Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB5114

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
AWB-07_848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vrijstelling bestemmingsplan; definitie bijgebouw in bestemmingsplan; in de jurisprudentie ontwikkelde definitie van het begrip bijgebouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/848

uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[verzoeker] en anderen,

wonende te [plaats],

verzoekers,

gemachtigde mr. R.Th.J. van 't Zelfde, advocaat te Breda,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2007 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan “Zoutelande Duinstreek” en vergunning verleend aan [ vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) voor het vergroten van een garage op het perceel [straatnaam] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veere, kern Zoutelande, sectie [0000].

Hiertegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 11 september 2007 behandeld ter zitting. Verzoekers zijn daar verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.J. Spierdijk. Voorts is vergunninghouder in persoon verschenen.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover daarbij de toetsing door de voorzieningenrechter meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Ww) mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, - onder meer - indien het bouwen niet voldoet aan de Bouwverordening of het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Op grond van artikel 20, eerste lid aanhef, en onder a ten eerste, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge het ter plaatse geldende“Zoutelande Duinstreek” mogen bij iedere woning maximaal twee bijgebouwen worden gebouwd met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 45 m², mits van het tot erf bestemde gedeelte van het bouwperceel niet meer dan 40% wordt bebouwd. Voorts moet volgens het evengenoemde bestemmingsplan de afstand tussen de achtergevel van de woning en het bijgebouw minimaal 3 meter bedragen.

2. Verweerder heeft vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Het bouwplan is volgens verweerder in strijd met het vigerende bestemmingsplan omdat de totale oppervlakte aan bijgebouwen door het vergroten van de garage meer dan 45 m² bedraagt en het plan voorziet in het uitbreiden van het bijgebouw op een afstand van één meter achter de achtergevel van de woning. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling en vergunning verleend voor het bouwplan.

3. Verzoekers kunnen zich hiermee niet verenigen en stellen – kort weergegeven - dat artikel 20 van het Bro er aan in de weg staat dat voor het bouwplan vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO kan worden verleend. Het vergunde plan ziet volgens verzoekers niet op de realisatie van een bijgebouw omdat volgens vaste jurisprudentie het wezenlijke kenmerk van een bijgebouw is dat een dergelijk gebouw zowel in bouwkundige (architectonisch) zin als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienst staat van het hoofdgebouw. Volgens verzoekers zal de vergroting van de garage niet leiden tot een bouwkundige ondergeschiktheid. Voorts hebben verzoekers aangevoerd dat verweerder in strijd met het gemeentelijke vrijstellingenbeleid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend, omdat sprake is van een overschrijding van de in het bestemmingsplan voorgeschreven afstanden tot perceelsgrenzen of gebouwen onderling en er voorts geen vrijstelling kan worden verleend indien de totale oppervlakte aan bijgebouwen de 60 m² te boven gaat.

4. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het van toepassing zijnde bestemmingsplan een omschrijving van het begrip bijgebouw geeft. In die situatie moet van die begripsomschrijving worden uitgegaan en kan er geen betekenis worden toegekend aan het in de jurisprudentie ontwikkelde begrip bijgebouw.

Voorts is volgens verweerder de vrijstelling niet in strijd met het vrijstellingenbeleid omdat de vergunde oppervlakte minder dan 60 m² bedraagt en het gedeelte waarvoor vergunning is verleend op meer dan drie meter achter de achtergevel van de woning staat.

5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

6. Blijkens artikel 1, aanhef en onder n, van het vigerende bestemmingsplan wordt onder het begrip bijgebouw verstaan een huishoudelijke bergruimte, een huishoudelijke werkruimte, hobbyruimte, garage, tuinhuisje en een onderkomen voor dieren.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geeft dit voorschrift geen omschrijving van het begrip bijgebouw, doch slechts een opsomming van de gebruiksmogelijkheden daarvan.

Gelet hierop dient te worden teruggevallen op het in de jurisprudentie ontwikkelde begrip bijgebouw.

7. Blijkens die jurisprudentie moet onder bijgebouw worden verstaan een gebouw dat, zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw.

8. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft het hoofdgebouw een oppervlakte van tussen de 88 en 89 m² en bedraagt de inhoud van het hoofdgebouw 525 m³. Het vergunde bouwwerk is met een oppervlakte van om en nabij 60 m² en een inhoud van 335 m³ ongeveer een derde deel kleiner dan het hoofdgebouw. Gelet op het vorenstaande kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat het vergunde bouwwerk in bouwkundige opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Van een bijgebouw in de zin van artikel 20 van het Bro is daarom geen sprake. De voorzieningenrechter is reeds hierom van oordeel dat niet valt te verwachten dat het bestreden besluit bij de heroverweging in het kader van de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Hetgeen verder door verzoekers is aangevoerd met betrekking tot het bestreden besluit laat de voorzieningenrechter daarom onbesproken.

9. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

schorst het bestreden besluit;

bepaalt dat gemeente Veere aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 (honderddrieenveertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door gemeente Veere aan verzoekers.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2007

door mr. T. Damsteegt als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: