Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:BA2128

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
715105-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak; geen sprake van misleiden van de politie of valse aangifte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

Politierechter

Parketnummer: 12/715105-07

Datum uitspraak: 3 april 2007

Tegenspraak

V O N N I S

van de politierechter te Middelburg, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum, -plaats],

verblijvende te P.I. Vrouwen Breda, Kloosterlaan 172,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. G.J. Dijkman advocaat te Utrecht. Tevens is ter terechtzitting verschenen mr. drs. M. Wijers wonende te Utrecht als getuige-deskundige.

Als tolk in de taal Fullah is ter terechtzitting aanwezig M. Jalloh, wonende te Alphen aan de Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Zondervan en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht alsmede van hetgeen de getuige-deskundige ter zitting heeft verklaard.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen met aftrek.

Tevens vordert de officier van justitie de gevangenhouding van verdachte.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 01 maart 2007, te Utrecht aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [naam hoofdagent], hoofdagent van politie en/of [naam brigadier], brigadier van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van mensenhandel en/of verkrachting en of enig ander strafbaar feit waarop die aangifte doelt.

2.

zij op of omstreeks 21 december 2005, te Amsterdam aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [naam brigadier 2], brigadier van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van verkrachting en/of mensenhandel en/of enig ander strafbaar feit waarop die aangifte doelt.

Vrijspraak

De raadsman heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de aangiften onderling niet tegenstrijdig zijn maar dat er hooguit van hiaten sprake is, dat met name het Amsterdamse proces verbaal van aangifte vanwege de vele gebreken die eraan kleven onbetrouwbaar is en dat er in ieder geval geen sprake van is dat verdachte bewust heeft getracht de politie te misleiden of op het verkeerde been te zetten. Verdachte heeft geen valse aangiften gedaan en moet derhalve worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht de aangifte van 21 december 2005 vals omdat verdachte daarin verzwijgt dat zij in de periode juli tot december 2005 gedurende enige tijd, in ieder geval op 11 september 2005 en enige tijd daarna, in België is geweest.

De aangifte van 1 maart 2007 acht de officier van justitie vals omdat verdachte daarin verklaart dat zij gedurende de gehele periode van juli 2005 tot maart 2007 in de macht is geweest van de man die haar misbruikt heeft, terwijl zij aantoonbaar in december 2005 aangifte heeft kunnen doen en in een hulpverleningsinstelling is geweest.

De politierechter overweegt het volgende.

In het dossier bevindt zich het proces-verbaal van aangifte, nr. 2005316349-1, d.d. 22 december 2005, van de politie Amsterdam. Uit dat proces verbaal blijkt het volgende.

Verdachte heeft zich op 21 december 2005 tot de politie gewend om aangifte te doen van mensenhandel. Daartoe heeft zij kennelijk met de verbalisant eerst gesproken over hoe zij naar Nederland is gekomen. Dat verhaal zou zijn vastgelegd onder proces-verbaalnr. 2005316349, maar dat proces-verbaal bevindt zich niet bij de stukken. Dezelfde verbalisant heeft vervolgens, alléén, zonder tweede verbalisant, verdachte verhoord over haar aangifte. Een Guinese vrouw uit hetzelfde opvanghuis waar verdachte toen verbleef, is als tolk opgetreden. Gaande het verhoor is de aangifte klaarblijkelijk omgezet in een aangifte ter zake verkrachting. Niet wordt vermeld wat de reden daarvan is. Het proces-verbaal vermeldt dat verdachte dit begrepen heeft en dat er zonodig nogmaals een afspraak gemaakt zal worden voor een aanvullende aangifte. In het proces-verbaal valt geen enkele lijn te ontdekken, noch logisch noch chronologisch en in elk geval is duidelijk dat er geen volledig verhaal is opgenomen. Het proces-verbaal vermeldt aan het slot dat verbalisant de verklaring aan verdachte heeft voorgelezen en dat verdachte daarbij volhardde en deze ondertekende. Het proces-verbaal is echter pas een dag na de aangifte opgemaakt en getekend door de verbalisant en niet ondertekend door aangeefster, thans verdachte. Uit het slot van het proces-verbaal blijkt dat er op de aangifte geen enkel nader onderzoek heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de politierechter kleven aan dit proces-verbaal alleen al zoveel formele gebreken dat het niet tot bewijs kan dienen van de juistheid van enige door verdachte afgelegde verklaring. Er is geen professionele tolk aanwezig geweest, aangeefster heeft niet ondertekend, de wijziging van het onderwerp van de aangifte is niet gemotiveerd en als gevolg van de wijziging hadden de richtlijnen uit de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik gehanteerd moeten worden hetgeen niet is gebeurd, er is geen tweede verbalisant aanwezig geweest, de gestelde vragen zijn niet vermeld, als plaats delict wordt vermeld het Bureau van politie, etc. Daarnaast moet de inhoud van het proces-verbaal als zo onvolledig en onvoldragen worden gekenschetst dat daaraan als document van waarheidsvinding geen betekenis toekomt. De verklaring van verdachte dat zij het gevoel heeft bij het doen van deze aangifte niet serieus te zijn genomen komt de politierechter voor als een understatement.

De politierechter acht op grond van het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 december 2005 valse aangifte heeft gedaan van enigerlei strafbaar feit.

Het standpunt van de officier van justitie dat ook de tweede aangifte, die dateert van 1 maart 2007, vals is, leunt zwaar op de vergelijking met de bovengenoemde aangifte.

De tweede aangifte is neergelegd in het proces-verbaal nr. PL 1900/07-019108 van de Vreemdelingenpolitie Regio Zeeland. Dat proces-verbaal beslaat de periode van juli 2005, toen verdachte op 18-jarige leeftijd het AZC in Middelburg heeft verlaten, totdat zij in december 2005 naar België wordt gebracht. Voor het verdere verhoor zou een nieuwe afspraak worden gemaakt.

Na het opnemen van dit eerste deel van de aangifte heeft de politie nader onderzoek gedaan en is daarbij gestuit op het Amsterdamse proces-verbaal van aangifte van 22 december 2005.

Met voorbijgaan aan de hiervoor uiteengezette gebreken die aan dit proces-verbaal kleven hebben de verbalisanten conclusies getrokken omtrent de juistheid van de door verdachte afgelegde verklaringen. Zij achtten het aannemelijk dat verdachte valse aangiften heeft gedaan, met name omdat zij bij het intakegesprek dat is voorafgegaan aan de aangifte niet heeft vermeld dat zij al in december 2005 in Amsterdam aangifte had gedaan en omdat in de Amsterdamse aangifte het België-verhaal niet voorkwam. De officier van justitie heeft deze conclusie overgenomen en besloten dat verdachte moest worden aangehouden voor het doen van een valse aangifte.

De politierechter is van oordeel dat deze conclusie op zijn minst voorbarig is. Van essentiële tegenstrijdigheden tussen de twee aangiftes is geen sprake. Op hoofdlijnen past verdachtes verhaal in de twee verschillende aangiftes (de man [naam en alias], zijn uiterlijke kenmerken, waaronder een opvallende tatoeage in hartvorm, het vertrek uit Middelburg en het verblijf in een woning in of bij Den Haag, de verkrachtingen, het vertrek naar België en het verblijf daar in een bordeel, de terugkeer naar Nederland en het verblijf in Amsterdam in een woning).

Dat er hiaten kunnen voorkomen bij het afnemen van dergelijke verhoren is niet ongebruikelijk, zoals de getuige-deskundige ter zitting heeft toegelicht. Dat is te verklaren uit de vele angsten, taboes en onzekerheden alsmede een gebrekkig tijdsbesef waarmee slachtoffers van mensenhandel veelal kampen.

In casu acht de politierechter het niet onbegrijpelijk dat verdachte bij de aangifte in Amsterdam het België-verhaal niet heeft verteld, alleen al omdat de nadruk zo is gelegd op de verkrachtingen (het proces-verbaal vangt aan met de zinsnede: “ik heb u net verteld hoe ik naar Nederland ben gekomen en nu wil ik u vertellen over die verkrachting”).

Dat de eerdere Amsterdamse aangifte in het eerste deel van de tweede aangifte niet ter sprake is gekomen is verklaarbaar omdat het verhoor is gestopt bij het verblijf in België. Aan het feit dat die aangifte bij het intakegesprek niet aan de orde is gekomen kan de politierechter geen doorslaggevende betekenis toekennen omdat een intakegesprek niet op een lijn kan worden gesteld met een aangifte; bovendien beslaat het intakegesprek slechts twee pagina’s tekst voor de beschrijving van een periode van meer dan anderhalf jaar waarin verdachte op veel verschillende, voor haar steeds vreemde, plaatsen is geweest. Het zou heel goed kunnen dat verdachte bepaalde gebeurtenissen gewoon vergeten is te vertellen of dat zij ze minder belangrijk heeft geacht en daardoor heeft overgeslagen.

Gelet op het voorgaande acht de politierechter evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte er bij het doen van de tweede aangifte op uit is geweest om de politie te misleiden en zij acht derhalve ook dit feit niet wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte dient derhalve van al hetgeen haar ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.

DE BESLISSING

De politierechter beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Zij heft op het bevel tot gevangenhouding van verdachte, zulks met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door: mr. R.C.M. Reinarz, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2007.