Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA2918

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
52339 HA ZA 06-194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

3. Het geschil in het incident

3.1. [B.H.M.] en Slingsby beroepen zich op de onbevoegdheid van deze rechtbank voor zover het betreft de vordering ter hoogte van $ 15.923.404,52; de bevoegdheid van deze rechtbank ter zake van de Short Term Loan Agreement wordt erkend. Zij verwijzen daarbij primair naar het arbitraal beding in beide optieovereenkomsten. Er is volgens hen sprake van twee volledig verschillende rechtsverhoudingen; de forumkeuze in de Short Term Loan Agreement heeft (dus) geen betrekking op het onderhavige deel van de vordering van Consipio. Voorts betwisten zij dat er sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 6 sub a Rv, nu zij zich nimmer hebben hebben verbonden jegens Consipio voor de nakoming van de verplichtingen van Perrystone en Churchbury onder de optieovereenkomsten.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 7 maart 2007 in de zaak van:

rolnr: 06/194

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Consipio B.V.,

gevestigd te Warder,

eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident,

advocaat: mr. C.B.M. Scholten van Aschat,

procureur: mr. R.R.E. Nobus,

tegen:

1. de rechtspersoon naar het recht van Gibraltar Slingsby Enterprises Limited,

gevestigd te Gibraltar,

2. [B[B.H.M.],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,

advocaat: mr. M.J.J. de Bontridder,

procureur: mr. C.J. IJdema.

1. Het verloop van de procedure

De volgende stukken zijn gewisseld:

dagvaarding;

incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdheid van de rechtbank Middelburg alsmede conclusie van antwoord;

conclusie van antwoord in het bevoegdheids incident.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten op 2 november 2006. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten in het incident

2.1. In de hoofdzaak vordert Consipio - kortweg - hoofdelijke veroordeling van Slingsby en [B.H.M.] om aan haar de bedragen van € 1.320.804,82 te vermeerderen met rente,

$ 15.923.404,52 te vermeerderen met rente, en € 21.410,67 te voldoen.

2.2. Op 4 januari 2001 heeft Consipio Holding aan Slingsby een bedrag van

€ 4.300.000,-- geleend, hetgeen is vastgelegd in de zogenaamde “Short Term Loan Agreement” van 11 juni 2002 tussen Consipio Holding en (onder meer) [B.H.M.] en Slingsby.

2.3. Op 18 februari 2002 is tussen de heer [K.], namens Consipio Holding, de vennootschap waarvan Consipio een 100% dochtervennootschap is, en [B.H.M.] een overeenkomst gesloten, hierna aan te duiden als: de Voorovereenkomst. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“[K.] gets the option from Berth [B.H.M.] to sell 2.000.000 shares private comp for a price of 10.27 at the date of 31-12-2003.

The contract will be finished within 2 weeks from now.”

2.4. Consipio Holding heeft de hoofdlijnen van de Voorovereenkomst uitgewerkt in een tweetal overeenkomsten, namelijk de optieovereenkomst d.d. 25 februari 2002 met als partijen Consipio Holding en Churchbury Limited, hierna: Churchbury, en de optieovereenkomst d.d. 19 maart 2002 tussen Consipio Holding en Perrystone Trading Limited, hierna: Perrystone. Zowel Churchbury als Perrystone zijn off-shore vennootschappen van [B.H.M.].

Beide optieovereenkomsten bepalen in artikel 10 en artikel 11 dat partijen eventuele geschillen aan arbiters ter beslechting dienen voor te leggen.

2.5. Consipio Holding heeft (onder meer) haar vordering van $ 15.923.404,52 aan Consipio gecedeerd.

3. Het geschil in het incident

3.1. [B.H.M.] en Slingsby beroepen zich op de onbevoegdheid van deze rechtbank voor zover het betreft de vordering ter hoogte van $ 15.923.404,52; de bevoegdheid van deze rechtbank ter zake van de Short Term Loan Agreement wordt erkend. Zij verwijzen daarbij primair naar het arbitraal beding in beide optieovereenkomsten. Er is volgens hen sprake van twee volledig verschillende rechtsverhoudingen; de forumkeuze in de Short Term Loan Agreement heeft (dus) geen betrekking op het onderhavige deel van de vordering van Consipio. Voorts betwisten zij dat er sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 6 sub a Rv, nu zij zich nimmer hebben hebben verbonden jegens Consipio voor de nakoming van de verplichtingen van Perrystone en Churchbury onder de optieovereenkomsten.

3.2. Consipio meent dat de rechtbank wel bevoegd is. Betaling wordt gevorderd op grond van de Voorovereenkomst, waarin geen forumkeuze op schrift is gesteld. Zij betwist dat de vorderingen volledig verschillende rechtsverhoudingen betreffen. Alle transacties hebben plaatsgevonden op basis van afspraken tussen de achterliggende personen en in het vertrouwen dat aldus [B.H.M.] persoonlijk voor de nakoming daarvan instond. Deze rechtbank is reeds bevoegd nu het in feite ging en gaat om de financiële verhouding met [B.H.M.]. De optieovereenkomsten kunnen niet als basis voor de onbevoegdheid van de rechtbank dienen nu [B.H.M.] en Slingsby zelf stellen daarbij geen partij te zijn en de artikelen 10 en 11 daarvan te onduidelijk zijn om als schriftelijke forumkeuze te voldoen. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter vloeit, indien niet al uit de EEX-Verordening, dan toch voort uit de artikelen 6 en 7 Rv.

4. De beoordeling in het incident

4.1. [B.H.M.] en Slingsby hebben voor alle weren de exceptie van onbevoegdheid voorgesteld ten aanzien van de vordering van Consipio ter hoogte van $ 15.923.404,52.

4.2. Voor de beoordeling van het onderhavige geschil is met name van belang op welke overeenkomst(en) Consipio haar vordering te dezer zake baseert.

Consipio stelt zelf de vordering te baseren op de Voorovereenkomst, en voert ter onderbouwing daarvan aan dat de Voorovereenkomst is ondertekend door [B.H.M.], [B.H.M.] (samen met Slingsby) degene is die is gedagvaard en uit de overgelegde stukken blijkt dat na de ondertekening van de Voorovereenkomst veelvuldig contact met c.q. namens [B.H.M.] is geweest over (de uitwerking van) deze overeenkomst. Daarmee heeft zij, althans in het kader van het onderhavige incident, de door haar gestelde (verbintenissen uit) overeenkomst tussen partijen genoegzaam onderbouwd. Voor een verdergaande, inhoudelijke, beoordeling van de (grondslag van de) vordering is in het kader van dit incident geen plaats; deze dient in de hoofdzaak plaats te vinden.

Nu de Voorovereenkomst geen forumkeuze bevat, dient ten aanzien van de bevoegdheid van deze rechtbank te worden bezien of deze kan worden gebaseerd op artikel 6 Rv of op het daarmee corresponderende artikel 5, lid 1 sub a, van de EEX Verordening. Zoals ook door beide partijen is aangegeven, leidt toepassing van de EEX Verordening materieel tot hetzelfde resultaat als toepassing van de nationale regels betreffende rechtsmacht, namelijk bevoegdheid van deze rechtbank. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt betreft immers betaling van een geldsom aan een in Nederland gevestigde partij (Consipio).

Gelet hierop kan dan ook in het midden blijven of de woonplaats van [B.H.M.] in Andorra dan wel in Barcelona is.

De bevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van Slingsby vloeit voort uit artikel 7 Rv c.q. artikel 6 EEX-Verordening.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de exceptie van onbevoegdheid ten onrechte is voorgesteld door [B.H.M.] en Slingsby. De vordering zal dan ook worden afgewezen en [B.H.M.] en Slingsby zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

5. De beslissing

De rechtbank:

in het incident:

wijst de vordering af;

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, Slingsby en [B.H.M.] in de kosten van het incident, aan de zijde van Consipio begroot op € 1.356,-- aan procureurssalaris;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 april 2007 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [B.H.M.] en Slingsby ter zake van de vordering ad $ 15.923.404,52;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. de Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.