Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB3306

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
11-09-2007
Zaaknummer
56051 HA ZA 07-40
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

4.2 Kloosterboer erkent dat de tussen partijen gesloten Service Agreement in artikel 16 een arbitrageclausule bevat. Deze clausule is volgens haar echter niet van toepassing, nu daarop een uitzondering wordt gemaakt met betrekking tot “injunctive or other provisional relief as necessary or appropriate”. De rechtbank volgt Kloosterboer evenwel niet in haar stellingname dat de aanhangig gemaakte vrijwaringsvordering onder deze uitzondersbepaling kan worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze uitzonderingsbepaling zo te worden uitgelegd dat niettegenstaande een geldige overeenkomst tot arbitrage een partij zich kan wenden tot de gewone rechter in geval van een gerechtelijk bevel dan wel een voorlopige voorziening (vergelijk artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), dus uitsluitend voor kwesties die een spoedeisend karakter dragen. De vrijwaringsvordering van Kloosterboer valt niet onder deze uitzonderingsbepaling.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

56051HA ZA 07-4056051HA ZA 07-4020 juni 2007

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 56051 / HA ZA 07-40

Vonnis in incident van 4 juli 2007

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

KLOOSTERBOER VLISSINGEN V.O.F.,

gevestigd te Nieuwdorp, gemeente Borsele, en haar vennoten:

2. de besloten vennootschap

VRIESVEEM VLISSINGEN B.V.,

gevestigd te Nieuwdorp, gemeente Borsele,

3. de besloten vennootschap

JACZON INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseressen in de vrijwaringszaak,

verweerders in het incident,

procureur: mr. E.H.A. Schute,

advocaat: mr. W.M. van Rossenberg,

tegen

de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

ATLANTSSKIP-EVRÓPA EHF,

gevestigd en kantoorhoudende te Kópavogur, IJsland,

gedaagde in de vrijwaringszaak,

eiseres in het incident,

procureur: mr. J. Wind,

advocaat: mr. H.T. Kernkamp.

Partijen zullen hierna Kloosterboer (enkelvoud) en Atlantsskip worden genoemd.

De procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in vrijwaring;

de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

De feiten.

2.1 Eisers in de hoofdzaak, verder: Merkúr c.s., vorderen in de hoofdzaak (hoofdelijke) veroordeling tot betaling door Kloosterboer van een bedrag van € 85.516,60, vermeerderd met rente en kosten. Merkúr c.s. stellen onder meer dat tijdens door Kloosterboer uitgevoerde (stuwadoors-) werkzaamheden schade is ontstaan aan onderdelen van een aan Merkúr c.s. toebehorende Liebherr-kraan, die vervoerd diende te worden aan boord van het m.s. “Skarnes” van Vlissingen naar IJsland. Merkúr c.s. stellen voorts onder meer dat Kloosterboer voor de ontstane schade aansprakelijk is op basis van onrechtmatige daad.

2.2 Bij vonnis van deze rechtbank van 10 januari 2007 heeft de rechtbank Kloosterboer toegestaan om Atlantsskip in vrijwaring te dagvaarden tegen een daarbij bepaalde dag, teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen.

2.3 In de vrijwaringsprocedure stelt Kloosterboer dat zij haar stuwadoorswerkzaamheden heeft uitgevoerd ingevolge een daartoe met Atlantsskip gesloten Service Agreement. Blijkens artikel 17 van deze Service Agreement zijn op de werkzaamheden van Kloosterboer de zogenaamde NeKoVri-voorwaarden van toepassing, aldus Kloosterboer. Kloosterboer stelt dat Atlantsskip haar op grond van artikel 54 van deze voorwaarden dient te vrijwaren van aanspraken van derden.

2.4 Artikel 16 van voornoemde Service Agreement luidt letterlijk:

“Arbitration

Any controversy or claim arising out of or relating to this Agreement shall be settled by arbitration conducted in Holland at the NAI (Dutch Arbitration Institute) in accordance with the Commercial rules of the Netherlands then in effect, and judgement upon any award renered in such arbitration my be entered in any court having juristiction thereof. Neither party shall be precluded from bringing an action in any court competent juristiction for injunctive or other provisional relief as necessary or appropriate.”

Het geschil in het incident.

3.1 Atlantsskip beroept zich op onbevoegdheid van de rechtbank. Zij stelt dat de vordering van Kloosterboer gebaseerd is op de tussen partijen gesloten Service Agreement. Van deze Service Agreement maakt een arbitraal beding ten gunste van de NAI deel uit. Op grond hiervan is de rechtbank niet bevoegd om van onderhavig geschil kennis te nemen.

3.2 Kloosterboer stelt dat de vordering tot onbevoegdverklaring dient te worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat Atlantsskip reeds op grond van de door haar met Merkúr c.s. gesloten vervoersovereenkomst, waarin onder meer een Himalaya clausule is opgenomen, Kloosterboer moet vrijwaren en dat derhalve Merkúr c.s. in strijd met de met Atlantsskip gesloten overeenkomst Kloosterboer hebben aangesproken. Voorts stelt Kloosterboer dat artikel 16 van de Service Agreement weliswaar voorziet in arbitrage, maar tevens een uitzondering daarop maakt met betrekking tot “injunctive or other provisional relief as necessary or appropriate”. De door Kloosterboer tegen Atlantsskip aanhangig gemaakte vrijwaringsvordering kan onder deze uitzonderingsbepaling worden gebracht, aldus Kloosterboer. Daarnaast voert Kloosterboer aan dat de eisen van juridische doelmatigheid er aan in de weg staan dat Atlantsskip in onderhavig geval een beroep kan doen op de arbitrageclausule. Tenslotte stelt Kloosterboer dat in geval van vrijwaringsprocedures de bevoegdheidsregels gebaseerd op het “gemene” recht gewoonlijk buiten toepassing blijven.

De beoordeling in het incident.

4.1 De vrijwaringsvordering van Kloosterboer tegen Atlantsskip is gebaseerd op de tussen partijen gesloten Service Agreement, meer in het bijzonder artikel 17, waarin op de werkzaamheden van Kloosterboer van toepassing zijn verklaard de NeKoVri (Nederlandse Koel en Vries)-voorwaarden. Kloosterboer stelt dat Atlantsskip haar op grond van artikel 54 van deze voorwaarden dient te vrijwaren van aanspraken van derden.

Met een beroep op dezelfde Service Agreement stelt Atlantsskip dat de rechtbank niet bevoegd is om van de vrijwaringsvordering van Kloosterboer kennis te nemen. In artikel 16 van de Service Agreement is immers bepaald dat “Any controversy or claim arising out of or relating to this Agreement shall be settled by arbitration conducted in Holland at the NAI (Dutch Arbitration Institute)”.

4.2 Kloosterboer erkent dat de tussen partijen gesloten Service Agreement in artikel 16 een arbitrageclausule bevat. Deze clausule is volgens haar echter niet van toepassing, nu daarop een uitzondering wordt gemaakt met betrekking tot “injunctive or other provisional relief as necessary or appropriate”. De rechtbank volgt Kloosterboer evenwel niet in haar stellingname dat de aanhangig gemaakte vrijwaringsvordering onder deze uitzondersbepaling kan worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze uitzonderingsbepaling zo te worden uitgelegd dat niettegenstaande een geldige overeenkomst tot arbitrage een partij zich kan wenden tot de gewone rechter in geval van een gerechtelijk bevel dan wel een voorlopige voorziening (vergelijk artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), dus uitsluitend voor kwesties die een spoedeisend karakter dragen. De vrijwaringsvordering van Kloosterboer valt niet onder deze uitzonderingsbepaling.

4.3 Het voorgaande leidt er in beginsel toe dat de arbitrageclausule in de verhouding tussen Kloosterboer en Atlantsskip heeft te gelden. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Kloosterboer heeft hiertoe slechts aangevoerd dat de eisen van juridische doelmatigheid er aan in de weg staan dat Atlantsskip in het onderhavige geval een beroep zou kunnen doen op de arbitrageregeling. De rechtbank volgt Kloosterboer hierin niet. Niet aannemelijk is dat Kloosterboer bemoeilijkt wordt in de vrijwaringsprocedure als deze door arbiters zou worden behandeld. Bovendien bestaat er niet een dusdanige verknochtheid tussen de reeds aanhangige hoofdzaak (tussen Merkúr en Kloosterboer) en onderhavige vrijwaringsprocedure dat het om proceseconomische redenen zeer onwenselijk is deze zaken te splitsen. Immers, aan de hoofdzaak ligt een vordering uit onrechtmatige daad ten grondslag, tewijl de vrijwaringsvordering van Kloosterboer jegens Atlantsskip is gebaseerd op de tussen partijen bestaande contractuele relatie, meer in het bijzonder de tussen partijen gesloten Service Agreement.

4.4 De stelling van Kloosterboer ten slotte dat in geval van vrijwaringsprocedures de bevoegdheidsregelen gebaseerd op het “gemene” recht gewoonlijk buiten toepassing blijven zal, nu deze in te algemene bewoordingen is gesteld en niet nader is gemotiveerd, worden gepasseerd.

4.5 Voorzover Kloosterboer zich nog heeft willen beroepen op de bepalingen van het cognossement geldt dat dit een verweer is dat beoordeeld dient te worden in het kader van de vrijwaringsprocedure tussen Kloosterboer en Atlantsskip. Het al dan niet bestaan van de gestelde verplichting tot vrijwaring is niet een zaak dat beoordeling verdient in onderhavig incident.

4.6 Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank rechtbank Middelburg niet bevoegd is om van de vrijwaringsvordering kennis te nemen.

4.7 Kloosterboer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

De beslissing.

De rechtbank:

in het incident

wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,

in de vrijwaringszaak

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de vrijwaringszaak kennis te nemen,

in het incident en in de vrijwaringszaak

veroordeelt Kloosterboer in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Atlantsskip tot op heden begroot op nihil aan verschotten en op € 894,-- wegens procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2007.