Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB5057

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
12/715169-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontkennende incestverdachte veroordeelt tot gevangensstraf

-rechtbank gelooft de verklaring van de dochter wel en de ontkenning van de verdachte niet

-de verklaring van de dochter vindt ondersteuning in het dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer : 12/715169-07

Datum uitspraak: 8 oktober 2007

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 24 april 2007

Datum voorlopige hechtenis: 27 april 2007

Schorsing voorlopige hechtenis: 22 juni 2007

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende [adres]

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M. Kalle, advocaat te Goes.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Valente en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij een of meerma(a)l(en) in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 8 februari 1997 te Terneuzen, en/althans elders in het arrondissement Middelburg, in elk geval in Nederland (telkens) door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens) opzettelijk ontuchtig een of meer van zijn vinger(s) en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn, verdachtes, tong en/of penis in de mond van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat hij, verdachte, zijnde de vader van die [slachtoffer], genoemde [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht, en/of met het psychische en/of fysieke overwicht, dat hij op die [slachtoffer] had (verworven), haar aan zijn wil heeft onderworpen en/of haar wil heeft gemanipuleerd en/of haar dusdanig onder psychische druk heeft gezet dat zij, die [slachtoffer], niet meer in staat was haar wil te uiten, en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij een of meerma(a)l(en) in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 8 februari 1993 te Terneuzen, en/althans (elders) in het arrondissement Middelburg, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens) opzettelijk ontuchtig zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn, verdachtes penis en/of tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

en/of

hij een of meerma(a)l(en) in of omstreeks de periode van 9 februari 1993 tot en met 8 februari 1997 te Terneuzen, en/althans (elders) in het arrondissement Middelburg, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens) opzettelijk ontuchtig zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn, verdachtes penis en/of tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

art 245 Wetboek van Strafrecht

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij een of meerma(a)l(en) in of omstreeks de periode van 9 februari 1986 tot en met 30 november 1991 te Terneuzen, en/althans elders in het arrondissement Middelburg, in elk geval in Nederland (telkens) ontucht heeft gepleegd met

zijn minderjarig kind, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij, verdachte, de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of bevoelt, althans over de vagina heeft gewreven en/of dat hij, verdachte, die [slachtoffer] diens penis liet bevoelen en/of betasten;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsverweer t.a.v. feit 1 en 2

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat het dossier voor de tenlastegelegde feiten onvoldoende bewijs bevat. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken, aldus de raadsman. Verdachte heeft steeds alles stellig ontkend. Er is volgens hem op de verschillende getuigenverklaringen heel wat af te dingen. Zo noemt hij de verklaring [getuige a] vaag. Daarbij komt dat aangeefster niet heeft verteld dat zij een relatie met iemand van verdachtes leeftijd heeft gehad. Het is mogelijk dat er in de herinnering van aangeefster verwarring bestaat ten aanzien van de persoon die de seksuele handelingen pleegde. Deze oudere man, getuige [getuige], heeft verklaard dat aangeefster een rijke fantasie had en alles goed aan elkaar kon liegen.

Voorts heeft hij gewezen op de verklaring van [getuige b], medewerkster op het schippersinternaat dat aangeefster als kind bezocht. Zij heeft verklaard dat aangeefster brand heeft gesticht op het internaat, waarna aangeefster daar weg is gestuurd. De raadsman heeft aangevoerd dat het niet voor de hand ligt dat aangeefster op de enige plaats waar ze veilig was voor het vermeende seksueel misbruik, brand zou stichten.

De zus van aangeefster, [getuige e], heeft verklaard dat zij niets over het misbruik van aangeefster weet en zij noemt aangeefster manipulatief. Ook zou aangeefster volgens haar hebben gestolen. [getuige e] heeft haar verklaring bij de politie later ingetrokken, derhalve kan uit die afgelegde verklaring geen overtuiging worden afgeleid.

De verklaring van getuige [getuige c] is naar de mening van de raadsman erg kort en weinig gedetailleerd. Zo kan uit de verklaring niet worden afgeleid of het door hem genoemde seksueel misbruik ook ‘binnendringen’ inhield.

De broer van verdachte, getuige [getuige d], houdt het voor mogelijk dat aangeefster uit wraak aangifte heeft gedaan.

De raadsman heeft tenslotte gewezen op de video die is gemaakt door aangeefster. Deze video is volgens hem onduidelijk. Verdachte ontkent dat hij de man is op de video.

Het dossier bevat voorts korte fragmenten uit hulpverleningsrapportages. Volgens de raadsman zijn deze rapporten gebaseerd op oude herinneringen en derhalve minder geloofwaardig. Aangeefster heeft overigens verklaard dat het seksueel misbruik dat ene [een derde] pleegde veel erger was. Wellicht zijn ook ten aanzien van hem herinneringen door elkaar gevloeid met die aan haar vader.

De rechtbank overweegt het volgende. Het is inherent aan de aard van de tenlastegelegde feiten dat doorgaans slechts de verdachte en de aangever over de voorgevallen seksuele handelingen kunnen verklaren. Indien deze verklaringen recht tegenover elkaar staan, zoals hier het geval is, dient te worden bezien of het dossier aanknopingspunten bevat die één van de tegengestelde verklaringen (meer) ondersteunt, waarbij tevens moet worden bezien of daarmee de geloofwaardigheid van de ene verklaring overtuigender is dan de geloofwaardigheid van de andere verklaring.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster geloofwaardig, en daarmee de ontkenning van het tenlastegelegde door verdachte ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt hiertoe dat de aangifte door andere in het dossier aanwezige stukken wordt onderbouwd.

Anders dan de raadsman heeft gesteld heeft de zus van aangeefster, [getuige e], niet verklaard dat zij niets van het seksueel misbruik van aangeefster door verdachte weet. Zij heeft verklaard dat haar zus wel eens iets heeft losgelaten, waaruit [getuige e] opmaakte dat hij dingen deed die niet klopten. [getuige e] heeft verklaard dat zij zelf ook door verdachte is misbruikt. De rechtbank wijst erop dat het door haar omschreven misbruik overeenkomsten vertoond met de wijze waarop dat volgens aangeefster bij haarzelf plaatsvond. Dat [getuige e] haar verklaring later heeft ingetrokken, doet niet af aan de geloofwaardigheid van haar verklaring, nu de reden van dit intrekken blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet is gelegen in de onjuistheid van de verklaring, maar in de omstandigheid dat verdachte volgens [getuige e] nu al lang genoeg had vastgezeten en dat zij niet op haar geweten wilde hebben dat haar zieke vader in de cel zou komen te overlijden. De brief van [getuige e] die de raadsman ter terechtzitting heeft overgelegd is door haar geschreven nadat zij haar verklaring bij de politie wilde intrekken. Hierin ontkent zij dat haar vader seksuele handelingen met haar pleegde. Nu haar verklaring bij de politie op dit punt afwijkt van voornoemde brief, waarbij de rechtbank acht slaat op de reden van intrekking van de verklaring bij de politie, acht de rechtbank de brief van [getuige e] onvoldoende betrouwbaar om de geloofwaardigheid van aangeefster aan te tasten.

Voorts zijn daar de verklaringen van [getuige a] en [getuige c], medewerkers bij het Jongeren Advies Centrum (JAC) te Terneuzen. [getuige a] heeft verklaard dat zij aangeefster in 1995/1996 heeft leren kennen. Zij heeft van aangeefster begrepen dat zij door haar vader seksueel werd misbruikt. [getuige c] heeft dit laatste ook verklaard en zegt dat er gesproken werd over misbruik op het schip. Hetgeen aangeefster hem vertelde kwam op hem serieus over. Dat zij niet gedetailleerd verklaren over de handelingen waaruit het seksueel misbruik heeft bestaan doet naar het oordeel van de rechtbank af aan de omstandigheid dat de verklaringen de aangifte ondersteunen en daarmee de geloofwaardigheid van aangeefster.

De rechtbank wijst in dit kader tevens op de fragmenten uit hulpverleningsrapportages, welke rapportages dateren uit de periode van tijdens en vlak na het misbruik. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van dusdanig oude herinneringen dat deze als minder geloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

Ook de verklaring van getuige [getuige] acht de rechtbank een ondersteuning van de verklaring van aangeefster. Hij heeft verklaard dat aangeefster hem heeft verteld dat haar vader met zijn vinger haar vagina was binnengedrongen. Weliswaar heeft hij verklaard dat aangeefster een rijke fantasie had en alles goed aan elkaar kon liegen, hij heeft ook verklaard dat hij haar zelf nooit op een leugen heeft kunnen betrappen.

Voorts hebben de onderstaande omstandigheden bijgedragen aan de overtuiging van de rechtbank de ontkenning van verdachte niet geloofwaardig te achten. De vriendin van verdachte, mevrouw [vriendin verdachte], heeft bij de politie verklaard dat verdachte een potloodventer is. Zij heeft verklaard dat zij heeft gezien dat hij dingen deed bij kinderen en dat hij dat desondanks altijd tegenover haar ontkend heeft. Zij heeft gezegd dat het allemaal niet goed is wat verdachte heeft gedaan.

Het dossier bevat, naast het proces-verbaal betreffende de onderhavige zaak, tevens een proces-verbaal betreffende een voorval dat op 9 april 2007 plaatsvond. In de [een locatie] zien twee getuigen een man zichzelf aftrekken, terwijl hij naar kinderen staat te kijken. De omschrijving die zij geven van deze man past bij het uiterlijk van verdachte. Zij noteren het kenteken van de auto van de man en dit blijkt te zijn afgegeven op naam van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij daar op die dag is geweest, en dat hij zich daar niet heeft afgetrokken, maar dat hij daar heeft staan urineren. Naar het oordeel van de rechtbank kan geen onduidelijkheid bestaan over het verschil tussen aftrekken en urineren. Verdachtes verklaring dat hij de door de getuigen waargenomen handelingen niet heeft gepleegd acht de rechtbank daarom niet geloofwaardig, hetgeen zijn weerspiegeling heeft op de (on)geloofwaardigheid van verdachtes verklaring dat hij aangeefster niet seksueel heeft misbruikt.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de video-opname die is gemaakt door aangeefster en welke opname ter terechtzitting is afgespeeld. Volgens aangeefster is in de video-opname verdachte te zien, met een kleinkind op schoot. Het filmpje is door aangeefster gemaakt met een digitale camera op 1 januari 2007, toen zij met haar kinderen bij haar zus op bezoek was, terwijl verdachte daar ook was met zijn vriendin. Op het filmpje is een man te zien, die zit op een stoel, met op zijn linkerknie een meisje. Het filmpje is onder tafel opgenomen. Te zien is dat de man wrijvende bewegingen maakt in de schaamstreek met zijn rechterhand. Even later is te zien dat hij zijn penis uit zijn broek haalt en hierover wrijft. Verdachte heeft verklaard dat hij daar wel is geweest op die dag en dat hij inderdaad een kleinkind op schoot heeft gehad, maar dat hij niet de man is op het filmpje. Hij weet niet wie de man wel is. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte ter terechtzitting aan zijn rechterpols een horloge van het merk Seiko droeg, met zilverkleurige plaat en polsband. Op het filmpje is te zien dat de man die de handelingen pleegt een horloge draagt aan de rechterpols, met zilverkleurige plaat en polsband. De rechtbank heeft waargenomen dat dit horloge zeer grote overeenkomst vertoont met het horloge dat verdachte ter terechtzitting droeg. Zij kent hierbij ook betekenis toe aan de omstandigheid dat het horloge zowel bij verdachte als bij de man in het filmpje aan de rechterpols wordt gedragen. Gelet op de verklaring van aangeefster over de aanwezigen op die dag en de verklaring van verdachte dat hij daar was en een kleinkind op schoot heeft gehad, alsmede de overeenkomsten in het dragen van het polshorloge door de man in het filmpje en door verdachte en in de uiterlijke kenmerken van het horloge van de man in het filmpje en dat van verdachte, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verdachte de man in het filmpje is. Dat maakt verdachtes verklaring dat hij niet de man in het filmpje is, ongeloofwaardig, hetgeen zijn weerspiegeling heeft op de (on)geloofwaardigheid van verdachtes verklaring dat hij aangeefster niet seksueel heeft misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde te kunnen komen. Zij acht niet bewezen dat het gedwongen seksueel misbruik, zoals in de tenlastelegging omschreven, plaats heeft gevonden door (bedreiging met) geweld of door andere feitelijkheden om aangeefster te dwingen de seksuele handelingen te ondergaan. De verdachte moet daarom van het onder

1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 december 1991 tot en met 8 februari 1993 te Terneuzen, en/althans (elders) in het arrondissement

Middelburg, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer], hebbende hij, verdachte, telkens opzettelijk ontuchtig zijn, verdachtes, vinger(s) en penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn, verdachtes penis en tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

en

hij in de periode van 9 februari 1993 tot en met 8 februari 1997 te Terneuzen, en/althans (elders) in het arrondissement

Middelburg, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, telkens opzettelijk ontuchtig zijn, verdachtes, vinger(s) en penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn, verdachtes penis en/of tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

2.

hij in de periode van 9 februari 1986 tot en met 30 november 1991 te Terneuzen, en/althans elders in het arrondissement

Middelburg, in elk geval in Nederland (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht telkens hierin dat hij, verdachte, de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of bevoelt, en dat hij, verdachte, die [slachtoffer] diens penis liet bevoelen en/of betasten.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1 subsidiair

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

En

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

2

Ontucht plegen met zijn minderjarige kind.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachtes geestvermogens ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde is gerapporteerd door een gedragsdeskundige. Drs. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog heeft in zijn rapport d.d. 3 juli 2007 gerapporteerd dat geen specifiek psychologisch onderzoek naar een eventuele ziekelijke stoornis van de geestvermogens kunnen plaatsvinden, omdat verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent. Een duidelijke uitspraak omtrent de toerekenbaarheid ten aanzien van de tenlastegelegde feiten van verdachte is volgens Lander daarom niet mogelijk. Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn dochter en heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het misbruik is begonnen toen aangeefster nog zeer jong was en heeft geduurd tot zij 16 jaar was. De rechtbank acht de gepleegde feiten uiterst verwerpelijk en overweegt dat verdachte met het misbuik op brute wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangeefster. Verdachte dacht slechts aan zijn seksuele gevoelens en heeft zijn verantwoordelijkheid als volwassene en als vader geheel uit het oog verloren. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet uit te sluiten dat de psychische schade die aangeefster heeft opgelopen als gevolg van het seksueel misbruik geheel is toe te schrijven aan verdachte, nu het dossier aanwijzingen bevat dat aangeefster door in ieder geval twee andere mannen ook seksueel is misbruikt.

Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 september 2007;

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 27 april 2007 van de Reclassering Nederland, te Middelburg;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 4 september 2007 van de Reclassering Nederland, te Middelburg;

- het psychologisch rapport d.d. 3 juli 2007, opgemaakt door drs. W.J.L. Lander.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Blijkens de rapportages van de reclassering heeft verdachte ook daar de bewezenverklaarde feiten ontkend. Om die reden kan de reclassering geen uitspraak doen omtrent het recidiverisico, omdat de RISc-test wegens de ontkenning geen gewogen score geeft.

De bevindingen van psycholoog Lander omtrent de persoonlijkheid van verdachte worden door de reclassering overgenomen. Volgens de reclassering legt verdachte de verantwoordelijkheid voor de problemen in de familie buiten zichzelf. Hij laat zich weinig vertellen en is overtuigd van zijn eigen gelijk. Gelet op deze houding en zijn ontkenning acht de reclassering een eventueel reclasseringstoezicht moeilijk uitvoerbaar. Een werkstraf is mogelijk.

Verdachte is na de aangifte in een sociaal isolement gekomen, aldus de reclassering.

Op basis van geraadpleegde stukken, het onderzoek naar de levensloop en de gespreksindrukken heeft psycholoog Lander geconcludeerd dat de persoonlijkheid van verdachte wordt gekenmerkt door antisociale trekken, maar deze zijn niet zodanig dat gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis.

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat het ondergaan van een gevangenisstraf voor verdachte zwaarder is dan gemiddeld, gelet op zijn leeftijd en het feit dat hij aan Parkinson lijdt. Verdachte is volgens de reclassering in staat een werkstraf uit te voeren. De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte alles wil doen om niet terug te moeten naar de gevangenis. De raadsman stelt als straf voor een maximale werkstraf, gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een werkstraf. Zij acht een werkstraf daarnaast vanwege de gezondheidstoestand van verdachte niet geschikt. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen. Zij overweegt dat zij bij de bepaling van de hoogte van de straf mede acht zal slaan op de leeftijd en de gezondheidstoestand van verdachte.

Gezien verdachtes houding, zoals omschreven door psycholoog Lander en de reclassering acht de rechtbank het niet zinvol een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daarbij als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht te stellen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 244, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter, mrs. F.C.J.E. Meeuwis en I.E.M. Sutorius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hengst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2007.

Mrs. F.C.J.E. Meeuwis en I.E.M. Woltring zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.