Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:AZ8322

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
12/708252-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is op een recht stuk weg met de wielen van haar auto in de (gras-) berm geraakt. Zij heeft de rijrichting van haar auto willen corrigeren, maar heeft bij de manoeuvre -ongewild- te abrupt naar links gestuurd, waarna zij op de andere weghelft frontaal in aanrijding is gekomen met een haar tegemoetkomende auto. Gevolg: twee doden, een zwaargewonde en twee licht gewonden. Verdacht kan zich de toedracht van het ongeval niet herinneren maar sluit niet uit dat ze even in gedachten was verzonken. Volgt veroordeling voor overtreding van artikel 6 WVW 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/708252-06

Datum uitspraak: 14 februari 2007

Tegenspraak

-------------------------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 19 september 2006

Datum invrijheidstelling: 20 september 2006

-------------------------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende te [adres],

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. E.H.A. Schute, advocaat te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde tot de volgende straffen zal worden veroordeeld:

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (éénhonderd twintig) dagen;

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, en

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd dat de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij], niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering tot vergoeding van immatariële schade.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

zij op of omstreeks 19 september 2006, in de gemeente Terneuzen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de N61, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op zodanige wijze met haar voertuig naar rechts te komen, dat ze met haar voertuig geheel of gedeeltelijk in de voor haar rechter berm van die weg is terechtgekomen, vervolgens met haar voertuig in een slip en/of slingerbeweging te raken en/of de rijbaan van die weg naar links over te steken en op het weggedeelte bestemd voor het haar tegemoetkomende verkeer in botsing, althans in aanrijding, te komen met een haar over dat weggedeelte tegemoetrijdende personenauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) op 20 september 2006 is overleden, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een longkneuzing en/of een botbreuk in het aangezicht en/of een bloeding onder het schedeldak en/of vochtophopingen in de hersenen, of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

zij op of omstreeks 19 september 2006, in de gemeente Terneuzen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N61, op zodanige wijze met haar voertuig naar rechts is gekomen, dat ze met haar voertuig geheel of gedeeltelijk in de voor haar rechter berm van die weg is terechtgekomen, vervolgens met haar voertuig in een slip en/of slingerbeweging is geraakt en/of de rijbaan van die weg naar links is overgestoken en op het weggedeelte bestemd voor het haar tegemoetkomende verkeer in botsing, althans in aanrijding, is gekomen met een haar over dat weggedeelte tegemoetrijdende personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

en voor zover terzake het onder 1 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

zij op of omstreeks 19 september 2006, in de gemeente Terneuzen, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de N61, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

art 3 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

zij op 19 september 2006, in de gemeente Terneuzen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N61, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend op zodanige wijze met haar voertuig naar rechts te komen, dat ze met haar voertuig geheel in de voor haar rechter berm van die weg is terechtgekomen, vervolgens met haar voertuig in een slip en slingerbeweging te raken en de rijbaan van die weg naar links over te steken en op het weggedeelte bestemd voor het haar tegemoetkomende verkeer in aanrijding te komen met een haar over dat weggedeelte tegemoetrijdende personenauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) op 20 september 2006 is overleden, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een longkneuzing en/of een botbreuk in het aangezicht en/of een bloeding onder het schedeldak en/of vochtophopingen in de hersenen, werd toegebracht.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweer

De raadsman heeft tot verweer voorgedragen dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat – kort gezegd – het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt niet zodanig is dat gesproken kan worden van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Voor de beoordeling van de schuldvraag is volgens de raadsman alleen van belang in hoeverre verdachte kan worden verweten dat ze met haar auto in de berm terecht is gekomen en speelt de vraag of zij, eenmaal in de berm geraakt, al dan niet adequaat heeft gehandeld om de rijrichting van het voertuig te corrigeren daarbij geen rol. De raadsman heeft gesteld dat het enkele feit dat verdachte door onverklaarbare redenen met de rechterwielen van de auto de berm is ingereden, geen schuld oplevert in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aankomt op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan (zie Hoge Raad 1 juni 2004, NJ 2005, 252 en Hoge Raad 17 januari 2006, LJN AU 3477).

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de toedracht van het ongeval als volgt is geweest. Verdachte is op 19 september 2006 omstreeks 09.30 uur (bij daglicht en onbelemmerd zicht), rijdend in haar personenauto, een Landrover Freelander, met de rechterwielen van die auto in de rechterberm van de weg geraakt. Vervolgens heeft zij de rijrichting van die auto willen corrigeren met de bedoeling om met de auto weer op de rijbaan te geraken. Bij die manoeuvre heeft zij – in een hevige schrikreactie - het stuurwiel van de auto naar links en naar rechts gedraaid, waardoor haar auto achtereenvolgens op de rijbaan van het verkeer in haar eigen rijrichting is gekomen en direct daarop weer met de rechterwielen in de rechterberm van de weg is geraakt. Na deze slingerbeweging heeft verdachte – ongewild - te abrupt naar links gestuurd, waarna zij op de (vanuit de verdachte gezien) linkerweghelft van de weg frontaal in aanrijding is gekomen met de haar tegemoetkomende, door [slachtoffer 1] bestuurde personenauto, VW Jetta.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en zij baseert dat op de volgende factoren.

- Het ongeval heeft plaatsgevonden op de N61. Dit betreft een tweebaansweg met aan weerszijden vrij liggende fietspaden. Tussen de weg en de fietspaden bevindt zich een (onverharde) grasberm. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de weg als onveilig geldt; op die weg vinden relatief veel ongelukken plaats.

- De verdachte is ter plaatse goed bekend. Zij reed regelmatig over die weg. Het wegvak waarover verdachte reed betrof een recht stuk weg.

- Ten tijde van het ongeval was er druk verkeer in beide rijrichtingen, maar het verkeersbeeld was niet onrustig. De auto’s reden rustig en op geruime afstand achter elkaar, er werd niet ingehaald en men hield zich aan de maximumsnelheid (van ter plaatse 80 km per uur).

- De weersomstandigheden waren niet ongunstig. Het motregende, maar het was daglicht en er was onbelemmerd zicht.

- De technische staat van de personenauto van de verdachte was in orde (de rechtbank verwijst daartoe naar het proces-verbaal van technisch onderzoek van die auto). De rechtbank acht het daarom onaannemelijk dat de richtingsveranderingen van de personenauto van de verdachte veroorzaakt zijn door een technisch mankement van

die auto. Overigens was ook de aangereden personenauto technisch in goede staat.

- Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waardoor verdachte fysiek of psychisch werd belemmerd in haar functioneren.

- Er zijn ook overigens geen aanwijzingen gebleken dat de toestand van het wegdek, de weersgesteldheid of een andere van buiten de macht van verdachte liggende oorzaak (zoals plotseling overstekend wild) een rol heeft gespeeld bij het in de berm rijden van de auto.

Over de toedracht van het ongeval heeft de getuige [getuige] onder meer het volgende verklaard: “Voor de verkeerslichten bij Hoek kwam ik achter een zwarte jeep te rijden. Gekomen bij de verkeerslichten van Hoek reden er ongeveer zes auto’s voor mij. Ik reed zelf met een snelheid van 80 km/uur en ik zag dat de bestuurder van de jeep met dezelfde snelheid voor mij uit bleef rijden. Ik zag dat de bestuurder van de jeep langzaam naar de rechter zijde van de rijbaan reed. Ik had nog de tijd om te denken: “Stomkop je zit zeker iets te doen”. Doordat de bestuurder van de jeep steeds verder naar rechts stuurde, schoot de auto uiteindelijk van het asfalt af en raakte met de wielen in de berm.” De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich de toedracht van het ongeval niet kan herinneren, maar dat zij niet uitsluit dat ze even in gedachten was verzonken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het voorgaande geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte haar aandacht voor de weg en het verkeer gedurende enkele ogenblikken volledig kwijt is geweest en daardoor van de weg is geraakt. Gezien de aard van de weg en het drukke verkeer mocht van verdachte echter worden verlangd dat zij bij voortduring alert was op het op de eigen rijbaan blijven rijden.

Een en ander rechtvaardigt het oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen en dat het verkeersongeval mitsdien aan haar schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten is geweest.

Het verweer wordt verworpen.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd,

en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen straffen

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt, tengevolge waarvan de toen 21-jarige [slachtoffer 1] en de toen 10-jarige [slachtoffer 2] zijn overleden en de toen 11-jarige [slachtoffer 3] zwaar gewond is geraakt. Het mag een wonder heten dat twee andere kinderen, [inzittende 1] en [inzittende 2], eveneens inzittenden van de aangereden auto, slechts gering lichamelijk letsel hebben opgelopen. Niettemin zijn ook deze twee kinderen rechtstreeks en op een voor hen shockerende manier geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. De vijf slachtoffers waren een leerkracht en vier kinderen van een basisschool in IJzendijke, die op de bewuste dag, samen met de andere kinderen van de groepen 7 en 8 van die basisschool en begeleiders, in vier auto’s op een rij, op weg waren naar een bezoek aan het filmfestival in Vlissingen. De aangereden auto was de laatste auto van de rij.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen en de verklaringen ter terechtzitting van de ouders/verzorgers van de slachtoffers heeft de rechtbank kunnen opmaken dat het leed, dat door het ongeval is veroorzaakt, enorm is. Voor de nabestaanden van de overleden slachtoffers is dit leed onherstelbaar. Zij staan voor de vrijwel onmogelijke taak om het verlies van hun kind en zus een plaats in hun leven te geven. Het zwaargewonde kind en haar ouders zullen moeten leven met vermoedelijk blijvende beperkingen. Ook voor de twee licht gewonde kinderen en hun ouders/verzorgers geldt dat zij nog geruime tijd, zo niet altijd, zullen worden geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Het ongeval heeft ook een grote geestelijke impact gehad op de bewoners van het dorp IJzendijke en met name de leerkrachten en de kinderen van de betreffende basisschool.

Verdachte kan worden verweten dat zij haar verantwoordelijkheid ten opzichte van (de veiligheid van) haar medeweggebruikers onvoldoende in acht heeft genomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte slechts in zeer beperkte mate heeft getracht contact te zoeken met de nabestaanden van de overleden slachtoffers en de ouders/verzorgers van de gewonde kinderen. In haar, zich in het dossier bevindende, verklaringen en ook ter terechtzitting heeft verdachte – wellicht onbedoeld – de indruk gewekt dat vooral haar iets vreselijks is overkomen en dat zij minder oog heeft voor het leed van de nabestaanden en de slachtoffers. Ter terechtzitting hebben enkele nabestaanden te kennen gegeven dat deze houding van verdachte het moeilijker maakt hun verdriet te verwerken. De rechtbank betreurt dit. Anderzijds is de rechtbank ervan overtuigd dat ook verdachte onder de gevolgen van het ongeval, dat ook zij niet heeft gewild, heeft geleden en nog steeds lijdt. Verdachte zal immers moeten leven met de wetenschap dat door haar toedoen een jonge vrouw en een kind het leven hebben gelaten en dat een ander kind ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen; deze last zal ongetwijfeld zwaar op haar drukken.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat zij niet eerder met justitie en politie in aanraking is geweest.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. Zij overweegt daarbij dat in gevallen als het onderhavige het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden naast een onvoorwaardelijke werkstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel een passende reactie vormt. Gelet evenwel op de verwachting dat van een voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval geen speciaal preventieve werking zal uitgaan, alsmede gelet op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, acht de rechtbank een combinatie van een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van maximale duur, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van substantiële duur en een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank door het stellen van een bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke geldboete verdachte bewegen tot het storten van een bedrag van EUR 2.500,00 in het Fonds Slachtofferhulp Nederland te ’s-Gravenhage.

Bij het vaststellen van de geldboete alsmede de daarbij gestelde bijzondere voorwaarde heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade wegens begrafeniskosten en immateriële schade in verband met het verlies van zijn dochter.

De raadsman van verdachte heeft zich conform de eis van de officier van justitie op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vordering tot schadeververgoeding.

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade geheel is vergoed en dat de immateriële schade niet als rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51a, eerste lid, en artikel 361 tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering valt aan te merken. Dit brengt met zich dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat zij met het oog op haar verdediging tegen de vordering van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij legt aan de verdachte de volgende taakstraf op:

een WERKSTRAF voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) UREN, met bevel dat indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (éénhonderd twintig) dagen.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren per in voorarrest doorgebrachte dag.

Zij veroordeelt de verdachte voorts tot betaling van een GELDBOETE van EURO 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 (vijftig) dagen.

Zij bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Zij stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen één maand na het ingaan van de proeftijd EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) zal storten op rekening 6700 van het Fonds Slachtofferhulp Nederland te ’s-Gravenhage en het bewijsstuk of de bewijsstukken van die storting binnen die termijn zal doen toekomen aan de officier van justitie te Middelburg.

Zij veroordeelt de verdachte wegens de bewezenverklaarde feiten voorts tot ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID MOTORRIJTUIGEN TE BESTUREN voor de duur van 2 (twee) JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde voor het tijdstip waarop deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van genoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Zij verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door: mr. J.P.M. Hopmans, voorzitter, mrs. R.C.M. Reinarz en I.E.M. Sutorius, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Francke als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2007.

Mr. Sutorius is buiten staat dit vonnis te tekenen.