Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA2926

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
51485 HA ZA 06-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

2.2. Tegenover het verweer van [gedaagde] bij conclusie van antwoord, inhoudende dat hij nimmer contact heeft gehad met Poppe en dat hij nimmer een opdracht heeft gegeven, stelt Poppe vervolgens bij repliek – en onweersproken bij dupliek – dat [gedaagde] rond 15 maart 2005 met [M.] en [V.] bij hem is geweest, dat zij naar bedrijfswagens hebben gekeken, en tot zaken zijn gekomen. Tevens stelt Poppe – eveneens onweersproken – dat [V.] de koopovereenkomsten heeft getekend omdat [V.] volgens [gedaagde] en [M.] geldschieter en tekeningsbevoegde was. Evenmin weerspreekt [gedaagde] dat hij een paar dagen later contact heeft opgenomen met Poppe om wijzigingen door te geven. Nu [gedaagde] niet ter zitting is verschenen, en hieromtrent dus geen andere informatie heeft kunnen geven, gaat de rechtbank er van uit dat de door Poppe geschetste gang van zaken de juiste is.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

51485HA ZA 06-8251485HA ZA 06-8228 maart 2007

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 51485 / HA ZA 06-82

Vonnis van 14 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTO POPPE ZEEUWS VLAANDEREN B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

eiseres,

procureur mr. N.A. Koole,

tegen

[gedaagde],

wonende te Terneuzen,

gedaagde,

procureur mr. M. Harte.

Partijen zullen hierna Poppe en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 12 juli 2006.

De in dat tussenvonnis bepaalde comparitie van partijen heeft niet plaatsgevonden.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Daags voor de comparitiezitting heeft de raadsman van [gedaagde] per faxbrief verzocht de comparitie aan te houden. [gedaagde] zou verhinderd zijn wegens dringende werkzaamheden bij zijn werkgever. De rechtbank heeft bij brief van 8 september 2006 verzocht om nadere onderbouwing, zo mogelijk met stukken, van de reden van verhindering van [gedaagde]. Bij faxbrief van 16 oktober 2006 heeft de raadsman van [gedaagde] de rechtbank verzocht een datum voor vonnis te willen bepalen. Een nadere onderbouwing van de reden van verhindering van [gedaagde] is achterwege gebleven. Uit het zonder nadere onderbouwing niet-verschijnen van [gedaagde] ter terechtzitting zal de rechtbank de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

2.2. Tegenover het verweer van [gedaagde] bij conclusie van antwoord, inhoudende dat hij nimmer contact heeft gehad met Poppe en dat hij nimmer een opdracht heeft gegeven, stelt Poppe vervolgens bij repliek – en onweersproken bij dupliek – dat [gedaagde] rond 15 maart 2005 met [M.] en [V.] bij hem is geweest, dat zij naar bedrijfswagens hebben gekeken, en tot zaken zijn gekomen. Tevens stelt Poppe – eveneens onweersproken – dat [V.] de koopovereenkomsten heeft getekend omdat [V.] volgens [gedaagde] en [M.] geldschieter en tekeningsbevoegde was. Evenmin weerspreekt [gedaagde] dat hij een paar dagen later contact heeft opgenomen met Poppe om wijzigingen door te geven. Nu [gedaagde] niet ter zitting is verschenen, en hieromtrent dus geen andere informatie heeft kunnen geven, gaat de rechtbank er van uit dat de door Poppe geschetste gang van zaken de juiste is.

2.3. Op grond van het onder 2.2. overwogene staat vast dat [gedaagde] rechtstreeks betrokken is geweest bij het maken van afspraken met Poppe met betrekking tot de aanschaf van bedrijfswagens met toebehoren voor het door [gedaagde] op te richten bedrijf Cohesa. Tevens staat vast dat hij tegenover Poppe ten minste de schijn heeft gewekt dat [V.] bevoegd was namens Cohesa de overeenkomsten met Poppe te tekenen. Door daarna met Poppe contact op te nemen om wijzigingen door te geven heeft [gedaagde] dit naar het oordeel van de rechtbank nog bevestigd. De door [V.] getekende overeenkomsten binden derhalve [gedaagde] als oprichter van Cohesa. Gesteld noch gebleken is dat de wijzigingen die Poppe naar aanleiding van het contact met [gedaagde] vervolgens in de contracten heeft aangebracht niet overeenkomstig het besprokene zijn. De rechtbank concludeert dat Poppe en [gedaagde] daarover dus mondeling overeenstemming hadden bereikt. [gedaagde] kan zich er dan nu niet op beroepen dat de handtekening die onder de aangepaste contracten staat niet de zijne is. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] eveneens gebonden is aan de nieuwe koopovereenkomsten die op 17 maart 2005 al dan niet door hem zijn ondertekend.

2.4. Ten aanzien van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden overweegt de rechtbank het volgende. Onweersproken is dat de algemene voorwaarden bij de nieuwe koopovereenkomsten zijn geleverd, derhalve vóór de annulering. Ook als juist zou zijn dat niet [gedaagde] maar [V.] die koopovereenkomsten heeft ondertekend, dan heeft [V.] als vertegenwoordiger van [gedaagde] van die algemene voorwaarden kennis kunnen nemen. Niet valt in te zien dat deze algemene voorwaarden [gedaagde] dan niet zouden binden. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

2.5. De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van [gedaagde] dat artikel 16 van de algemene voorwaarden als onredelijk bezwarend dient te worden aangemerkt. [gedaagde] suggereert zonder nadere onderbouwing dat Poppe de geannuleerde bestellingen hoogswaarschijnlijk aan een ander heeft verkocht. De rechtbank overweegt dat Poppe geen aanspraak maakt op het volledige bedrag dat zij op grond van haar algemene voorwaarden zou mogen vorderen, maar dat zij haar vordering van € 8.692,59 in hoofdsom heeft beperkt tot € 5.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank overschrijdt dit bedrag geenszins, zoals [gedaagde] stelt, de grenzen van redelijkheid temeer daar ook al zou Poppe alle bestellingen hebben kunnen doorverkopen, dit toch met de nodige verkoopinspanningen gepaard moet zijn gegaan, met alle kosten van dien.

2.6. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de vordering van Poppe toewijzen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan Poppe tegen kwijting te betalen de som van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag der dagvaarding tot die der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding welke aan de zijde van Poppe tot aan dit moment worden begroot op € 296,-- wegens griffierecht, € 84,18 wegens overige verschotten en € 768,-- wegens procureurssalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.