Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:AZ9297

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
49283 HA ZA 05-447
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

De verdere beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] niet in het bewijs zijn geslaagd. De getuige [B.] heeft bevestigd dat in november 2003 in de kantine van de manege een gesprek heeft plaatsgevonden waarbij buiten hemzelf tevens aanwezig waren de heren [eiser], Lubbers, [S.] en Jongerius. De getuige heeft evenwel niets verklaard dat de rechtbank in verband kan brengen met de bewijsopdracht. Ook de getuige Lubbers is volgens zijn verklaring aanwezig geweest bij een bespreking die heeft plaatsgevonden op 28 november 2003, waarbij aanwezig waren de heren Stevense, [S.], [B.] en [eiser]. Hij heeft verklaard dat bij zijn weten in dat gesprek geen concrete afspraken zijn gemaakt. De verklaring van de getuige Jongerius komt er op neer dat hij van transacties tussen [eiser] en [B.] helemaal niets weet en dat hij daar niet bij betrokken is geweest.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 49283 / HA ZA 05-447

Vonnis van 21 februari 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Burgh-Haamstede,

eiser,

procureur mr. E.H.A. Schute,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Nieuwerkerk ad IJssel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LISIDUNA B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk ad IJssel,

gedaagden,

procureur mr. C.J. IJdema,

advocaat mr. J. van Groningen te Middelharnis.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 september 2006;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 november 2006.

Bij vonnis van 20 september 2006 heeft de rechtbank [gedaagden] toegelaten te bewijzen dat partijen tijdens een bespreking in november 2003 op het kantoor van de heer [S.] de op 28 februari 2001 gesloten Huurovereenkomst kantoorruimte en andere Bedrijfsruimte en de Koopakte Bedrijfs Onroerend Goed buiten effect hebben gesteld en besloten hebben tot het aangaan van nieuwe overeenkomsten. Het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 23 november 2006. [gedaagden] hebben drie getuigen doen horen. [eiser] heeft afgezien van de contra-enquête. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van getuigenverhoor een onjuist rolnummer vermeldt. Voor rolnummer 526/06 dient gelezen te worden 447/05.

De verdere beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] niet in het bewijs zijn geslaagd. De getuige [B.] heeft bevestigd dat in november 2003 in de kantine van de manege een gesprek heeft plaatsgevonden waarbij buiten hemzelf tevens aanwezig waren de heren [eiser], Lubbers, [S.] en Jongerius. De getuige heeft evenwel niets verklaard dat de rechtbank in verband kan brengen met de bewijsopdracht. Ook de getuige Lubbers is volgens zijn verklaring aanwezig geweest bij een bespreking die heeft plaatsgevonden op 28 november 2003, waarbij aanwezig waren de heren Stevense, [S.], [B.] en [eiser]. Hij heeft verklaard dat bij zijn weten in dat gesprek geen concrete afspraken zijn gemaakt. De verklaring van de getuige Jongerius komt er op neer dat hij van transacties tussen [eiser] en [B.] helemaal niets weet en dat hij daar niet bij betrokken is geweest.

Niet is komen vast te staan dat partijen tijdens een bespreking in november 2003 op het kantoor van de heer [S.] de op 28 februari 2001 gesloten huurovereenkomst buiten effect hebben gesteld en besloten hebben tot het aangaan van nieuwe overeenkomsten. De rechtbank gaat bij de verdere beoordeling ervan uit dat [eiser] een beroep toekomt op het in artikel 9.1 van die huurovereenkomst geregelde recht van eerste koop. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij in de loop van 2005 dit recht heeft uitgeoefend, dat partijen vervolgens een taxateur hebben benoemd, dat zij een koopsom zijn overeengekomen van € 900.000,00 k.k. en dat zij hebben afgesproken dat het transport van het gehuurde en de betaling van de koopsom op 15 juli 2005 zou plaatsvinden. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank tussen partijen rechtsgeldig een koopovereenkomst tot stand gekomen, die [gedaagden] gehouden zijn na te komen. Tijdens de comparitie van partijen is de vraag aan de orde gekomen of [gedaagden] nog in staat zijn de koopovereenkomst na te komen, gegeven het feit dat zij de onroerende zaak na het sluiten van de huurovereenkomst hebben belast met kwalitatieve verplichtingen en een voorkeursrecht van koop. Uit de door [eiser] als productie 6 bij conclusie van repliek tevens akte tot wijziging/aanvulling van eis overgelegde koopovereenkomst blijkt dat [eiser] het gekochte op 8 juli 2005 heeft doorverkocht aan De Ruiter Vastgoed B.V. en dat die koopovereenkomst de volgende bepalingen bevat:

(…)

Koper aanvaardt uitdrukkelijk die lasten en beperkingen kenbaar uit de openbare registers als hiervoor omschreven

(…)

en voorts:

(…)

Indien uit onderzoek bij de openbare registers, als hiervoor omschreven, blijkt dat met het verkochte lasten en beperkingen verbonden zijn die niet voor koper kenbaar waren en die tevens voor hem een wezenlijk zwaardere belasting betekenen, heeft hij evenwel het recht uiterlijk op 15-07-2005, mits schriftelijk en onder opgaaf van redenen, aan notaris mee te delen dat hij die zwaardere belasting niet (voetstoots) aanvaardt.

(…)

Uit deze bepalingen blijkt dat De Ruiter Vastgoed B.V. de door [gedaagden] gevestigde kwalitatieve verplichtingen heeft aanvaard. Het feit dat [gedaagden] de onroerende zaak hebben belast met kwalitatieve verplichtingen staat derhalve niet in de weg aan toewijzing van de primaire vorderingen. Uit de door [gedaagden] bij conclusie van antwoord als productie 6 overgelegde brief van Residence 't Hof van Haamstede B.V. van 21 juli 2005 leidt de rechtbank af dat hetzelfde geldt voor het voorkeursrecht van koop. De rechtbank zal het primair onder a) en onder b) gevorderde derhalve toewijzen.

[gedaagden] dienen als de in het ongelijk te stellen partijen te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De rechtbank

- veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 3 weken na de uitspraak mee te werken aan het verlijden van een transportakte tussen hem en [eiser] ten aanzien van het weiland gelegen aan de [adres] te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, kadastraal bekend gemeente Westerschouwen, [nummer], ged, ter grootte van 1 ha, 58 aren en 95 ca ten overstaan van notaris J.C.G. M. Beijsens, notaris te Zierikzee, met veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiser] van een dwangsom groot € 10.000,00 voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan deze veroordeling te voldoen;

- veroordeelt Lisiduna om binnen 3 weken na de uitspraak mee te werken aan het verlijden van een transportakte tussen haar en [eiser] ten aanzien van de manege met weiland, ondergrond, erf en tuin aan de Hogeweg te Burgh-Haamstede,gemeente schouwen-Duiveland, kadastraal bekend gemeente Westerschouwen, sectie E, nummer 2409 ter grootte van 1 are en 52 ca en gemeente Westerschouwen, sectie E, nummer 2410 ter grootte van 1 ha, 51 aren en 18 ca ten overstaan van notaris J.C.G. M. Beijsens, notaris te Zierikzee, met veroordeling van Lisiduna tot betaling aan [eiser] van een dwangsom groot € 10.000,00 voor iedere dag dat zij in gebreke is om aan deze veroordeling te voldoen;

- veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiser] tot aan dit moment worden begroot op € 4.667,00 wegens griffierecht, € 665,89 wegens overige verschotten en € 2.034,00 wegens procureurssalaris;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2007.?