Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB2323

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
07/733 vv en 07/734 vv
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning. Bouwlaag. Zolderverdieping. Voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/733 VV en 07/734 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toe[plaats]n artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[verzoekers]

verzoekers,

gemachtigde mr. A.C. van Langen, advocaat te Breda,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

gevestigd te Domburg,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluiten van 13 oktober 2005 heeft verweerder bouwvergunningen eerste fase verleend aan [AAAA] (hierna: vergunninghoudster) voor de bouw van een appartementengebouw op het perceel [plaats], kadastraal bekend gemeente Veere, kern [plaats] [sectie X] alsmede voor een appartemente[adres 2]perceel[plaats], kadastraal bekend gemeente Veere, kern [plaats] [sectie Y].

Tegen beide besluiten is bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 18 april 2006 heeft verweerder, voor zover van belang, de bezwaren gegrond verklaard en de besluiten van 13 oktober 2005 herroepen.

Bij besluiten van 27 april 2006 heeft verweerder gewijzigde bouwvergunningen eerste fase voor beide appartementengebouwen verleend. Daarbij is nader aangegeven dat het bouwvergunningen betreft voor appartementengebouwen [adr[adres 2]perceel [adres 2].

Bij uitspraak van 25 augustus 2006 (Awb 06/899 VV) heeft de voorzieningenrechter, voor zover van belang, het tegen de besluiten van 27 april 2006 door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Tevens heeft hij onder meer de voorlopige voorziening getroffen dat de op 13 oktober 2005 verleende bouwvergunningen eerste fase worden geschorst totdat opnieuw op de bezwaren van verzoekers is beslist.

Tegen genoemde uitspraak hebben verweerder en vergunninghoudster hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Vergunninghoudster heeft tevens de Voorzitter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 12 oktober 2006 (LJN: AZ0327) is het verzoek om een voorlopige voorziening door de Voorzitter van de Afdeling afgewezen.

Het hoger beroep is bij uitspraak van 27 juni 2007 (LJN: BA8118) door de Afdeling gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter is vernietigd en het door verzoekers ingestelde beroep tegen de besluiten van 27 april 2006 is niet-ontvankelijk verklaard. In dat kader is onder meer overwogen dat de bij besluiten van 27 april 2006 verleende, gewijzigde bouwvergunningen eerste fase als primaire besluiten op bouwaanvragen zijn aan te merken, waartegen geen beroep openstond. De Afdeling heeft het bij de rechtbank ingediende beroepschrift aan verweerder doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift tegen de besluiten van 27 april 2006 (hierna: de bestreden besluiten).

Hangende de behandeling van het bezwaarschrift door verweerder hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De verzoeken zijn op 14 augustus 2007 behandeld ter zitting. Verzoekers [ verzoekers 1 t/m 4] zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens was voor verzoekers aanwezig [X] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. M.J. Spierdijk, juridisch medewerker bij de gemeente Veere. Voor vergunninghoudster zijn verschenen mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, alsmede M. Dekker.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover daarbij de toetsing door de voorzieningenrechter meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Op grond van artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

3. De bouwplannen betreffen de bouw van twee appartementengebouwen met respectievelijk twaalf appartementen ([adres 1]) en zeven appartementen ([adres 2]). Blijkens de gewijzigde bouwaanvraag van 5 april 2006 zullen de gebouwen bestaan uit drie verdiepingen, te weten: begane grond, eerste verdieping en een als zolderverdieping aangeduide verdieping. In beide gebouwen zullen op de begane grond volledige appartementen gerealiseerd worden. Op de eerste verdieping zijn appartementen voorzien bestaande uit een woon-slaapkamer, keuken en badkamer. De zogenoemde zolderverdiepingen zijn verdeeld in evenzoveel ruimten als het aantal appartementen op de eerste verdieping en deze behoren als zodanig bij de appartementen op de eerste verdieping. De als zolderverdieping aangeduide verdiepingen bestaan per appartement uit een niet nader ingedeelde open ruimte, bereikbaar per vaste trap.

4. De gronden waarop de bouw is voorzien, hebben in het bestemmingsplan “Dishoek” van de voormalige gemeente Valkenisse, 3e herziening, de bestemming EO + M2: ééngezinshuizen in open bebouwing en/of meergezinshuizen in twee lagen met bijbehorende erven.

5. Ingevolge artikel 4 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor woningen en/of appartementengebouwen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken onder nadere in dat artikel genoemde voorwaarden.

6. Volgens artikel 1, onder t, van de planvoorschriften wordt onder bouwlaag verstaan: de begane grond of een verdieping van een gebouw, een onderhuis, zolderverdieping of vliering worden hieronder niet begrepen.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voorts is gesteld dat de in geding zijnde bouwplannen passen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de krachtens dat plan gestelde eisen. Volgens verweerder voldoen de bouwplannen aan onder meer artikel 4 en artikel 1, onder t, van de planvoorschriften nu is voorzien in twee bouwlagen en een zolderverdieping.

8. Verzoekers voeren onder meer aan dat de bovenste verdiepingen van de beide gebouwen zich qua omvang, functie en vormgeving niet zodanig van de overige bouwlagen onderscheiden dat deze als zolderverdiepingen en niet als bouwlaag moeten worden aangemerkt. Aldus voorziet het bouwplan in een derde bouwlaag, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet op de bestemming zijn maar twee bouwlagen toegestaan.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9. De vereiste onverwijlde spoed is gelegen in het feit dat vergunninghoudster op basis van de verleende vergunningen van 27 april 2006 wil gaan bouwen en verweerder de opvatting huldigt dat de bouwplannen niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan.

10. Met betrekking tot de vraag of de in de bouwtekeningen als zolderverdiepingen aangeduide verdiepingen al dan niet als bouwlaag in de zin van artikel 1 onder t, van de bestemmingsplanvoorschriften moet worden aangemerkt, zal de voorzieningenrechter voor de afmetingen en overige kenmerken van bedoelde verdiepingen uitgaan van de vaststelling als vermeld in rechtsoverweging 19 van de uitspraak van 25 augustus 2006. In het kader van het hoger beroep tegen genoemde uitspraak zijn tegen die vaststelling namelijk geen grieven geformuleerd. Die vaststelling komt op het volgende neer.

11. De verdiepingen worden volgens de bouwtekeningen opgericht met twee rechte en twee schuine zijden en een afgeplatte kap. De totale hoogte van de verdieping is in beide gevallen meer dan 5 meter, aanzienlijk meer dan de hoogte van de beide andere verdiepingen van elk 2.60 meter. In het gebouw aan de [adres 1] is elk van de ruimten voorzien van een of meerdere dakkapellen met afzonderlijk dan wel gezamenlijk een totale breedte van bijna 4,5 meter. De binnenwerkse stahoogte in deze dakkapellen is 2.50 meter. Daarnaast zijn de zijmuren van de vier hoekverdiepingen voorzien van een circa 2.50 meter hoge en 90 centimeter brede glazen deur. De effectief bruikbare vloeroppervlakte met volledige stahoogte van de ruimten bedraagt ruim 40 m². In het appartementengebouw aan de [adres 2] zijn alle ruimten voorzien van een dakkapel met een binnenwerkse stahoogte van circa 2.50 meter en een breedte van 1.80 meter en daarnaast zijn in de zijgevels drie ramen voorzien. De effectief te benutten vloeroppervlakte bedraagt daar circa 42 m².

12. Het begrip bouwlaag is in de planvoorschriften omschreven. Daarvan uitgaande is van belang het antwoord op de vraag of de betreffende verdiepingen als een verdieping van een gebouw of als een zolderverdieping in de zin van artikel 1, onder t, van de planvoorschriften zijn aan te merken. In dat kader is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling ter beoordeling of de in het geding zijnde verdiepingen zich qua omvang, functie en vormgeving zodanig van de overige bouwlagen onderscheiden dat zij als een zolderverdieping dienen te worden aangemerkt. Wat de functie betreft is ter beoordeling of de verdieping van zodanige afmetingen en vorm is dat deze zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt kan worden gemaakt.

13. De voorzieningenrechter stelt, aan de hand van hetgeen in overweging 11 is weergegeven, vast dat de betreffende verdiepingen een aanzienlijke omvang en hoogte hebben. Er zijn diverse ramen en de verdiepingen zijn via een vaste trap vanaf de ondergelegen verdieping toegankelijk. Gelet op deze kenmerken is het voorlopige oordeel dat de verdiepingen zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt kunnen worden gemaakt. Hoewel op onderdelen, onder meer wat vormgeving en indeling betreft, sprake is van significante verschillen met de ondergelegen verdiepingen, bieden de stukken, waaronder de bouwtekeningen en de getoonde visuele impressies, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdiepingen als zolderverdiepingen zijn aan te merken. Daarvoor onderscheiden de verdiepingen zich qua omvang, functie en vormgeving in onvoldoende mate van de overige bouwlagen. Er is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook sprake van een verdieping van een gebouw in de zin van artikel 1, onder t, van de planvoorschriften en daarmee van een bouwlaag. De voorzieningenrechter verwerpt overigens de stelling van verweerder en vergunninghoudster dat de zolderverdiepingen niet als bouwlaag in de zin van de planvoorschriften kunnen worden aangemerkt, nu de planvoorschriften bepalen dat een zolderverdieping niet als bouwlaag meetelt. Die stelling vindt geen steun in de jurisprudentie van de Afdeling.

14. De conclusie van het voorgaande is dat in de bouwplannen voor de appartementengebouwen sprake is van drie bouwlagen. De beide bouwplannen zijn aldus in strijd met de ter plaatse geldende bestemming en daarmee met het bestemmingsplan. Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet hadden de bouwvergunningen van 27 april 2006 niet mogen worden verleend.

15. In het licht van het voorgaande heeft de voorzieningenrechter de verwachting dat de bestreden besluiten in bezwaar geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van de bestreden besluiten.

16. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van samenhangende zaken van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen, te weten het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg,

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

treft de voorlopige voorziening dat de op 27 april 2006 verleende bouwvergunningen eerste fase voor de bouw van een appartementengebouw [adres 1]1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veere, kern [plaats] [sectie X] alsmede een appartemente[adres 2]perceel [adres 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veere, kern [plaats] [sectie Y], worden geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de besluiten op bezwaar;

bepaalt dat de gemeente Veere aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van in totaal € 286,-- (tweehonderdzesentachtig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 644,-- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Veere aan verzoekers.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2007 door mr. G.H. Nomes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer als griffier.