Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:AZ8254

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
51900 HA ZA 06-133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

Delta Lloyd vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden], hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen aan haar te voldoen een bedrag van € 35.169,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2005 tot de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure. Zij legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De Thom heeft schuld aan de aanvaring. De stuurman van de Thom beschikte niet over een (groot) vaarbewijs. De Thom had voorrang moeten verlenen aan de Bran. De Bran hield de stuurboordwal van zijn vaarwater, de lijn langs de boeien EV10, EV8 en EV6 in de richting van Haven de Val. Zij heeft haar koers, noch de stand van haar zeilen veranderd. De Thom heeft reeds voor de boei Kt4 zijn stuurboordzijde verlaten en de bocht afgesneden kort langs de boeien EV2 en EV4. Delta Lloyd betwist dat de Thom attentiesignalen heeft gegeven en de Bran over de marifoon heeft opgeroepen. De getuigen hebben geen aan de aanvaring voorafgaande geluidsignalen gehoord. Getuigen hebben ook geen oproep over de marifoon gehoord. Zij betwist voorts dat de matroos op de boeg van de duwbak stond.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 51900 / HA ZA 06-133

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. J. Boogaard,

advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

tegen

1. [gedaagde sub 1], zaakdoende onder de naam Scheepvaartbedrijf [gedaagde sub 1],

wonende te Arnemuiden,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Sas van Gent,

gedaagden,

procureur mr. K.P.T.G. Flos,

advocaat mr. T. Roos te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Delta Lloyd en [gedaagden] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

De feiten

Op 8 mei 2005 omstreeks 15.00 uur heeft zich op de Oosterschelde in het Engelsche Vaarwater benoorden de boei EV6 een aanvaring voorgedaan tussen het plezierzeiljacht Bran en de duwcombinatie Thom/Nautica3. De Bran is van het type Optima 101 en is 10.10 meter lang en 3.40 meter breed. De Thom was op weg van Rotterdam-Botlek naar Middelburg. De route liep over het Keten en het Engelsche Vaarwater. De wind was noordwest, kracht 5 Bft, en er was sprake van een vloedstroom. Het zicht was goed. De Bran voer met het zeil over stuurboord in het Engelsche Vaarwater. De bemanning zat aan de bakboordzijde van de kuip en heeft verklaard dat zij de Thom niet heeft zien aankomen omdat de zeilen er voor zaten. De Thom kwam uit de Keeten om bakboord uit het Engelsche Vaarwater in te steken. De Bran is bij de aanvaring onder de kop van de Nautica 3 gevangen en heeft daardoor schade opgelopen. De Thom duwde op het moment van de aanvaring de onbeladen bak Nautica 3 met een lengte van 76.50 meter, een breedte van 11.39 meter en een diepte van 4.10 meter. De Bran is een klein schip in de zin van artikel 1.01 sub A4 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en de Thom is een groot schip in de zin van artikel 1.01 sub A3 van het BPR. Delta Lloyd is de verzekeraar van de Bran. [gedaagden] waren ten tijde van de aanvaring, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de Thom. Delta Lloyd heeft als schadeverzekeraar van de Bran de schade aan de Bran vergoed en is door subrogatie in de rechten van de eigenaar van de Bran getreden. Het korps Landelijke Politiediensten, Unit Zeeuwse Stromen, Groep Wemeldinge heeft een onderzoek ingesteld en [A.T.] als verdachte gehoord en [G.V.], [R.V.], [A.B.], [R.A.V.] en [R.L.] als getuigen. De bevindingen en de afgelegde verklaringen zijn neergelegd in het Proces-verbaal Aanvaring.

Het geschil

Delta Lloyd vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden], hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen aan haar te voldoen een bedrag van € 35.169,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2005 tot de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure. Zij legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De Thom heeft schuld aan de aanvaring. De stuurman van de Thom beschikte niet over een (groot) vaarbewijs. De Thom had voorrang moeten verlenen aan de Bran. De Bran hield de stuurboordwal van zijn vaarwater, de lijn langs de boeien EV10, EV8 en EV6 in de richting van Haven de Val. Zij heeft haar koers, noch de stand van haar zeilen veranderd. De Thom heeft reeds voor de boei Kt4 zijn stuurboordzijde verlaten en de bocht afgesneden kort langs de boeien EV2 en EV4. Delta Lloyd betwist dat de Thom attentiesignalen heeft gegeven en de Bran over de marifoon heeft opgeroepen. De getuigen hebben geen aan de aanvaring voorafgaande geluidsignalen gehoord. Getuigen hebben ook geen oproep over de marifoon gehoord. Zij betwist voorts dat de matroos op de boeg van de duwbak stond.

[gedaagden] voeren verweer. De Thom volgde in de Keeten de rode tonnenlijn K8,6 en 4. Ter hoogte van K4 is zij met een ruime bocht bakboord uit het Engelsche vaarwater ingevaren, in de richting van de EV3, waarbij zij ruim boven de K1/EV2 bleef. Op hetzelfde moment kwam vanuit het Engelsche Vaarwater een aantal zeiljachten, die in de richting van de klap van de Zeelandbrug voeren en op een kruisende koers met de Thom kwamen te liggen. Het eerste jacht kruiste ruim voor de Thom langs. Het tweede jacht, de Bran, bleef op de Thom afvaren. De Thom heeft attentie signalen afgegeven, de Bran per marifoon opgeroepen, een matroos naar voren gestuurd om het jacht op te roepen en tenslotte hard achteruitgeslagen. De aanvaring is volledig te wijten geweest aan de Bran. Aan boord van de Bran werd in strijd met goed zeemanschap en het reglement geen uitkijk gehouden. De Bran is ten onrechte niet uitgeweken. Op grond van artikel 6.17 lid 3 BPR moet in een situatie van kruisende koersen met gevaar voor aanvaring het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip. De Thom betwist dat de Bran de stuurboordzijde van het vaarwater heeft aangehouden. De Thom mocht er op rekenen dat de Bran tijdig zou uitwijken. Het feit dat Lastdrager geen grootvaarbewijs bezat is niet relevant. Het schip stond onder gezag van Staalman, die wel in het bezit was van een groot vaarbewijs en aan boord was. Het BPR schrijft niet voor dat de schipper zelf aan het roer staat. [gedaagden] erkennen de hoogte van de schade, met uitzondering van de stallingkosten.

De beoordeling

Beide partijen hebben ter ondersteuning van de door hen ontwikkelde stellingen zich beroepen op de in het Proces-verbaal Aanvaring opgenomen verklaringen. Nu geen van partijen de ten overstaan van de verbalisanten afgelegde verklaringen heeft betwist en geen relevant nader bewijs heeft aangeboden, zal ook de rechtbank bij haar beoordeling van die verklaringen uitgaan.

De aanvaring heeft plaatsgevonden ten noorden van de boei EV6. Volgens de eigen stellingen van Delta Lloyd koerste de Bran in de richting van Haven de Val en heeft zij haar koers noch de stand van haar zeilen kort voor de aanvaring veranderd. Volgens de eigenaar van de Bran voer hij ongeveer midden vaarwater, misschien iets meer naar de rode kant. De roerganger van de Bran heeft verklaard dat hij de boei EV6 was gepasseerd en voer tegen de middenas stuurboordvaarwater richting Zeelandbrug. Uit het vorenstaande volgt dat de Bran na het passeren van de boei EV6 niet is afgevallen in de richting de boei EV4 en, anders dan Delta Lloyd bij repliek heeft gesteld, niet de stuurboordwal heeft gevolgd. Van die situatie uitgaande had het kleine schip (de Bran) voorrang moet verlenen aan het grote schip (de duwcombinatie Thom/Nautica). Vaststaat dat dat laatste niet is gebeurd. De bemanning van de Bran heeft verklaard dat zij de Thom niet heeft zien aankomen omdat de zeilen er voor zaten. De bemanning van de Bran heeft daarmee gehandeld in strijd met goed zeemanschap door er niet voor te zorgen voortdurend een goed uitzicht te hebben, zeker in een situatie waarin zij de stuurboordwal had verlaten en dus rekening moest houden met van stuurboord komende scheepvaart. De Bran heeft derhalve schuld aan de aanvaring. De rechtbank verwerpt de stelling van Delta Lloyd dat de Thom (eveneens) schuld had aan de aanvaring. Het feit dat Lastdrager niet beschikte over een grootvaarbewijs maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de Thom er op heeft mogen rekenen dat de Bran haar tijdig zou opmerken en zou uitwijken. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de Bran een wendbaar schip is en tot het laatste moment met een simpele afvalmanoeuvre een aanvaring kon voorkomen. De rechtbank zal de vordering derhalve afwijzen. Delta Lloyd dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering van af;

- veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagden] tot aan dit moment worden begroot op € 775,00 wegens griffierecht en € 1.158,00 wegens procureurssalaris;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007.?