Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA8866

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
12/715104-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Middelburg heeft een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast. De verdachte is in maart 2007 Woonstichting Hulst binnengelopen en heeft zichzelf overgoten met een brandbare vloeistof. Hij had een aansteker in de hand en heeft mensen bedreigd met een bijl. In zijn woning zou hij een poging hebben gedaan een ontploffing te veroorzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 4 juli 2007

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 13 maart 2007

Datum voorlopige hechtenis: 16 maart 2007

Schorsing/opheffing voorlopige hechtenis: n.v.t.

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] te [plaats],

[adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam penitentiaire inrichting].

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. V.C. Serrarens, advocate te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 juni 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.C.P. Rammeloo en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook wanneer dat inhoudt een behandeling door Emergis. De officier van justitie heeft voorts ten aanzien van het beslag gevorderd dat de fiets, de gsm en de computerkast worden teruggegeven aan verdachte en dat de haspel wordt verbeurdverklaard.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, ter voorbereiding van het misdrijf om in het kantoor van de woonstichting Hulst aan het Godsplein opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, opzettelijk in dat kantoor een aansteker en lampolie en/of terpentine, in elk geval een brandbare vloeistof, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], die zich in het kantoor van de woonstichting Hulst aan het Godsplein bevond(en), een brandbare vloeistof over zichzelf en/of de vloer van dat kantoor gegoten en (daarbij) een aansteker in zijn hand gehouden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of de Woonstichting Hulst te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Woonstichting Hulst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd, dat hij, verdachte, onverschuldigde huur aan de Woonstichting Hulst had betaald en dat hij dat geld terug wilde hebben, waarbij hij dreigend een bijl aan die [slachtoffer 4] heeft getoond en/of naar die [slachtoffer 4] heeft opgeheven en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd, dat het niet erg slim was om iemand, die zo'n bijl in bezit had, geen gelijk te geven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of in het bijzijn van die [slachtoffer 4] met een bijl op een werktafel heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 3 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 4] een bijl getoond en/of een bijl naar die [slachtoffer 4] opgeheven en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 4] gezegd, dat het niet erg slim was om iemand, die zo'n bijl in bezit had, geen gelijk te geven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of in het bijzijn van die [slachtoffer 4] met een bijl op een werktafel geslagen;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om in een woning aan de [adres] opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, met dat opzet in een magnetron in de woonkamer van die woning twee spuitbussen met insecticide en een busje met aanstekergas geplaatst en die magnetron aangesloten op een in werking zijnde tijdschakelaar, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 4 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, ter voorbereiding van het misdrijf om in de woning aan de [adres] opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daar gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, opzettelijk in die woning een (ingeschakelde) magnetron en twee spuitbussen met insecticide en een busje met aanstekergas en een tijdschakelaar, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

en voor zover terzake het onder 4 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, een voorwerp, te weten een magnetron met daarin twee spuitbussen met insecticide en een busje met aanstekergas, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in een woning aan de [adres], heeft achtergelaten of geplaatst, met het oogmerk (een) ander(en) ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

art 142a lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 4 meer subsidiair telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, gegevens heeft doorgegeven, met het oogmerk (een) ander(en) ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was, waardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, immers heeft hij, verdachte, tegenover (een) politieambtena(a)r(en) verklaart dat er in een woning aan de [adres] een magnetron stond, waarin spuitbussen met insecticide en een busje met aanstekergas waren geplaatst, welke middels een tijdschakelaar die dag omstreeks 20.00 uur zou worden ingeschakeld en tot ontploffing zou worden gebracht;

art 142a lid 2 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte door middel van een bijl [slachtoffer 4] heeft proberen te dwingen tot afgifte van geld. Verdachte voerde een discussie met [slachtoffer 4], aanvankelijk over de ontruiming van de woning, daarna over teruggave van betaalde huurpenningen. Verdachte heeft de bijl bij de steel vastgepakt op het moment dat hij geïrriteerd raakte door het gedrag van [slachtoffer 4]. Hij sloeg met de bijl op tafel toen [slachtoffer 4] vervolgens ook nog een telefoontje aannam. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat het dreigen met de bijl was gericht op het verkrijgen van geld. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de onder 3 primair tenlastegelegde afpersing.

De rechtbank acht tevens niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd een ontploffing teweeg te brengen in de woning aan de [adres]. Zij overweegt hieromtrent als volgt.

In het proces-verbaal van technisch onderzoek door de technische recherche wordt het volgende verklaard: “Aan de achterzijde van de magnetron zagen wij een elektriciteitssnoer met aan het uiteinde een aangegoten stekker. Dit betrof een fabrieksmatig aangebracht snoer. Deze stekker was niet aangesloten op een wandcontactdoos of een verlengsnoer. Door ons werden geen sporen van manipulatie of schade waargenomen aan het snoer of de stekker.” (dossierpagina 162). De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de stekker eruit getrokken is door iemand van het Explosieven Opruimingscommando. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze stelling geen steun in het dossier. Zij verwijst naar het proces-verbaal van technisch onderzoek, zijnde een weergave van een telefonisch gesprek met de adjudant van het Explosieven Opruimingscommando, waaruit slechts blijkt dat de stekker uit de zwarte tijdschakelaar is getrokken (dossierpagina 211).

De rechtbank heeft daarom niet kunnen vaststellen dat de magnetron door middel van de haspel met verlengsnoer aangesloten is geweest op het elektriciteitsnet en concludeert dat verdachte een ondeugdelijk middel heeft gebruikt bij de uitvoering van zijn voornemen om een ontploffing teweeg te brengen. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de onder 4 primair tenlastegelegde poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2,

3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, ter voorbereiding van het misdrijf om in het kantoor van de woonstichting Hulst aan het Godsplein opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, opzettelijk in dat kantoor een aansteker en lampolie en/of terpentine, in elk geval een brandbare vloeistof, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], die zich in het kantoor van de woonstichting Hulst aan het Godsplein bevond(en), een brandbare vloeistof over zichzelf en/of de vloer van dat kantoor gegoten en (daarbij) een aansteker in zijn hand gehouden;

3 subsidiair.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 4] een bijl getoond en/of een bijl naar die [slachtoffer 4] opgeheven en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 4] gezegd, dat het niet erg slim was om iemand, die zo'n bijl in bezit had, geen gelijk te geven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of in het bijzijn van die [slachtoffer 4] met een bijl op een werktafel geslagen;

4 subsidiair.

hij op of omstreeks 13 maart 2007, in de gemeente Hulst, ter voorbereiding van het misdrijf om in de woning aan de [adres] opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, opzettelijk in die woning een (ingeschakelde) magnetron en twee spuitbussen met insecticide en een busje met aanstekergas en een tijdschakelaar, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de onder 3 subsidiair tenlastegelegde bedreiging niet bewezen kan worden, nu de [slachtoffer 4] zich in eerste instantie niet bedreigd heeft gevoeld en dat alleen de slaande beweging met de bijl onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van bedreiging te komen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij acht voldoende aannemelijk dat [slachtoffer 4] zich bedreigd heeft gevoeld door de wijze waarop verdachte met de bijl omging. Van het niet langer vasthouden van de bijl bij de kop maar bij de steel gaat, zoals verdachte zelf erkent, een dreigende werking uit, zeker in een pittige discussie en in een situatie waarin verdachte zich heeft overgoten met een brandbare vloeistof en een aansteker in zijn hand heeft. Dat geldt in nog sterkere mate voor het slaan met de bijl op tafel. De aanwezigheid van de politie doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de dreiging die uitging van verdachte. [Slachtoffer 4] heeft ook verklaard dat hij zich op enkele momenten bedreigd voelde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2,

3 subsidiair en 4 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. Bedreiging met brandstichting.

3 subsidiair. Bedreiging met zware mishandeling.

4 subsidiair. Voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft verschillende strafbare feiten gepleegd. Voor alle feiten geldt dat hij hiermee grote beroering heeft veroorzaakt. Door zichzelf met een brandbare vloeistof te overgieten en een aansteker in de hand te houden heeft hij niet slechts voorbereidingshandelingen getroffen voor een misdrijf waarvan de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn, maar tevens heeft hij op die manier [slachtoffers 1, 2 en 3] op zodanige wijze bedreigd dat dit zijn werkplek moest ontvluchten. [Slachtoffer 4] heeft hij vervolgens met een bijl bedreigd. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke bedreigingen nog voor lange tijd voor angstgevoelens bij betrokkenen kunnen zorgen. Daarnaast heeft verdachte door in zijn huis een ontploffing voor te bereiden grote commotie in de buurt veroorzaakt. De politie heeft uitzonderlijke maatregelen genomen om de tikkende tijdbom tijdig uit te schakelen. In de buurt zijn woningen ontruimd en is het gas en de elektricititeit voor enkele uren afgesloten geweest.

Door zijn handelwijze heeft verdachte niet alleen zijn eigen leven in gevaar gebracht, maar ook voor sterke gevoelens van onrust bij omwonenden gezorgd. De rechtbank acht deze feiten zeer ernstig.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2007;

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 16 maart 2007 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg;

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport d.d. 23 mei 2007 van

dr. J. Suithoff, forensisch psychiater;

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 23 mei 2007 van

drs. J.J. van der Weele, psycholoog;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 31 mei 2007 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg.

Uit de over verdachte uitgebrachte rapportages blijkt dat hij na een moeilijke jeugd en een tijd op straat te hebben geleefd terecht is gekomen in Zeeland. Verdachte heeft verschillende keren getracht suïcide te plegen. Volgens de psychiater Suithoff lijdt verdachte aan een seizoensgebonden recidiverende depressieve stoornis en van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken ten gevolge van een in affectieve zin ernstige deficiënte jeugdomgeving. Psycholoog Van der Weele wijst op een depressief toestandbeeld, persoonlijkheidsproblematiek met narcistische kenmerken, gebrek aan basisvertrouwen in anderen en zijn omgeving en als gevolg daarvan de keuze om te leven zoveel mogelijk los van anderen. Beiden komen tot de conclusie dat de feiten in licht verminderde tot verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank volgt deze conclusie.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet tevens aanleiding voor een deels voorwaardelijke straf. Zij zal daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de aanwijzingen die hem door of namens de Reclassering Nederland zullen worden gegeven. De rechtbank heeft hiervoor onder meer gelet op het voorlichtingsrapport, waaruit blijkt dat de kans op recidive aanwezig is. Daarnaast vermeldt het rapport dat het reclasseringstoezicht kan inhouden dat verdachte contact moet onderhouden met Emergis. De rechtbank acht dit zinvol, nu op die wijze, zo nodig door middel van ambulante dagbehandeling, niet alleen het recidiveriscio wordt teruggebracht, maar ook de depressieve stoornis en de persoonlijkheidsstoornis kunnen worden behandeld en verdachte meer inzicht in zijn ziekte krijgt.

Beslag

Met betrekking tot de in beslaggenomen voorwerpen, te weten de fiets, de gsm en de computerkast, acht de rechtbank verdachte degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen aan verdachte gelasten.

Het in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de haspel, is vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien met betrekking tot dit voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde is begaan. Voornoemd voorwerp zal daarom verbeurd worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 46, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

de veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, unit Middelburg, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook wanneer dat inhoudt dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Emergis.

Zij verstrekt aan de Reclassering Nederland de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de genoemde bijzondere voorwaarde.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, te weten de fiets, de gsm en de computerkast.

Zij verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de haspel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. Klarenbeek, voorzitter,

mrs. I.J.M. Woltring en D. Verboom, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Ruiter als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2007.

Mr. Verboom is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.