Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA2496

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
51902 HA ZA 06-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de plaatsgevonden verdeling van de aandelen mee brengt dat [eiseres] recht heeft op de helft van de uit het stamrecht te zijner tijd voortvloeiende aanspraken. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat de verdeling van de aandelen heeft plaatsgevonden in het kader van de pensioenverevening. [B.A.M. Stamrecht B.V.] heeft zich terzake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is derhalve van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

De tweede vraag is of [eiseres] mede aansprakelijk is voor de schuld aan [B.A.M. Stamrecht B.V.] Volgens artikel A6 van het echtscheidingsconvenant heeft [gedaagde sub 1] zich verbonden er voor zorg te dragen dat [eiseres] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en verhaalbaarheid van alle tijdens het huwelijk aangegane schulden. Voor

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

51902HA ZA 06-13551902HA ZA 06-13528 maart 2007

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 51902 / HA ZA 06-135

Vonnis van 4 april 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Middelburg,

eiseres,

procureur mr. W. Tiggelaar,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Vlissingen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B.A.M.] STAMRECHT B.V.,

gevestigd te Vlissingen,

gedaagden,

procureur mr. J.M. van Koeveringe- Dekker,

advocaat mr. J. Mikes te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde [B.A.M. Stamrecht] en [B.A.M. Stamrecht B.V.] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 9 augustus 2006;

de brief van mr Tiggelaar d.d. 10 oktober 2006 met productie;

het proces-verbaal van comparitie van 26 oktober 2006;

het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2007;

de notities van mr Mikes ten behoeve van de comparitie;

de akte overlegging productie;

de antwoordakte tevens houdende akte overlegging productie;

de antwoordakte productie.

De feiten

Partijen zijn op 19 juni 1987 in de gemeente Vlissingen in gemeenschap van goederen gehuwd. [gedaagde sub 1] is tijdens het huwelijk werkzaam geweest bij het Facilitair Bedrijf Loodswezen B.V. te Rotterdam. In verband met ontslag heeft hij een ontslagvergoeding ontvangen van f 100.000,00. [gedaagde sub 1] heeft voor dit bedrag een stamrecht bedongen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e van de Wet op de Loonbelasting 1994. Hij heeft deze vergoeding ingebracht in [B.A.M. Stamrecht B.V.]. Bij de oprichting van deze vennootschap heeft [gedaagde sub 1] een bedrag van f 40.000,00 ingebracht ter volstorting van de aandelen. [gedaagde sub 1] heeft dit bedrag vervolgens weer geleend van de vennootschap. Bij beschikking van 17 maart 1999 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 6 april 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de afspraken die zij in het kader van de ontbinding van het huwelijk hebben gemaakt neergelegd in het door beide partijen ondertekend convenant, gedateerd 15 januari 1999. Artikel A 5 van het convenant luidt als volgt:

(…)

b. De man is eigenaar van 40 aandelen in het geplaatste kapitaal van de eveneens te Vlissingen gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [B.A.M. Stamrecht B.V.], elk aandeel nominaal groot één duizend gulden (f 1.000,00) en wel de aandelen genummerd 1 tot en met 40. 20 aandelen in het kapitaal van [B.A.M. Stamrecht B.V.] zullen worden toebedeeld aan de vrouw.

Partijen kennen aan voormelde aan de vrouw toe te delen 20 aandelen een waarde toe van vijftigduizend gulden (f 50.000,00) per 31 december 1998.

Verrekening van de gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zal met toedeling van laatstgemelde aandelen hebben plaatsgevonden.

(…)

Artikel A 6 van het convenant luidt als volgt:

(…)

De man verbindt zich er voor zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en verhaalbaarheid voor alle tijdens het huwelijk aangegane schulden. (…)

Het geschil

[eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, dat het de rechtbank behage bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat zij ten laste van [B.A.M. Stamrecht B.V.] aanspraak heeft op de helft van de uitkeringen van één of meer lijfrente(n), die ten gunste van [gedaagde sub 1] op zijn 60 jarige leeftijd zal/zullen worden uitbetaald althans bij zijn eerder overlijden de helft van een levenslange - na overlijden van de man direct ingaande - lijfrente tot haar overlijden;

[gedaagde sub 1] en [B.A.M. Stamrecht B.V.] te veroordelen aan haar 50% uit te betalen van de aan [gedaagde sub 1] toekomende één of meer lijfrente(n) vanaf 20 augustus 2013, bij gebreke van tijdige maandelijkse voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van uitkering tot de dag der voldoening;

te verklaren voor recht dat zij geen schuld heeft aan [B.A.M. Stamrecht B.V.] en/of [gedaagde sub 1];

[gedaagde sub 1] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van een twee handtekeningenverklaring, zodanig dat [gedaagde sub 1] als bestuurder van de besloten vennootschap alleen tezamen met haar bevoegd is namens c.q. ten laste van [B.A.M. Stamrecht B.V.] gelden op te nemen en beleggingen te wijzigen en/of af te kopen en om deze verklaring ter hand te stellen van de verschillende bank- c.q. beleggingsinstellingen.

[gedaagde sub 1] en [B.A.M. Stamrecht B.V.] te veroordelen om aan haar te betalen een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 1] en [B.A.M. Stamrecht B.V.] in gebreke blijven na verloop van twee weken na betekening van het te wijzen vonnis aan deze veroordeling geheel of gedeeltelijk te voldoen;

[eiseres] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het convenant. In het echtscheidingsconvenant hebben partijen een regeling getroffen waarbij de vrouw recht heeft op de helft van de uit het stamrecht te zijner tijd voortvloeiende aanspraken. De verdeling van de aandelen heeft plaatsgevonden in het kader van de pensioenverevening. Om die reden is de helft van de aandelen in de vennootschap aan haar toebedeeld. Aan haar komt derhalve de helft toe van uit te keren lijfrente(n) op het moment dat de man de 60-jarige leeftijd heeft bereikt, althans bij zijn eerder overlijden (de helft van) een direct ingaande lijfrente uit te keren tot haar overlijden. Daarnaast stelt de man zich ten onrechte op het standpunt dat de vrouw nog mede aansprakelijk is voor de helft van de door de vennootschap aan de man verstrekte geldlening van f 40.000,00.

[gedaagde sub 1] en [B.A.M. Stamrecht B.V.] voeren verweer. Aanvankelijk bezat [gedaagde sub 1] alle aandelen in de vennootschap. De bezittingen van de vennootschap bestonden bij aanvang uit f 100.000,00 aan geldmiddelen en f 40.000,00 als lening aan de oprichter. Daartegenover stond een lijfrente verplichting van f 100.000,00 tegenover [gedaagde sub 1]. De vennootschap is opgericht met het doel om met de daarin ondergebrachte middelen de pensioenrechten te waarborgen. In het kader van de verdeling van het vermogen is de helft van de aandelen aan [eiseres] toebedeeld. [gedaagde sub 1] heeft aanvankelijk betwist dat met de overdracht van de aandelen ook een recht op lijfrente-uitkeringen aan [eiseres] is toebedeeld. Hij heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. [gedaagde sub 1] betwist dat [eiseres] niet aansprakelijk is voor de schuld aan de vennootschap. [eiseres] heeft al die jaren ingestemd met de jaarstukken en nooit geprotesteerd tegen het feit dat daarin een schuld ten laste van haar stond vermeld. Zij heeft door nooit te protesteren haar rechten verwerkt. De vordering tot nakoming is verjaard. De in het convenant opgenomen bepaling ziet niet op de vennootschappelijke schuld. Die bepaling had alleen betrekking op de hypothecaire schuld en de schuld in verband met de aankoop van een auto. Voor de vordering tot medewerking aan een tweehandtekeningenverklaring ontbreekt een rechtsgrond. [eiseres] heeft bij een dergelijke verklaring geen belang. Het tussen partijengesloten echtscheidingsconvenant dient te worden uitgelegd met inachtneming van het Haviltex-criterium.

De verdere beoordeling

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de plaatsgevonden verdeling van de aandelen mee brengt dat [eiseres] recht heeft op de helft van de uit het stamrecht te zijner tijd voortvloeiende aanspraken. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat de verdeling van de aandelen heeft plaatsgevonden in het kader van de pensioenverevening. [B.A.M. Stamrecht B.V.] heeft zich terzake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is derhalve van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

De tweede vraag is of [eiseres] mede aansprakelijk is voor de schuld aan [B.A.M. Stamrecht B.V.] Volgens artikel A6 van het echtscheidingsconvenant heeft [gedaagde sub 1] zich verbonden er voor zorg te dragen dat [eiseres] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en verhaalbaarheid van alle tijdens het huwelijk aangegane schulden. Voor de beantwoording van de vraag of [eiseres] niettemin nog aansprakelijk is voor de schuld aan [B.A.M. Stamrecht B.V.] komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel A6 van het echtscheidingsconvenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel A6 niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Artikel A6 kan niet anders worden gelezen dan dat [gedaagde sub 1] naast een aantal benoemde schulden, zoals de hypothecaire geldleningen en de schuld in verband met de auto, alle (overige) schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan en die niet nader zijn geduid, voor zijn rekening zou nemen. Daar valt ook de schuld aan [B.A.M. Stamrecht B.V.] onder. [eiseres] mocht op grond van deze bepaling ervan uitgaan dat zij vrij van schulden uit de huwelijksgoederengemeenschap zou treden. Het enkele feit dat [eiseres] al die jaren heeft ingestemd met de jaarstukken en nooit geprotesteerd heeft tegen het feit dat daarin een schuld ten laste van haar stond vermeld, heeft geen vorderingsrecht in het leven geroepen. De tussen partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in het convenant. Een beroep op die afspraken is niet aan verjaring onderhevig. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat voor een veroordeling van [gedaagde sub 1] om zijn medewerking te verlenen aan totstandbrenging van een twee handtekeningenverklaring, zodanig dat Muller als bestuurder van de besloten vennootschap alleen tezamen met [eiseres] bevoegd is namens c.q. ten laste van [B.A.M. Stamrecht B.V.] gelden op te nemen en beleggingen te wijzigen en/of af te kopen en om deze verklaring ter hand te stellen van de verschillende bank- c.q. beleggingsinstellingen, een wettelijke grondslag ontbreekt. Dat zijn bevoegdheden die uitsluitend toekomen aan de bestuurder van de vennootschap. Daar staat tegenover dat een bestuurder die zijn taak niet naar behoren vervult aansprakelijk is voor de schade die daarvan het gevolg is. De rechtbank zal dat onderdeel van de vordering en de daarmee samenhangende vordering tot het opleggen van een dwangsom derhalve afwijzen.

Nu ieder van partijen voor een deel in het ongelijk wordt gesteld zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [B.A.M. Stamrecht B.V.] aan [eiseres] 50% uit te betalen van de aan [gedaagde sub 1] toekomende één of meer lijfrente(n) vanaf 20 augustus 2013, bij gebreke van tijdige maandelijkse voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van uitkering tot de dag der voldoen;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart voor recht dat [eiseres] ten laste van [B.A.M. Stamrecht B.V.] aanspraak heeft op de helft van de uitkeringen van één of meer lijfrente(n), die ten gunste van [gedaagde sub 1] op zijn 60 jarige leeftijd zal/zullen worden uitbetaald althans bij zijn eerder overlijden de helft van een levenslange - na overlijden van de man direct ingaande - lijfrente tot het overlijden van [eiseres];

verklaart voor recht dat [eiseres] geen schuld heeft aan [B.A.M. Stamrecht B.V.] en/of [gedaagde sub 1];

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert tussen partijen de proceskosten, zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2007.