Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA2323

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
12/707454-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Van een verkeersdeelnemer, die al jarenlang met zekere regelmaat last heeft van “wegvallingen” , en die al eerder onverklaarde ongevallen, waaronder recentelijk ook een verkeersongeval, heeft meegemaakt zonder dat daar een goede oorzaak voor is gevonden, mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt voor het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw ongevallen veroorzaakt. Door dit na te laten en toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer te blijven deelnemen heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge “wegvalling” in het verkeer aanvaard.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/40 met annotatie van Regterschot
NJFS 2007, 150

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/707454-06

Datum uitspraak: 4 april 2007

Tegenspraak

-----------------------------------------------------------

Inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis: n.v.t.

-----------------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. L.C.H. Karstanje, advocaat te Gouda.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.I. den Hartog en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde tot de volgende straffen zal worden veroordeeld:

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) uren, met bevel dat indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (éénhonderd twintig) dagen;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest en met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding,

te weten dat:

hij op of omstreeks 29 juli 2006 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, op de weg, de Hogeweg, zich zodanig heeft gedragen dat één of meer aan zijn schuld te wijten verkeersongeval(len) heeft/hebben plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij wist dat hij leed aan epileptische aanvallen, in elk geval aan een aandoening waardoor hij de (volledige) controle over zijn lichaam verliest, althans kan verliezen, met dat voertuig te rijden, zijnde hij alstoen aldaar tijdens het rijden tengevolge van die aandoening de controle over zijn lichaam en dat door hem bestuurde voertuig verloren en daardoor met één of meer over die weg rijdende fietsers in botsing, althans in aanrijding, gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten zodanig letsel aan het rechterbeen, dat (gedeeltelijke) amputatie van dit been noodzakelijk was, of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding of hersenkneuzing, of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

en voor zover ter zake het onder 1 tenlastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 29 juli 2006 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto), terwijl hij wist dat hij leed aan epileptische aanvallen, in elk geval aan een aandoening waarbij hij de (volledige) controle over zijn lichaam verloor, daarmee heeft gereden op de weg, de Hogeweg, zijnde hij alstoen aldaar tijdens het rijden tengevolge van die aandoening de controle over zijn lichaam en dat door hem bestuurde voertuig verloren en met één of meer over die weg rijdende fietsers in botsing, althans in aanrijding, gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 29 juli 2006 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, bestelauto, op de weg, de Hogeweg, zich zodanig heeft gedragen dat aan zijn schuld te wijten verkeersongevallen hebben plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, terwijl hij wist dat hij leed aan een aandoening waardoor hij de volledige controle over zijn lichaam kan verliezen, met dat voertuig te rijden, zijnde hij alstoen aldaar tijdens het rijden tengevolge van die aandoening de controle over zijn lichaam en dat door hem bestuurde voertuig verloren en daardoor met over die weg rijdende fietsers in aanrijding gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood, en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten zodanig letsel aan het rechterbeen, dat gedeeltelijke amputatie van dit been noodzakelijk was en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 3]) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft met een door hem bestuurde bestelbus binnen een afstand van 400 meter twee ernstige verkeersongevallen veroorzaakt. Hij is met de bestelbus eerst aangereden tegen de achterzijde van twee, aan de rechterzijde van de weg - op een als fietsstrook aangeduid gedeelte van die weg - voor hem rijdende fietsers, waardoor die fietsers zijn gevallen en (ernstig) gewond zijn geraakt. Hierna is hij verder gereden en met de bestelbus op de voor hem linkerzijde van de weg geraakt. Daar is hij frontaal tegen een hem tegemoetkomende fietsster aangereden. Deze fietsster is onder het linker achterwiel van de bestelbus terecht gekomen, door de auto overreden en aan de gevolgen daarvan overleden. De verdachte is wederom doorgereden tot de bestelbus uiteindelijk naast de weg tegen een stenen zuil tot stilstand is gekomen.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het rijgedrag de verdachte niet kan worden toegerekend als gevolg van een ziekelijke stoornis in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, omdat het rijgedrag zijn oorzaak vindt in een (achteraf vastgestelde) epileptische aanval, die de verdachte niet heeft kunnen voorzien. De raadsman heeft geconcludeerd dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank zal dit beroep op een strafuitsluitingsgrond, in het kader van de beoordeling van het primair tenlastegelegde culpoze gevolgsdelict van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, opvatten als een verweer inzake het bewijs van schuld als bedoeld in dat artikel.

Zij overweegt daaromtrent als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 gaat het om onvoorzichtig gedrag dat de dader verweten kan worden en van dien aard is dat het gevolg hem kan worden toegerekend.

Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan (zie Hoge Raad 1 juni 2004,

LJN AO 5822).

In dit geval staat de vraag centraal of de verdachte wist of behoorde te weten dat het risico bestond van een plotselinge bewustzijnsstoornis tengevolge waarvan hij de controle over zijn lichaam en de door hem bestuurde auto kon verliezen op het moment dat hij op de dag van het ongeval zijn auto ging besturen en of het gedrag van de verdachte om (toch) te gaan rijden beantwoordt aan maatstaven van zorgvuldigheid.

Uit de stukken blijkt dat de verdachte in de periode van 1997 tot 2005 met wisselende tussenpozen last had van nachtelijke aanvallen die leken op epilepsie (onder andere verkramping, tongbeet en spartelen). Verdachte heeft zich hiervoor in oktober 1997 laten onderzoeken door een neuroloog, maar deze heeft geen afwijkingen kunnen vinden die de diagnose epilepsie rechtvaardigen. In de genoemde periode heeft verdachte diverse malen verschillende huisartsen geconsulteerd wegens onder meer angstklachten, met name bij het rijden over grote afstanden, een val van een ladder, en een brandwond aan de linkerhand met onbekende oorzaak. In 1999 is na een consult bij de huisarts andermaal een neurologisch onderzoek wegens verschijnselen van epilepsie overwogen, maar dat is niet uitgevoerd vanwege het resultaat van het twee jaar daarvoor uitgevoerde onderzoek. Er werd een afwachtend beleid ingesteld en aan verdachte werd rustgevende medicatie voorgeschreven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij die medicatie niet regelmatig innam.

Op 14 juli 2005 heeft verdachte als bestuurder van een bestelauto, overdag, bij warm en zonnig weer, wegens een “wegvalling” een ongeval veroorzaakt door tegen een voor hem rijdende bestelbus aan te rijden. Daarbij heeft verdachte een hersenschudding opgelopen en hem werd een tijdelijk negatief rijadvies voor enkele dagen afgegeven.

Kort daarop, op 18 juli 2005, heeft verdachte opnieuw zijn huisarts geraadpleegd wegens een nachtelijke “wegvalling”.

In de periode tussen 18 juli 2005 en 29 juli 2006, de dag van de bewezenverklaarde ongevallen, bleven de nachtelijke aanvallen zich voordoen. De rechtbank verwijst hiertoe naar de verklaring van de verdachte tegenover de politie op 29 juli 2006. Deze houdt, voor zover van belang het volgende in:

“Ik heb al zeker vijf jaar last van iets van epileptische aanvallen. Mogelijk al veel langer, maar daar heb ik dan nooit wat van gemerkt. Ik weet dat van horen zeggen. Ik verstijf dan ook helemaal. Dat gebeurt alleen maar 's nachts. Ik word dan wakker en heb een bobbel op mijn tong gebeten (…) Dat komt niet frequent voor en (het) gebeurt zeer onregelmatig. Soms 1 keer in de twee maanden. Soms zit er drie maanden tussen en soms een half jaar. De laatste tijd komt het steeds minder vaak voor en duurt het ook korter en is het minder heftig.”

De ongevallen op 29 juli 2006 hebben plaatsgevonden onder dezelfde weersomstandigheden als bij het ongeval op 14 juli 2005.

Op 7 augustus 2006, dus na de ongevallen, heeft verdachte zich aan een nader uitgebreid neurologisch onderzoek onderworpen. Hoewel ook dat nader onderzoek volgens de betrokken specialist (de neuroloog L.M.H. Kloos) geen kenmerkende afwijkingen voor epilepsie aan het licht bracht, heeft deze wel de diagnose epilepsie gesteld, omdat alle symptomen in die richting wezen. De betrokken neuroloog heeft op basis van zijn diagnose medicatie tegen epilepsie aan de verdachte voorgeschreven.

Op 8 november 2006 is verdachte in het kader van een vorderingsprocedure ex artikelen

130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 onderzocht door de neuroloog dr. A. Hovestadt. Deze neuroloog heeft op basis van zijn bevindingen eveneens de diagnose epilepsie gesteld. Hij heeft verdachte niet geschikt geacht voor het rijbewijs in groep I. Volgens die neuroloog kan verdachte weer geschikt verklaard worden indien hij bij ongewijzigd medicamenteus beleid over een periode van tenminste één jaar geen nieuwe epileptische aanvallen gehad heeft.

Ter terechtzitting op 22 maart 2007 heeft verdachte verklaard dat de nachtelijke aanvallen zich na die onderzoeken nog bleven voordoen, maar dat na een verdubbeling van de dosis van de anti-epilepsie medicatie (van 2 x naar 4 x 500 mg Dikapine per dag) de aanvallen minder vaak voorkomen. De laatste nachtelijke “wegvalling” dateert van begin januari 2007.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij na de eerdere – onverklaarde – incidenten en na de “wegvalling” overdag, op 14 juli 2005, nog auto kon rijden, omdat de deskundigen bij hem geen epilepsie hadden vastgesteld en de “wegvallingen” zich daarvóór alleen ‘s nachts hadden gemanifesteerd. Verdachte legt de verantwoordelijkheid bij de artsen, omdat zij klaarblijkelijk geen goede diagnose hebben gesteld. Hij stelt dat hij zich tussen 14 juli 2005 en 29 juli 2006 niet aan een nieuw neurologisch onderzoek heeft onderworpen, omdat hij daartoe geen advies van zijn huisarts heeft gekregen.

De rechtbank stelt echter vast dat de nachtelijke “wegvallingen” met bewustzijnsdalingen en algehele verstijving zich ook na 14 juli 2005 bleven voordoen. Verdachte had daarom naar het oordeel van de rechtbank ook een eigen verantwoordelijkheid jegens andere verkeersdeelnemers om op een veilige en verantwoorde wijze weer als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer te gaan deelnemen.

De rechtbank is van oordeel dat van een verkeersdeelnemer, die al jarenlang met zekere regelmaat last heeft van “wegvallingen” en die al eerder onverklaarde ongevallen heeft meegemaakt, zonder dat daar een goede oorzaak voor is gevonden, naar maatstaven van uiterlijke zorgvuldigheid mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt om, als de eerste “wegvalling” zich ook overdag en zelfs in een verkeerssituatie voordoet waarbij een ongeval is ontstaan, passende maatregelen neemt om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw ongevallen veroorzaakt. Door dit na te laten en daarna toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer te gaan deelnemen heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge tweede “wegvalling” in het verkeer aanvaard.

Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat het verkeersongeval mitsdien aan zijn schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten is geweest.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood,

en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht,

en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte

of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheid is ontstaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Het verweer van de raadsman betreffende de niet-strafbaarheid van verdachte wordt verworpen op de gronden die onder de “nadere bewijsmotivering” zijn genoemd.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen straffen

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden twee ernstige verkeersongevallen veroorzaakt, tengevolge waarvan de toen 76-jarige mevrouw [slachtoffer 1] is overleden en de toen 60-jarige [slachtoffer 2] en diens vrouw, de toen 59-jarige [slachtoffer 3], (zwaar) gewond zijn geraakt.

Het verwijt dat de verdachte met name te maken valt is dat hij als bestuurder van een auto aan het verkeer is gaan deelnemen, terwijl hij wist dat hij de controle over zijn lichaam en het door hem bestuurde voertuig kon verliezen, omdat hem dit eerder al was overkomen en hij daarop geen passende maatregelen heeft getroffen. De verdachte heeft dusdoende zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van (de veiligheid van) zijn medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen. Van een weggebruiker die naar eigen zeggen beroepshalve (namelijk als vertegenwoordiger) vele kilometers per jaar rijdt, mag in dat opzicht extra zorgvuldigheid worden verwacht.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de zoon en schoondochter van het overleden slachtoffer en de verklaringen ter terechtzitting van de dochter van het aangereden echtpaar heeft de rechtbank kunnen opmaken dat het leed dat door het ongeval is veroorzaakt, groot is. Voor de nabestaanden van het overleden slachtoffer is dit leed onherstelbaar. Ook voor

de twee gewonde slachtoffers geldt dat zij altijd zullen worden geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval en dat zij zullen moeten leren leven met de blijvende beperkingen van de heer [slachtoffer 2] ten gevolge van het ongeval.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er bij verdachte en de nabestaanden van het overleden slachtoffer sprake is geweest van een misverstand over de vraag of de nabestaanden na het ongeval contact met de verdachte wensten. Verdachte heeft naar zijn zeggen eigener beweging geen contact gezocht omdat hem dit door slachtofferhulp werd afgeraden. Het misverstand is niet uit de weg geruimd toen de schoondochter van het overleden slachtoffer zelf contact heeft gezocht met de verdachte en bij die gelegenheid een telefonisch gesprek heeft gevoerd met de vrouw van verdachte. De schoondochter van het overleden slachtoffer heeft ter terechtzitting verklaard dat dit gesprek niet goed is verlopen. Een door verdachte daarna aan de nabestaanden gestuurde condoleancekaart achtten zij misplaatst en te laat. Zij hebben te kennen gegeven dat deze houding van verdachte het moeilijker maakt het verdriet te verwerken. De rechtbank stelt vast dat ook verdachte onder de gevolgen van de ongevallen, die ook hij niet heeft gewild, heeft geleden en nog steeds lijdt. Verdachte zal immers moeten leven met de wetenschap dat door zijn toedoen een persoon het leven heeft gelaten en dat een andere persoon blijvend lichamelijk handicapt is. Op dit moment lijkt verdachte de schuld van het ongeval te willen verschuiven naar de medici of anderen, maar op enig moment zal hij zich meer dan nu bewust moeten worden van zijn eigen aandeel in de gebrutenissen.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie

d.d. 22 december 2006, waaruit blijkt dat de verdachte driemaal eerder wegens rijden onder invloed met de politie en justitie in aanraking is gekomen. De laatste veroordeling dateert van 31 oktober 2001.

- het voorlichtingsrapport d.d. 19 maart 2007 van de Reclassering Nederland, regio Den Haag.

Uit genoemd voorlichtingsrapport blijkt dat het leven van de verdachte en zijn gezin na het ongeval in een negatieve spiraal is gekomen. Verdachtes vrouw en zijn toen 4-jarig dochtertje, die als passagiers voorin de bestelbus zaten en de ongevallen voor hun ogen hebben zien gebeuren, ondervinden nog steeds hinder van hetgeen zij hebben moeten ervaren. Verdachtes dochtertje is erg angstig geworden en verdachtes vrouw consulteert een psychiater wegens een bij haar vastgestelde posttraumatische stressstoornis. De verdachte is nog steeds boos op de doktoren dat zij vóór de dag van de bewezen verklaarde ongevallen een verkeerde diagnose hebben gesteld. Hij kan zich niet schuldig voelen, omdat hij naar zijn zeggen door zijn ‘handicap’ eigenlijk ook slachtoffer is geworden. Hij kan bij gebrek aan zijn rijbewijs zijn beroep als vertegenwoordiger niet meer uitoefenen en is mede hierdoor in zijn salaris achteruit gegaan. Verdachte consulteert, evenals zijn vrouw, een psychiater in verband met zijn psychische problemen die mede door het ongeval zijn veroorzaakt.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met de mate van schuld van verdachte aan het ongeval en de (fatale) gevolgen van het ongeval voor de direct en indirect betrokkenen.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. Zij overweegt daarbij dat de officier van justitie haar strafeis kennelijk heeft gebaseerd op de landelijke oriëntatiepunten ter zake van verkeersongevallen, in de categorieën tussen een “grove” en een “aanmerkelijke” verkeersfout, terwijl de rechtbank

het verkeersgedrag van verdachte als een “aanmerkelijke”, dus minder zware, verkeersfout aanmerkt.

De rechtbank acht het evenals de officier van justitie aangewezen om de verdachte te veroordelen tot een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, mede gelet op de eerdere recidive van verdachte ter zake van verkeersdelicten. Zij acht een combinatie van een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uren en een gedeeltelijk voorwaardelijke rijontzegging van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt

de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij legt aan de verdachte de volgende taakstraf op:

een WERKSTRAF voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) UREN, met bevel dat indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (éénhonderdtwintig) dagen.

Zij veroordeelt de verdachte wegens de bewezenverklaarde feiten voorts tot ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID MOTORRIJTUIGEN TE BESTUREN voor de duur van 28 (achtentwintig) MAANDEN.

Zij bepaalt dat een gedeelte van 10 (tien) MAANDEN van deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt

Zij bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde voor het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van genoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door: mr. R.C.M. Reinarz, voorzitter, mrs. F.J.C.E. Meeuwis en I.E.M. Sutorius, rechters,

in tegenwoordigheid van P.L. Francke als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van

4 april 2007.

Mr. Sutorius is buiten staat dit vonnis te tekenen.