omwonenden een bespreking plaatsgevonden met als doel het maken van afspraken om de overlast, bedreiging en intimidatie van de drieling [gedaagde] te stoppen.

2.4. Op 30 augustus 2007 heeft de mondelinge behandeling door de rechtbank van de door de Raad voor de Kinderbescherming aan de rechtbank verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de drieling plaatsgevonden. Door [gedaagde] is daartegen geen verweer gevoerd.

Op 17 september 2007 is de drieling uit huis geplaatst in de [groep].

3. Het geschil

3.1. Woongoed vordert – zakelijk weergegeven - [gedaagde] te veroordelen om de woning aan het [adres] met al de haren en het hare binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen met machtiging op Woongoed om bij gebreke aan volledige voldoening hieraan de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Woongoed stelt daartoe het navolgende.

3.2. Volgens Woongoed veroorzaakt het gezin [gedaagde] veel overlast.

De overlast veroorzaakt door de drieling bestaat uit getreiter, kleine criminaliteit, gescheld, intimidatie, rondhangen en aantrekken van andere hangjeugd. Voorts bestaat de overlast uit keiharde muziek, geschreeuw, keihard gegooi met deuren, ruzie en troep.

De overlast heeft volgens Woongoed onaanvaardbare proporties aangenomen en heeft geleid tot het ontstaan van een explosieve sfeer in de buurt met gevaar voor escalatie.

Er is sprake van zodanige zorg en onvrede in de buurt dat verschillende instanties, waaronder ook de burgemeester, zich met de kwestie hebben bemoeid en zich hebben ingezet voor de verbetering van de leef- en woonsituatie in de wijk.

[gedaagde] is toerekenbaar tekortgekomen in haar wettelijke verplichting om zich als een goed huurder te gedragen en geen overlast aan omwonenden te veroorzaken.

Woongoed ziet zich dan ook genoodzaakt om ontruiming te vorderen.

3.3. De omstandigheid dat de drieling inmiddels uit huis geplaatst zou zijn doet aan de noodzaak om ontruiming te vorderen volgens Woongoed niet af omdat het gezin [gedaagde] overlast veroorzaakt en niet uitsluitend de drieling. Bovendien zal de drieling voor visite of vakantieverlof terugkeren in de woning nu zij deel uitmaken van het gezin en na opname zullen zij definitief terugkeren.

De omstandigheid dat de situatie in de buurt zou zijn verbeterd na uithuisplaatsing van de drieling kan volgens Woongoed ook niet in de weg staan aan de gevorderde ontruiming.

Het is volgens Woongoed vaste jurisprudentie dat een partij die tekort geschoten is in de nakoming van een voortdurende verplichting, zoals de verplichting uit huurovereenkomst, deze verplichting weliswaar in de toekomst nog kan nakomen, maar dat daarmee de tekortkoming in het verleden niet ongedaan kan worden gemaakt en nakoming daarvan niet meer mogelijk is.

3.4. [gedaagde] erkent dat de drieling overlast in de woonomgeving veroorzaakt.

[gedaagde] bestrijdt echter dat deze overlast enkel en alleen door de drieling wordt veroorzaakt. Bij het veroorzaken van die overlast is een veel grotere groep jongeren betrokken.

[gedaagde] wijst er op dat Woongoed bij aanvang van de huurovereenkomst wist dat er hulp in het gezin aanwezig was. Daarnaast wijst zij er op dat zij bij klagers en Woongoed erop heeft gewezen de drieling niet meer de baas te kunnen en dat zij alle mogelijke hulp heeft ingeroepen om de overlast die zij veroorzaken te bestrijden. Zij heeft de problematiek samen met de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg met de grootst mogelijke voortvarendheid opgepakt. Dit heeft geresulteerd in een spoedbehandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen, aan welk verzoek zij haar medewerking heeft verleend.

Gelet op de omstandigheid dat [gedaagde] alle mogelijke hulp heeft ingeroepen, medewerking heeft verleend aan hulpverlenende instanties en aan de uithuisplaatsing van de drieling, kan de thans gevorderde ontruiming in redelijkheid niet toegewezen worden. [gedaagde] heeft ook hulp van het Maatschappelijk werk aangevraagd en gekregen en zal tijdens het weekendbezoek van de drieling ondersteuning van het Maatschappelijk Werk krijgen.

[gedaagde] heeft met de uithuisplaatsing van de drieling aan de eisen van Woongoed dat de overlast op moest houden voldaan en dat op de kortst mogelijke termijn.

Nu de drieling uit huis geplaatst is kan, indien Woongoed een rechterlijke uitspraak met betrekking tot de ontruiming van het gehuurde wil, dat wachten totdat er in de bodemprocedure zal zijn beslist.

3.5. [gedaagde] bestrijdt gemotiveerd dat er thans nog sprake is van overlast en dat zij zelf en haar twee kinderen van 6 en 10 jaar overlast zouden veroorzaken. [gedaagde] verwijst daartoe naar de door haar in het geding gebrachte lijst met handtekeningen van buurtbewoners die vinden dat [gedaagde] niet uit haar woning hoeft te vertrekken en naar het als produktie 13 door Woongoed overgelegde besprekingsverslag van 7 juni jl. Daaruit blijkt dat er niet (meer) sprake is van overlast uit de woning. Ter onderbouwing van haar stelling legt [gedaagde] voorts een verklaring van de school van de twee jongste kinderen over waaruit blijkt dat het met hen goed gaat.

De in de buurt ontstane situatie is volgens [gedaagde] zeker ook te wijten aan het gedrag van de voorzitter van de wijkvereniging en klagers die van de in de wijk ontstane situatie alleen de drieling de schuld geven en daarmee ook, onder andere in de pers, naar buiten treden. De inspanningen van de politie en burgemeester waren ook gericht op het gedrag van een of meer klagers die te veel olie op het vuur gooiden.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Voor toewijzing van de vordering, vooruitlopend op de eventuele ontbinding van de huurovereenkomst door de kantonrechter, moet beoordeeld worden of de vordering tot ontbinding en ontruiming in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopen daarop door toewijzen van de verlangde voorziening reeds nu gerechtvaardigd is.

4.2. Woongoed baseert haar vordering op overlast veroorzaakt in de woonomgeving door met name tot het gezin [gedaagde] behorende drieling. Daarnaast is door Woongoed gesteld dat sprake zou zijn van overlast ook door de rest van het gezin door keiharde muziek, geschreeuw, keihard gegooi met deuren, ruzie en troep.

4.3. Als onbestreden staat vast dat de tot het gezin behorende drieling voor veel overlast in de woonomgeving van de door [gedaagde] gehuurde woning heeft gezorgd. Daarmee staat vast dat [gedaagde] als huurster gedurende meerdere maanden in gebreken is gebleven aan haar verplichting als huurster te voldoen. Zij heeft samen met de aan haar zorg toevertrouwde kinderen ontoelaatbare overlast veroorzaakt. Een dergelijke overlast rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst.

[gedaagde] heeft de ernst van de situatie ingezien en samen met hulpverleners actie ondernomen. Drie van haar kinderen zijn enige weken geleden door de kinderrechter uit huis geplaatst. Deze actie doet de eerdere tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst niet teniet. Er is wel een nieuwe situatie door ontstaan waarin de noodzaak ontbreekt tot directe ontruiming over te gaan. Die noodzaak werd voornamelijk bepaald door het gedrag van de drieling die nu uit huis is geplaatst.

De vordering die ertoe strekt dat de voorzieningenrechter, vooruitlopend op het oordeel van de kantonrechter over de ontbinding van de huurovereenkomst, reeds toestemming geeft de gehuurde woning te ontruimen, zal dan ook worden afgewezen. Er is door de nieuwe situatie onvoldoende spoedeisend belang om vooruit te lopen op het oordeel van de kantonrechter over de ontbinding van de huurovereenkomst.

4.4. Door Woongoed is ter nadere onderbouwing van haar vordering nog aangevoerd dat in de wijk een zorgelijke situatie is ontstaan en zij escalatie daarvan niet uitsluit, zeker niet als de drieling met weekendverlof komt. Niet aannemelijk is echter dat alleen de drieling dan wel het gezin [gedaagde] aansprakelijk is voor de in de buurt ontstane situatie. Immers, onbestreden is dat de onrust in de wijk niet slechts wordt veroorzaakt door het gedrag van de drieling maar door het gedrag van een veel grotere groep jongeren, ook afkomstig uit andere buurten. Dat die jongeren zouden komen omdat de drieling in de wijk woont, zoals Woongoed stelt, is door Woongoed niet nader onderbouwd. Nog afgezien daarvan is de drieling niet aansprakelijk voor het gedrag van die jongeren.

Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken, blijkt ook dat de rust in de wijk is weergekeerd nu de wijk de volle aandacht van de politie heeft en niet slechts omdat de drieling uit huis geplaatst is. Indien en voor zover de ontstane situatie alleen aan de drieling te wijten zou zijn zou deze extra aandacht door de politie niet langer nodig zijn.

4.5. De klachten die volgens Woongoed zouden bestaan met betrekking tot overlast die [gedaagde] en haar twee kinderen van 6 en 10 jaar zou bezorgen zijn gemotiveerd bestreden. Nog afgezien daarvan en van de vraag of deze klachten de gevraagde voorziening rechtvaardigen, zijn deze klachten door Woongoed onvoldoende onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande kan het verwijt dat Woongoed [gedaagde] en haar twee kinderen van 6 en 10 jaar maakt niet leiden tot toewijzing van de door Woongoed gevraagde verregaande voorziening.

4.6. De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening, gelet op het vorenstaande, afwijzen.

4.7. Woongoed zal, nu de vordering wordt afgewezen worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op een bedrag van € 251,-- wegens griffierecht en € 1.054,-- wegens procureurssalaris.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Woongoed in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 251,-- wegens griffierechten en € 1.054,-- wegens procureurssa¬laris;

- bepaalt dat nu [gedaagde] met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening

a. aan de griffier van deze rechtbank:

- wegens het in debet gestelde deel van het griffierecht € 188,25;

- wegens procureurssalaris € 1.054,--;

b. aan [gedaagde]:

- het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht € 62,75.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzit¬ting van 16 oktober 2007.