Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA4782

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
06/1074
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BC3626, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling visvergunning. Schorsing visvergunning is geen punitieven sanctie maar een herstelmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 06/1074

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

VOF Zeevisserijbedrijf Cornelia,

gevestigd te Breskens,

eiseres,

gemachtigde mr. J.M.E. Schieman, advocaat te Middelburg,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

te Den Haag,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2006 heeft verweerder de visvergunning voor het visserijvaartuig van eiseres, BRU-14 ‘Cornelia’, met ingang van 24 april 2006 voor een periode van drie weken geschorst.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zij heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 24 april 2006 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 23 augustus 2006 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Het beroep is op 15 februari 2007 ter zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak met kenmerk 06/1075. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Nagel. Ter zitting is het onderzoek in de zaak gesloten.

II. Overwegingen

1. Het besluit van 13 april 2006 om de visvergunning te schorsen, is genomen naar aanleiding van het feit dat op 30 maart 2006 tijdens een visserijcontrole binnen de visserijzone van het Verenigd Koninkrijk aan boord van het bij eiseres in eigendom zijnde visserijvaartuig BRU-14 ‘Cornelia’ zowel in het net aan bakboordzijde als in het net aan stuurboordzijde een zogeheten binnenkuil is aangetroffen.

2. Bij onherroepelijk vonnis van 31 maart 2006 van de Engelse strafrechter te Dover zijn eiseres en de schipper van het vaartuig veroordeeld tot een geldboete van respectievelijk € 11.376,-- en € 18.100,--. Voorts zijn de in beslag genomen vis, vier binnenkuilen alsmede twee boorkorren met netten en toebehoren verbeurd verklaard.

3. In geschil is of het bestreden besluit waarbij verweerder de schorsing heeft gehandhaafd, op goede gronden is genomen. In het bijzonder is de vraag aan de orde of de schorsing als een punitieve maatregel of als een herstelmaatregel is te beschouwen.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat de schorsing, gelet op de strekking van de voorziening, een punitieve maatregel is. De schorsing heeft volgens eiseres niet tot gevolg dat daardoor de legale toestand wordt hersteld maar het gaat om het toebrengen van leed in de zin van geïndividualiseerd concreet nadeel. Van gerichtheid op het ongedaan maken van ecologische effecten is geen sprake. Het gebruik van de netvoorziening heeft tot doel meer maatse vis te vangen. Deze vis slipt zonder de voorziening gemakkelijk door het net. Voor zover met de voorziening ondermaatse vis wordt gevangen, wordt deze terug gezet en er treedt aldus geen ecologische schade op. Met de maatregel is dan ook een straf opgelegd. Daarvan uitgaande is onder meer gesteld dat de overtreding bij vonnis van 31 maart 2006 strafrechtelijk is afgedaan waardoor het Openbaar Ministerie geen bevoegdheid toekomt eiseres in Nederland te vervolgen. Voorts is aangevoerd dat de Visserijwet 1963 niet voorziet in bestuursrechtelijke handhaving in de zin van het opleggen van een punitieve sanctie. Gelet op het punitieve karakter van de maatregel is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van toepassing. Als gevolg van de maatregel is de concurrentiepositie ten opzichte van andere bedrijven in de sector benadeeld. Dit kan betekenen dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar komt. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling door de Engelse rechter had verweerder van het opleggen van de maatregel kunnen afzien. De door de schorsing opgetreden schade is begroot op € 43.785,-- en het verzoek is verweerder tot betaling van dit bedrag te veroordelen.

5. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de toelichting bij de wijziging van de Regeling visvergunning, gesteld dat er sprake is van een herstelsanctie. De maatregel is gericht op het compenseren van de gevolgen van de overtreding en niet op leedtoevoeging. Het gaat om het ongedaan maken van de ecologische effecten van het vissen met een verboden netvoorziening. Er is teveel vis gevangen van te kleine afmetingen en ter compensatie mag tijdens de schorsing niets worden gevangen waardoor het bestand rust wordt gegund. Door het vissen met de verboden voorziening krijgt minder net aan de maat zijnde vis de kans ouder te worden, hetgeen nadelige gevolgen voor de visstand heeft. Het gaat tevens om het terugdraaien van het economisch voordeel dat is behaald. Het tegengaan van het gebruik van verboden netvoorzieningen is een regel van gemeenschappelijk visserijbeleid waartoe artikel 25 van EG-verordening 2371/2002 verplicht. De lidstaten hebben vrijheid in de keuze van de maatregel. Gelet op de strafrechtelijke vervolging in Engeland is gekozen voor de kortst mogelijke periode van schorsing.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op grond van artikel 25 van EG-Verordening 2371/2002 dienen lidstaten bij overtreding van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen te treffen overeenkomstig hun nationale recht. In deze zaak gaat het om de Visserijwet 1963 en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften.

Volgens artikel 3, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 is de minister bevoegd in het belang van de visserij regelen te stellen:

a. ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden;

b. ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling technische maatregelen 2000 bepaalt dat het verboden is voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen, tenzij dit is toegestaan op grond van artikel 16 van EG-Verordening nummer 850/98.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling visvergunning kan de minister de visvergunning voor een bepaalde periode schorsen of intrekken indien naar het oordeel van de minister met het vissersvaartuig de visserij kennelijk is uitgeoefend in strijd met onder andere de artikelen 2 tot en met 4 van de Regeling technische maatregelen 2000.

Artikel 3, vierde lid, van de Regeling visvergunning luidt:

De periode bedoeld in het derde lid is niet korter dan 3 weken en niet langer dan 8 weken en wordt vastgesteld afhankelijk van de ernst en omvang van de overtreding.

De toelichting bij de Wijziging Regeling visvergunning (10 juni 2005, nr. TRCJZ/ 2005/1822, gepubliceerd: Staatscourant 14 juni 2005, nummer 112, pagina 12) luidt, voor zover van belang:

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Regeling visvergunning heeft de minister de bevoegdheid om bij bepaalde overtredingen de visvergunning te schorsen of in te trekken. Met de onderhavige wijziging van de Regeling visvergunning wordt deze bevoegdheid geconcretiseerd. Met het oog op de rechtszekerheid wordt de minimum- en maximumtermijn voor het schorsen of intrekken vastgesteld. Binnen deze grenzen kan de minister naar gelang de ernst en omvang van de overtreding de vergunning voor een bepaalde periode schorsen of intrekken. Uitgangspunt is dat de maatregel die wordt getroffen naar aanleiding van een overtreding zwaar genoeg is om de gevolgen van de overtreding te compenseren.

8. De rechtbank stelt vast dat de overtreding als zodanig geen onderwerp van geschil is. Er is sprake geweest van een overtreding van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling technische maatregelen 2000. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling visvergunning bevoegd was om de visvergunning voor een bepaalde periode te schorsen. Dit is een vorm van bestuursrechtelijke handhaving waar de Visserijwet 1963 in voorziet. De rechtbank stelt vast dat verweerder de minimumtermijn van schorsing van drie weken heeft opgelegd.

9. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een punitieve sanctie indien is voldaan aan de maatstaven die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn ontwikkeld ter bepaling of sprake is van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 van het EVRM. Volgens de uitspraak van het EHRM van 13 december 2005, LJN: AV3572, zijn de classificatie van de overtreding naar nationaal recht, de aard van de overtreding en het doel, de aard en de ernst van de opgelegde maatregel criteria om te bepalen of een sanctie als ‘criminal’ en daarmee als punitief is aan te merken. Voorts zijn de nationale juridische kwalificatie van de maatregel, de vraag of de maatregel is opgelegd na een veroordeling voor een strafrechtelijk vergrijp en de aard van de procedures die aan de orde zijn bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van de maatregel bij de beoordeling van belang.

10. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schorsing van relatief korte duur die na 15 dagen na de overtreding op 30 maart 2006 is opgelegd. Met het schorsen van een visvergunning is blijkens de hiervoor vermelde toelichting beoogd de gevolgen van de overtreding te compenseren. Door verweerder is onweersproken gesteld dat die gevolgen er uit hebben bestaan dat door het teveel aan gevangen vis van te kleine afmetingen, minder net aan de maat zijnde vis de kans krijgt ouder te worden, hetgeen nadelige gevolgen voor de visstand heeft. De rechtbank beoordeelt dit als een aannemelijk gevolg van het vissen met een voorziening als hier aan de orde. Dat met de maatregel afschrikking door middel van leedtoevoeging is beoogd, is de rechtbank niet gebleken.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het met een schorsing van een visvergunning optreden tegen het vissen met een verboden voorziening, een vorm van bestuurlijk toezicht is ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden. De maatregel is niet gericht op leedtoevoeging en deze is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet van punitieve aard. Het feit dat de maatregel een negatief effect heeft op de bedrijfsvoering van eiseres maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank kwalificeert de schorsing derhalve als een herstelmaatregel.

12. In de Regeling visvergunning heeft verweerder voor de uitoefening van de bevoegdheid om een visvergunning bij bepaalde overtredingen te schorsen, beleid geformuleerd. De rechtbank beoordeelt dit beleid als niet onredelijk. Vast staat dat verweerder overeenkomstig dit beleid heeft gehandeld. Gelet op de hiervoor vermelde feiten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, van zijn bevoegdheid gebruik gemaakt. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

13. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder het besluit van 13 april 2006 met het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. Uitspraak

De rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2007 door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.