Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB3964

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
57258 / KG ZA 07-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[eiseres] wenst dat [gedaagde] zijn medewerking verleent aan de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving en het transport van de woning te Essen. Als onweersproken staat vast dat de notaris te Kalmthout de gelegenheid heeft geboden de daartoe benodigde akte te laten passeren op 28 maart 2006. Het transport heeft toen echter geen doorgang gevonden door de afwezigheid van [eiseres]. [eiseres] voert als reden voor het onthouden van haar medewerking in feite aan dat [gedaagde] op dat moment aan dwangsommen reeds € 200.000,-- aan haar verschuldigd was, welk bedrag zij mocht verrekenen met het bedrag dat zij wegens overbedeling aan hem verschuldigd was. Nu zij vanwege die verrekening geen geld meer behoefde te storten onder de notaris stond er op genoemde datum door toedoen van [gedaagde] te weinig geld op de rekening bij de notaris, waardoor de doorhaling en het transport geen doorgang konden vinden....

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

Vonnis van 21 mei 2007 in de zaak van:

Kort gedingnr.:59/2007

[eiseres],

wonende te Essen (België),

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

procureur: mr. J.C. Bode-‘t Hart,

advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper,

tegen:

[geda[gedaagde],

wonende te Wemeldinge,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur: mr. J.M. de Jonge.

1. Het verloop van het geding

Partijen worden verder aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

Het dossier bevat de volgende processtukken:

dagvaarding met bijlagen;

conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie;

fax d.d. 9 mei 2007 met producties van mr. Pijls-olde Scheper;

pleitnota zijdens [eiseres].

De feiten

2.1. Partijen zijn gehuwd geweest, welk huwelijk inmiddels door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand is ontbonden.

2.2. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking d.d. 5 januari 2006, welke later is verbeterd bij beschikking d.d. 20 februari 2006, bepaald dat [gedaagde] binnen een maand na de datum waarop de beschikking is gegeven zorg dient te dragen voor doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving bij de ING Bank op de onroerende zaak aan de [adres] te Essen (België), zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat deze doorhaling niet plaatsvindt, met een maximum van € 200.000,--. De rechtbank heeft [eiseres] toegestaan de dwangsommen te verrekenen met de door haar aan [gedaagde] verschuldigde overbedelingsvergoeding van € 170.475,41. Voornoemde beschikkingen zijn op 27 april 2006 aan [gedaagde] betekend.

2.3. Het gerechtshof te Den Haag heeft voornoemde beschikkingen in hoger beroep bij beschikking d.d. 14 februari 2007 bekrachtigd. Door [gedaagde] is c.q. wordt cassatie ingesteld tegen genoemde beschikking van het gerechtshof.

2.4. [notaris] te Kalmthout heeft partijen op 21 maart 2006 een conceptakte toegezonden met daarbij de uitnodiging om die akte te verlijden op dinsdag 28 maart 2006 om 9.00 uur. [gedaagde] heeft, teneinde deze transactie te kunnen afwikkelen, op 23 maart 2006 een bedrag van € 65.000,-- op de rekening van de notaris gestort en een notariële volmacht getekend waarbij hij een medewerker van het kantoor van de notaris machtigde namens hem op te treden bij het passeren van de akte. [eiseres] is op 28 maart 2006 niet verschenen op het kantoor van de notaris.

2.5. [eiseres] heeft op 26 februari 2007 executoriaal beslag doen leggen op de aandelen van de besloten vennootschap van [gedaagde] en op zijn woonhuis.

2.6. Het transport alsmede de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, kort samengevat, veroordeling van [gedaagde] om per ommegaande zorg te dragen voor doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving bij de ING Bank en om binnen een week na de datum van het te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan het transport van de woning te Essen, alles op straffe van een dwangsom.

Zij stelt daartoe dat [gedaagde] de beschikking van de rechtbank Den Haag betreffende doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving niet naleeft waardoor het transport van de woning ook niet kan plaatsvinden. De dwangsommen zijn volgens [eiseres] inmiddels opgelopen tot een bedrag van € 200.000,--.

Ten aanzien van de reconventionele vordering stelt [eiseres] primair dat het spoedeisend belang ontbreekt. Voorts stelt zij dat er geen sprake is van een onmogelijkheid van [gedaagde] om aan de hoofdveroordeling te voldoen en is zij van mening dat een dergelijke vordering dient te worden ingesteld bij de rechtbank Den Haag.

3.2. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij stelt er alles aan gedaan te hebben om ervoor te zorgen dat de doorhaling van de tweede hypotheek en de levering van zijn aandeel in de woning aan [eiseres] op 28 maart 2006 zou kunnen plaatsvinden. Hij verwijst daarbij onder meer naar de door hem overgelegde brief van [notaris]. Het is volgens hem aan [eiseres] te wijten dat genoemde doorhaling en transport destijds niet hebben plaatsgevonden. [gedaagde] betwist voorts, onder verwijzing naar artikel 611a lid 2 Rv, dwangsommen aan [eiseres] verschuldigd te zijn.

In reconventie vordert [gedaagde] opschorting van de tenuitvoerlegging van de op grond van de beschikkingen van de rechtbank Den Haag door [eiseres] gevorderde dwangsommen.

De beoordeling

in conventie

4.1. [eiseres] wenst dat [gedaagde] zijn medewerking verleent aan de doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving en het transport van de woning te Essen. Als onweersproken staat vast dat de notaris te Kalmthout de gelegenheid heeft geboden de daartoe benodigde akte te laten passeren op 28 maart 2006. Het transport heeft toen echter geen doorgang gevonden door de afwezigheid van [eiseres]. [eiseres] voert als reden voor het onthouden van haar medewerking in feite aan dat [gedaagde] op dat moment aan dwangsommen reeds € 200.000,-- aan haar verschuldigd was, welk bedrag zij mocht verrekenen met het bedrag dat zij wegens overbedeling aan hem verschuldigd was. Nu zij vanwege die verrekening geen geld meer behoefde te storten onder de notaris stond er op genoemde datum door toedoen van [gedaagde] te weinig geld op de rekening bij de notaris, waardoor de doorhaling en het transport geen doorgang konden vinden.

4.2. Voor de beoordeling van haar vorderingen in kort geding is van belang of [eiseres] op voornoemde datum terecht een beroep deed op de verrekeningsbevoegdheid. Derhalve dient te worden vastgesteld of [gedaagde] op dat moment reeds een bedrag aan dwangsommen aan [eiseres] verschuldigd was. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent het volgende.

Op grond van de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 5 januari 2006 dient [gedaagde] binnen één maand, te rekenen vanaf de datum van die beschikking, ervoor zorg te dragen dat de tweede hypothecaire inschrijving bij de ING Bank op de onroerende zaak te Essen wordt doorgehaald. Voorts is hij veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat deze doorhaling na 5 februari 2006 niet plaatsvindt, met een maximum van

€ 200.000,--. Tevens is bepaald dat [eiseres] gerechtigd is de verbeurde dwangsommen te verrekenen met het bedrag dat zij aan [gedaagde] verschuldigd is ad € 170.475,41.

Op grond van artikel 611a lid 3 Rv kan de dwangsom echter niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Nu genoemde beschikking pas op 27 april 2006 aan [gedaagde] is betekend kan vooralsnog worden geconcludeerd dat hij op 28 maart 2006 nog geen bedrag aan dwangsommen verschuldigd was aan [eiseres].

[eiseres] heeft op die datum derhalve ten onrechte een beroep op verrekening gedaan en kan het feit dat de doorhaling en het transport toen geen doorgang hebben gevonden niet aan [gedaagde] toerekenen.

4.3. Gelet op het vorenstaande is de voorlopige conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] op 28 maart 2006 heeft voldaan aan de veroordeling in de beschikking d.d. 5 januari 2006 betreffende doorhaling van de tweede hypotheek en het transport van de woning te Essen.

Deze beschikking geldt ook thans nog en namens [gedaagde] is aangegeven dat hij nog steeds bereid is zijn medewerking aan doorhaling en transport te verlenen. Nu gelet op haar eigen stellingen vast staat dat [eiseres] geen medewerking verleent aan doorhaling en transport op grond van haar,vooralsnog onjuist geoordeelde standpunt, dat zij recht heeft op een bedrag aan dwangsommen, heeft [gedaagde] ook na 28 maart 2006 geen dwangsommen verbeurd. Het is immers aan de weigerachtige houding van [eiseres] te wijten dat de doorhaling en het transport nog niet hebben plaatsgevonden. De vorderingen van [eiseres] zullen dan ook wegens een gebrek aan belang worden afgewezen.

in reconventie

4.4. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen is hij vooralsnog van oordeel dat [eiseres] ten onrechte aanspraak maakt op betaling door [gedaagde] van een bedrag aan dwangsommen. Nu [eiseres] inmiddels executoriaal beslag heeft gelegd voor die vermeende vordering, heeft [gedaagde] belang bij zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 438 Rv bevoegd om de tenuitvoerlegging van de dwangsommen op te schorten. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen.

in conventie en in reconventie

4.5. Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

wijst het gevorderde af;

in reconventie

schort de tenuitvoerlegging van de op grond van de beschikkingen van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 5 januari 2006 en 20 februari 2006 door [eiseres] gevorderde dwangsommen op totdat over die verschuldigdheid door de Hoge Raad in cassatie is beslist;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

AIJ