Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB9301

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
54795 HA ZA 06-511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

De beoordeling

in conventie

Vooropgesteld wordt dat de pensioenrechten van zowel de man als de vrouw in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en in de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken, nu deze wordt beheerst door het door de vrouw aangehaalde Boon/Van Loon-arrest. Partijen zijn immers van echt zijn gescheiden vóór de inwerkingtreding op 1 mei 1995 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp, Wet van 28 april 1994, Stb. 342) doch na genoemd arrest. Het verweer van de man dat – op grond van artikel 3, derde lid van de Wvp – het door hem opgebouwde pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonproduktie Industrie niet voor verevening in aanmerking komt, treft geen doel. Immers, artikel 12 Wvp bepaalt dat deze wet niet van toepassing is op scheidingen gelegen vòòr de inwerkingtreding van deze wet. Ook is geen sprake van een uitzonderingssituatie als bedoeld het tweede lid van voornoemd artikel. Er is dan ook geen sprake van pensioenverevening, doch van verrekening en voornoemd pensioen dient bij de verrekening te worden betrokken.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

54795HA ZA 06-51154795HA ZA 06-5113 oktober 2007

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 54795 / HA ZA 06-511

Vonnis van 17 oktober 2007

in de zaak van

[EISERES IN CONVENTIE, VERWEERSTER IN RECONVENTIE],

wonende te 's-Gravenpolder, gemeente Borsele,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. W.T.J. Schieman,

tegen

[GEDAAGDE IN CONVENTIE, EISER IN RECONVENTIE],

wonende te Goes,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. H. van Es.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 10 januari 2007;

het proces-verbaal van comparitie van 21 maart 2007;

een akte verzoek zijdens de man;

een akte uitlaten voortgang procedure zijdens de vrouw;

een antwoordakte zijdens de man.

De feiten

Partijen zijn ex-echtelieden. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van deze rechtbank d.d. 9 september 1981 op 15 januari 1982 in de daarvoor bestemde registers.

De man is sedert 2002 gepensioneerd en ontvangt pensioen van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonproduktieindustrie (ouderdomspensioen) alsmede van Hoechst N.V. (ouderdoms- en nabestaandenpensioen). In het kader van de verrekening van pensioenrechten maakte de man maandelijks een bedrag van € 60,-- over aan de vrouw.

De vrouw is sedert 20 oktober 2005 eveneens gepensioneerd. Zij ontvangt het door haar opgebouwde ouderdomspensioen van PGGM. Dit betreft een ouderdomspensioen alsmede een nabestaandenpensioen. De man betaalt vanaf 1 november 2005 € 40,-- per maand.

Het geschil

in conventie

De vrouw vordert veroordeling van de man om:

primair:

met ingang van 1 november 2005 maandelijks een door de rechtbank te bepalen bruto-bedrag aan de vrouw te betalen, waarbij de aanspraak van de man op het PGGM pensioen van de vrouw daarbij is verrekend;

de man te veroordelen voor het eerst met ingang van 1 januari 2006, het onder 1. bepaalde bedrag te verhogen met het op zijn Zwitser Leven Pensioen toegepaste indexeringspercentage en dit aldus berekende bedrag aan de vrouw maandelijks uit te betalen voor het betreffende kalender- en/of pensioenjaar, alsmede de vrouw opgave van dit percentage te verstrekken gestaafd met een bewijsstuk van het toegepaste percentage;

althans de man op grond van hetgeen onder 1 en 2 is gevorderd de veroordelen op een wijze en in bewoordingen die de rechtbank in goede justitie zal bepalen,

subsidiair:

uit hoofde van het pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonproduktenindustrie met nummer 151.160937.0 een bedrag aan de vrouw te betalen met ingang van 1 november 2005 van € 18,77 bruto per maand;

uit hoofde van het pensioen bij Zwitser Leven met nummer 118-30415720 een nader door de rechtbank te bepalen bedrag maandelijks aan de vrouw te betalen met ingang van 1 november 2005;

jaarlijks de vrouw opgave te verstrekken gestaafd met een bewijsstuk van het toegepaste indexeringspercentage door de pensioenuitvoerders genoemd onder 1 en 2 van dit petitum en zulks voor het eerst met ingang van 1 januari 2006, en de man te veroordelen hetgeen hij uit hoofde van het onder 1 en 2 van dit petitum te bepaalde met dat indexeringspercentage te verhogen en aan de vrouw uit te betalen voor het betreffende kalender- en/of pensioenjaar,

althans de man op grond van hetgeen onder 1 tot en met 3 is gevorderd te veroordelen op een wijze en in bewoordingen die de rechtbank in goede justitie zal bepalen, eén en ander kosten rechtens.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd en het huwelijks is ontbonden op 15 januari 1982, de pensioenrechten van de man tussen partijen moeten worden verrekend op de wijze zoals aangegeven in het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, NJ 1982, 503, m.nt. EAAL (verder ook: het Boon/Van Loon-arrest). Zij heeft daarbij verwezen naar een door haar gemaakte berekening van de op 1 september 2002 aanwezige contante waarden van het door de man opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen bij Zwitserleven en het ouderdompensioen bij het Bedrijfspensioenfonds. De door haar opgebouwde pensioenrechten dienen eveneens in de verrekening te worden meegenomen. Zij is van mening dat de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de pensioenrechten bij helfte worden verrekend. De man betaalt naar haar mening te weinig.

De man voert verweer. Hij is van mening dat hij ruimschoots aan zijn verplichtingen heeft voldaan nu hij zelfs meer betaalt dan noodzakelijk is.

in (voorwaardelijke) reconventie

De man vordert terugbetaling door de vrouw aan de man van hetgeen hij teveel heeft betaald, te vermeerderen met de proceskosten.

De man legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Indien in reconventie bij de berekening blijkt dat hij te veel pensioen aan de vrouw heeft betaald, wenst hij het teveel betaalde terug te ontvangen van de vrouw.

De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

in conventie

Vooropgesteld wordt dat de pensioenrechten van zowel de man als de vrouw in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en in de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken, nu deze wordt beheerst door het door de vrouw aangehaalde Boon/Van Loon-arrest. Partijen zijn immers van echt zijn gescheiden vóór de inwerkingtreding op 1 mei 1995 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp, Wet van 28 april 1994, Stb. 342) doch na genoemd arrest. Het verweer van de man dat – op grond van artikel 3, derde lid van de Wvp – het door hem opgebouwde pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonproduktie Industrie niet voor verevening in aanmerking komt, treft geen doel. Immers, artikel 12 Wvp bepaalt dat deze wet niet van toepassing is op scheidingen gelegen vòòr de inwerkingtreding van deze wet. Ook is geen sprake van een uitzonderingssituatie als bedoeld het tweede lid van voornoemd artikel. Er is dan ook geen sprake van pensioenverevening, doch van verrekening en voornoemd pensioen dient bij de verrekening te worden betrokken.

Uit de stukken komt naar voren dat partijen hun pensioenrechten in dit geval wensen te verrekenen door middel van het opleggen van een voorwaardelijke uitkering als bedoeld in HR 27 november 1981, NJ 1982, 503 en niet door middel van een betaling van een bedrag ineens. Een verdergaande overeenstemming tussen partijen is in het verleden niet tot stand gekomen. Voor zover de man stelt dat partijen overeengekomen zijn dat hij een bedrag van € 60,-- zou betalen aan de vrouw, verwerpt de rechtbank die stelling, nu uit de brief van 28 oktober 2005 slechts is op te maken dat partijen overeengekomen zijn dat de man de helft van zijn pensioenrechten aan de vrouw zou overmaken.

Anders dan de vrouw stelt is het uitgangspunt bij een verrekening als voornoemd dat de contante waarde van het opgebouwde pensioen per de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt verminderd met de contante waarde van de opbrengst van het nabestaandenpensioen, omdat dat immers aan de partner uit eigen hoofde toekomt. Het verschil dient vervolgens bij helfte verdeeld te worden. Op welke wijze en tot welke bedragen in geval van echtscheiding een verrekening moet plaatsvinden, dient te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank hanteert voor het ouderdomspensioen de afkorting OP, voor het nabestaandenpensioen NP en voor de contante waarde CW.

Uitgegaan wordt van de volgende contante waarden per 1 september 2002 zoals die door de betreffende pensioeninstanties zijn vermeld:

1. OP van de man bij Bedrijfspensioenfonds € 450,48

2. OP van de man bij Zwitser Leven (CW) € 13.475,--

3. OP van de vrouw bij PGGM (CW) € 2.720,--

4. NP van de man bij Zwitser Leven (CW) € 3.267,--

5. NP van de vrouw bij PGGM (CW) € 327,--

Gelet op de duur van het huwelijk en de leeftijd van partijen is de rechtbank van oordeel dat de pensioenen bij helfte dienen te worden verrekend. Pensioenverrekening aan de zijde van de man leidt dan tot de volgende rekensom:

De vrouw heeft recht op de helft van de uitkering van het Bedrijfspensioenfonds, zijnde € 450,48: 2 = € 225,24 : 12 = € 18,77 bruto per maand. Uit hoofde van het Zwitserlevenpensioen geeft de vrouw recht op € 13.475,-- : 2 = € 6.737,50 aan contante waarde. Dit bedrag dient herrekend te worden naar een uitkering per jaar. Het door de man opgebouwde NP komt de vrouw in het geheel toe. Nu gesteld noch gebleken is dat dit bedrag de vrouw is toegescheiden bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, heeft de vrouw recht op de contante waarde, welk bedrag eveneens herrekend dient te worden naar een uitkering per jaar. Beide pensioenverrekeningen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke indexering.

Pensioenverrekening aan de zijde van de vrouw geeft het volgende beeld: een OP van € 2.720,-- : 2 = € 1.360,--, welke contante waarde toekomt aan de man. Herleid naar een uitkering per jaar, betekent dit dat de man een bedrag van € 23,08 bruto per maand. Het NP van € 327,-- komt de man in het geheel toe. Dit bedrag dient eveneens herrekend te worden naar een bedrag per jaar. Beide bedragen dienen nog vermeerderd te worden met de wettelijke indexering.

De man heeft de door de vrouw voorgestelde indexeringsdatum van 1 januari 2006 niet betwist, zodat dienovereenkomstig zal worden beslist.

De vrouw heeft nog gesteld dat een deskundigenonderzoek aangewezen is omdat de man naar haar mening geen opening van zaken biedt. De man verzet zich daartegen. De rechtbank is van oordeel dat een deskundigenonderzoek niet aangewezen is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man drie polissen heeft bij Zwitser Leven: 30415721, 30415720 en een derde. Van de eerste twee zijn stukken in het geding gebracht. De vrouw heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de derde eveneens ziet op door de man opgebouwde pensioenrechten, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan. Voorts is een deskundigenonderzoek naar de waarde van de pensioenen niet noodzakelijk, nu dit door de pensioenverzekeraar eveneens uitgezocht kan worden nu er duidelijkheid bestaat over de wijze van verrekening.

Gelet op het vorenoverwogene zal de subsidiaire vordering van de vrouw worden toegewezen. De proceskosten zullen, gelet op de aard van de procedure, worden gecompenseerd.

in (voorwaardelijke) reconventie

Daar de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan, wordt niet toegekomen aan beoordeling van deze vordering. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt de man om uit hoofde van het pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonproduktenindustrie met nummer 151.160937.0 een bedrag aan de vrouw te betalen met ingang van 1 november 2005 van € 18,77 bruto per maand;

veroordeelt de man uit hoofde van het pensioen bij Zwitser Leven aan de vrouw te betalen de contante waarde van € 6.737,50, herrekend naar een uitkering per maand, waarop de door de vrouw aan de man te betalen pensioenbedragen in mindering strekken, met ingang van 1 november 2005;

veroordeelt de man om jaarlijks aan de vrouw opgave te verstrekken gestaafd met een bewijsstuk van het toegepaste indexeringspercentage door de pensioenuitvoerders Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Betonproduktenindustrie en Zwitser Leven en zulks voor het eerst met ingang van 1 januari 2006;

veroordeelt de man om de bedragen die hij uit hoofde van het onder 1 en 2 bepaalde dient te betalen, met dat indexeringspercentage te verhogen en aan de vrouw uit te betalen voor het betreffende kalender- en/of pensioenjaar;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.