Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BB0847

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
06/645, 06/650, 06/1380, 06/1381, 06/1382
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van rechtswege verleende bouwvergunning. Parkeernorm. Interpretatie artikel 2.5.30. Bouwverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 06/645, 06/650, 06/1380, 06/1381 en 06/1382

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Agrimarkt B.V., gevestigd te Wemeldinge en [eiser 2], wonende te Terneuzen,

eiseres en eiser,

gemachtigden mr. K.W.H. Albert (Argrimarkt B.V.) en Retail Bouw Management B.V. ([eiser 2]) vertegenwoordigd door W. Uithol,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

te Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2005 heeft verweerder geweigerd om aan eiser [eiser 2] op diens aanvraag van 22 april 2005 bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van het bedrijfspand [adres ] tot supermarkt omdat niet voldaan kan worden aan het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

Hiertegen hebben eiseres en eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 20 april 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiseres en eiser ongegrond verklaard

Eiseres en eiser hebben tegen dit besluit beroepen ingesteld bij de rechtbank. Eiser [eiser 2] heeft zich voor de aanvulling van zijn beroep geconformeerd aan het aanvullende beroep van eiseres Agrimarkt B.V.

Bij besluit van 14 maart 2006, verzonden 21 maart 2006, heeft verweerder geweigerd om aan eiseres Agrimarkt B.V. op diens aanvraag van 12 december 2006 bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van het bedrijfspand aan de [adres ] tot supermarkt.

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft verweerder medegedeeld dat terzake van de aanvraag van 12 december 2005 niet van rechtswege een bouwvergunning is ontstaan.

Bij besluit van 10 april 2006 heeft verweerder geweigerd om aan eiseres Agrimarkt B.V. om op diens aanvraag van 16 januari 2006 bouwvergunning te verlenen voor plaatsen van een winkelwagenstalling op het perceel [adres ].

Tegen deze besluiten heeft eiseres een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluiten van 21 november 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

De beroepen zijn op 16 april 2007 behandeld ter zitting. Namens eisers is het woord gevoerd door bovengenoemde gemachtigde vergezeld door J. Leenhouts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde N.E.M. van Hurck en G.C. van den Dries. Namens Retailmanagement B.V. is verschenen W. Uithol.

II. Overwegingen

1. De rechtbank heeft aanleiding gezien tot versnelde behandeling van de beroepen. In het navolgende zal de rechtbank eiseres en eiser aanduiden als eiseres.

2. De bestreden besluiten zien op de verbouwing van het pand [adres] tot supermarkt. Voorheen was in dat pand een meubelzaak gevestigd. Aan de weigeringen van de bouwvergunningen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2.5.30 van de bouwverordening.

3. Verweerder is bij de aanvraag van 22 april 2005 uitgegaan van een vloeroppervlak van 3.096 m2 en van een parkeernorm van 6.6 voertuigen per 100 m2 neerkomend op een benodigd aantal parkeerplaatsen van 204. Voor de aanvraag van 12 december 2005 is verweerder uitgegaan van vloeroppervlak van 2.713 m2. Uitgaande van vorengenoemde parkeernorm is verweerder tot een benodigd aantal parkeerplaatsen van 179 gekomen. Bij de vaststelling van het vloeroppervlak is conform laatstgenoemde aanvraag de ruimte van de verdiepingsvloer van het pand buiten beschouwing gelaten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aan de eisen zal kunnen voldoen betreffende het benodigde aantal parkeerplaatsen.

4. Eiseres heeft – samengevat - aangevoerd dat zij met betrekking tot de aanvraag van 12 december 2005 over een van rechtswege verleende bouwvergunning beschikt. Zij meent dat de termijn waarbinnen op deze aanvraag diende te worden beslist is overschreden. De beoordeling van verweerder op dit punt deelt eiseres niet. Ten aanzien van de aanvraag voor de bouw van een winkelwagenstalling is eiseres eveneens van mening dat sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder bij de vaststelling van de parkeernorm ten onrechte is uitgegaan van de norm 6,6 voertuigen per 100m2 bedrijfsvloeroppervlak. Zij is van mening dat de geldende bestemming detailhandel van het pand met de vestiging van de supermarkt geen wijziging zal ondergaan en dat een norm horend bij grootschalige detailhandel van 5.5 of 4.5 voertuigen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak in het onderhavige situatie van toepassing is. Gelet op het aantal beschikbare parkeerplaatsen van 24 zal een tekort van 160 of 126 parkeerplaatsen ontstaan dat haar niet tegengeworpen mag worden omdat de exploitatie van het pand dan onmogelijk zou worden.

Eiseres wijst er op dat verweerder zich in het vooroverleg over de aanvraag op standpunt heeft gesteld dat volstaan zou kunnen worden met 123 parkeerplaatsen. Ten onrechte heeft verweerder niet de mogelijkheid bezien dat op dit punt voorwaarden aan de bouwvergunning verbonden zouden kunnen worden. Van belang acht eiseres dat zij door middel van overeenstemming met derden ten tijde van de ingebruikname van het pand voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zal hebben. Ook is rekening gehouden met de mogelijkheid van parkeren op het openbare terrein behorend bij de kerk van de Evangelische Gemeente. Volgens eisers heeft verweerder voorts nagelaten de mogelijkheid van ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening te bezien.

5. De rechtbank zal allereerst bezien of met betrekking tot de aanvraag van 12 december 2005 van rechtswege een bouwvergunning is ontstaan. Zij overweegt daartoe het volgende.

6. In artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat

het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

In artikel 4:5, vierde lid, van de Awb is bepaald dat een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekendgemaakt wordt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

In artikel 4:15 is bepaald dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

In artikel 46, eerste lid, van de Woningwet (Ww) – voorzover hier van belang - is bepaald dat burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag:

a. ..

b. om een reguliere bouwvergunning: binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag;

c. ..

In artikel 46, tweede lid van Ww is – voorzover hier van belang - bepaald dat burgemeester en wethouders hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eenmaal met ten hoogste zes weken kunnen verdagen.

In artikel 46, derde lid, van de Ww is – voorzover hier van belang – bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

In artikel 46, vierde lid, van de Ww is bepaald dat indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend.

In artikel 47, van de Ww, zoals dit luidde tot 31 maart 2007 is bepaald dat van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, slechts gebruik kan worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt ten hoogste vier weken.

7. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiseres om een reguliere bouwvergunning op 15 december 2005 door verweerder is ontvangen. Bij brief van 12 januari 2006 heeft verweerder eiseres verzocht de aanvraag binnen vier weken aan te vullen met betrekking tot de in deze brief opgesomde punten. Bij brief van 20 januari 2006, ingekomen bij verweerder op 25 januari 2006 heeft eiseres de aanvraag aangevuld. De rechtbank stelt vast dat op 12 januari 2006 de in artikel 47 van de Ww genoemde termijn van vier weken na ontvangst van de aanvraag waarbinnen de aanvrager in de gelegenheid dient te worden gesteld de aanvraag aan te vullen is verstreken. Partijen hebben dit niet betwist. Verweerder heeft hieraan terecht de conclusie verbonden dat hij niet meer bevoegd was de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het vervallen van de in artikel 4:5 van de Awb voorziene bevoegdheid en de daaraan verbonden opschortingstermijn bedoeld in artikel 4:15 van de Awb, anders dan verweerder stelt, tevens in dat de termijn waarbinnen op de bouwaanvraag moet worden beslist niet is opgeschort met de tijd gelegen tussen de dag waarop het verzoek om aanvulling door verweerder is gedaan en de dag waarop de aanvulling van de aanvraag door verweerder is ontvangen. Gelet op de onvoorwaardelijke formulering van de in artikel 47 van de Ww gestelde termijnen, waarin naar artikel 4:5 wordt verwezen, alsmede gelet op de in de Ww gestelde strikte termijnen waarbinnen op een bouwaanvraag dient te worden beslist ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat de hiervoor bedoelde opschortingstermijn van toepassing is, nu verweerder eerst na afloop van de termijn van vier weken eiseres heeft verzocht om aanvulling van de aanvraag.

9. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de termijn waarbinnen verweerder op de op 15 december 2005 ontvangen aanvraag diende te beslissen is geëindigd op 8 maart 2006.

10. Verweerder heeft bij besluit van 14 maart 2006, verzonden 21 maart 2006, op de aanvraag beslist. Op eerstgenoemde datum was verweerder gezien het vorenstaande niet meer bevoegd om op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen. Het bestreden besluit van 21 november 2006 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep daartegen is gegrond. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb eveneens het besluit van 14 maart 2006 te vernietigen.

11. In verband hiermee behoeft hetgeen eiseres heeft opgemerkt met betrekking tot de datum van ontvangst door verweerder van de nog ontbrekende stukken geen bespreking. De rechtbank stelt verder vast dat gezien het vorenstaande eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit van 21 november 2006 met betrekking tot het oordeel van verweerder over het bestaan van een rechtswege verleende bouwvergunning. De rechtbank zal dat beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

12. Met betrekking tot het bestreden besluit van 20 april 2006 overweegt de rechtbank het volgende.

13. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en sub b, van de Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd, indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120.

In artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening is bepaald dat indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

14. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2003 (LJN: AF 7628) volgt dat een redelijke uitleg van voornoemd artikel uit de bouwverordening met zich brengt dat voldoende aannemelijk moet zijn dat de benodigde parkeerplaatsen uiterlijk ten tijde van de ingebruikneming van het bouwwerk beschikbaar zullen zijn. De rechtbank volgt die uitleg.

15. Ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen is de rechtbank uit de stukken gebleken dat ten behoeve van het in geding zijnde pand 40 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Eisers hebben gewezen op hun onderhandelingen met de Evangelische gemeente in Terneuzen over parkeerruimte en de ruimte bij de naburige ondernemingen Clavis en De Hoop. De rechtbank heeft vastgesteld dat met de Evangelische gemeente geen overeenstemming is bereikt over een terrein waarop 55 parkeerplaatsen gerealiseerd zouden kunnen worden. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de 40 beschikbare parkeerplaatsen bij de onderneming Clavis slechts bezwaarlijk in gebruik kunnen worden genomen vanwege te verwachten problemen met verkeersveiligheid. Ten aanzien van de onderneming De Hoop heeft verweerder gesteld dat deze onderneming geen permanente parkeerplaatsen wenst. Eiseres heeft deze stellingen van verweerder niet bestreden.

16. De rechtbank acht derhalve voldoende aannemelijk geworden dat eiseres niet aan het gestelde in de Bouwverordening zal kunnen voldoen, noch in het geval dat van door verweerder gestelde parkeernorm wordt uitgegaan, noch in het geval indien van de door eisers gewenste parkeernorm wordt uitgegaan. In dit licht bezien kon verweerder terecht niet toekomen aan de mogelijkheid van ontheffing bedoeld in artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Van de in dit artikel bedoelde bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht besloten tot weigering van de bouwvergunning op grond van het bepaalde in artikel 44 eerste lid, aanhef en sub b, van de Woningwet. Het beroep van eiseres dient ongegrond verklaard te worden.

18. Met betrekking tot het bestreden besluit ten aanzien van de weigering door verweerder om bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een winkelwagenstalling overweegt de rechtbank het volgende.

19. Blijkens de stukken geldt ingevolge het geldende bestemmingsplan “Zuid” ter plaatse waar de bouw van de winkelwagenstalling wordt beoogd de bestemming “Algemene en maatschappelijke voorzieningen”. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze bestemming beoogt voorzieningen te realiseren waar een ieder deel aan kan hebben en die op de maatschappij betrekking heeft. De stalling voldoet volgens verweerder niet aan dit criterium omdat deze slechts ter beschikking zal staan van winkelend publiek.

20. De rechtbank deelt dit standpunt. Zij is gelet hierop van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de winkelwagenstalling slechts met toepassing van vrijstelling van het bestemmingsplan gerealiseerd zal kunnen worden.

21. Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid van de Ww zal derhalve van een rechtswege verleende bouwvergunning, zoals eiseres heeft gesteld, geen sprake kunnen zijn. Het beroep van eiseres op dit punt dient eveneens ongegrond verklaard te worden.

22. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2006 met kenmerk 17203 ongegrond;

verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 met kenmerk 6506 gegrond;

vernietigt dit bestreden besluit;

vernietigt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het besluit van 14 maart 2006;

verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 met kenmerk 17474 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 met kenmerk 6506 (winkelwagenstalling) ongegrond;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door gemeente Terneuzen aan eiseres;

bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,- (tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2007 door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: