Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2007:AZ6955

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
38541 HA ZA 03-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

De onderbouwing van het standpunt van de PZC dat de rechtbank dient terug te komen op haar vonnis van 7 april 2004, komt hierop neer dat sprake zou zijn van een inhoudelijk verkeerde beslissing omtrent het eigendomsvraagstuk. Zo de rechtbank naar aanleiding van het door de PZC overgelegde arrest van het Hof Den Bosch die mening al zou zijn toegedaan, leent een inhoudelijk verkeerde beoordeling zich echter niet voor eenvoudig herstel. Daarvoor is slechts ruimte indien sprake is van een kennelijke fout. De PZC heeft daartoe – onder verwijzing naar het arrest van het Hof Den Bosch – niets anders gesteld dan dat de rechtbank een verkeerde beslissing heeft genomen. Dit is onvoldoende en de rechtbank zal dan ook aan dit standpunt voorbij gaan.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 10 januari 2007 in de zaak van:

rolnr: 03-240

[eiser],

wonende te Nieuwerkerk,

eiser,

procureur: mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. M.J. Jeths,

tegen:

de besloten vennootschap UITGEVERIJ PROVINCIALE ZEEUWSE COURANT,

statutair gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

procureur: mr. N.H. van Everdingen,

advocaat: mr. M.W. Verhoeven.

1. Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 17 november 2004. De in dat vonnis benoemde deskundigen hebben samen met een door hen gezamenlijk benoemde derde deskundige een deskundigenrapport opgemaakt dat op 8 maart 2006 bij de rechtbank is binnengekomen.

Hierna zijn de volgende processtukken gewisseld:

- conclusie na deskundigenbericht zijdens [eiser];

- antwoordconclusie na deskundigenbericht tevens akte overlegging producties;

- akte uitlating producties.

2. Het verdere geschil

2.1. [eiser] kan zich verenigen met de conclusies van de deskundigen maar stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij het vaststellen van de prijs per foto, dient uit te gaan van het gemiddelde van de door de deskundigen in antwoord op vraag 2 genoemde prijzen voor het handmatig afdrukken van foto’s. Dit komt neer op een bedrag van € 9,25. Hij wijst er op dat de deskundigen in hun rapport hebben aangegeven dat de vastgestelde kwaliteit alleen bereikt kan worden door handmatig afdrukken.

2.2. De PZC stelt dat de rechtbank dient terug te komen op haar vonnis van 7 april 2004. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank een juridische misslag heeft gemaakt door te overwegen dat de eigendom van de foto’s bij [eiser] berust. Zij verwijst daarbij naar het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 13 december 2005.

Voorts stelt de PZC zich op het standpunt dat er een nieuwe deskundige benoemd dient te worden omdat het onderhavige rapport onbruikbaar is. Het rapport is onzorgvuldig tot stand gekomen, het is onzorgvuldig gemotiveerd en het is onduidelijk. Aangezien het met betrekking tot het eigendomsvraagstuk niet ondenkbaar is dat daarover in appel anders wordt geoordeeld, acht zij het uit proceseconomische overwegingen niet zinvol om in de onderhavige procedure een nieuwe deskundige te benoemen. Derhalve verzoekt zij de rechtbank om een tussenvonnis te wijzen waarin appel tegen de eerdere vonnissen wordt opengesteld.

Ten slotte verzoekt de PZC de rechtbank het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Aangezien het volgens haar niet ondenkbeeldig is dat het gerechtshof in appel tot een ander oordeel komt, loopt zij een incassorisico indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

2.3. Naar aanleiding van het door de PZC gestelde merkt [eiser] onder meer het volgende op. De rechtbank kan noch moet terugkomen op haar in het vonnis van 7 april 2004 gegeven eindbeslissing omdat het vonnis geen juridische misslag bevat.

Voorts bestrijdt hij dat er aanleiding bestaat om een nieuwe deskundige te benoemen.

Ten slotte voert hij aan dat er op grond van de wet en de aard van het vonnis geen beletselen zijn die zich tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaring verzetten.

3. De verdere beoordeling van het geschil

3.1. De onderbouwing van het standpunt van de PZC dat de rechtbank dient terug te komen op haar vonnis van 7 april 2004, komt hierop neer dat sprake zou zijn van een inhoudelijk verkeerde beslissing omtrent het eigendomsvraagstuk. Zo de rechtbank naar aanleiding van het door de PZC overgelegde arrest van het Hof Den Bosch die mening al zou zijn toegedaan, leent een inhoudelijk verkeerde beoordeling zich echter niet voor eenvoudig herstel. Daarvoor is slechts ruimte indien sprake is van een kennelijke fout. De PZC heeft daartoe – onder verwijzing naar het arrest van het Hof Den Bosch – niets anders gesteld dan dat de rechtbank een verkeerde beslissing heeft genomen. Dit is onvoldoende en de rechtbank zal dan ook aan dit standpunt voorbij gaan.

3.2.1. Ter motivering van haar standpunt dat een nieuwe deskundige benoemd dient te worden, heeft de PZC onder meer het volgende aangevoerd. [eiser] heeft van de deskundigen die de kwaliteit van de foto’s moesten beoordelen, de vrijheid gehad om foto’s uit te zoeken die door hem handmatig gecorrigeerd waren. De deskundigen hebben nagelaten te verifiëren of alle foto’s die [eiser] aan de PZC leverde handmatig gecorrigeerd waren. Hierdoor is de kwaliteit van de foto’s niet objectief vastgesteld. Aangezien het handmatig corrigeren tijd vergt, acht de PZC dit van invloed op de prijs van de foto’s.

De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. De PZC heeft niet gesteld dat de kwaliteit van de door [eiser] aangeleverde foto’s steeds verschillend was. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat deze constant is geweest. Of de foto’s om die kwaliteit te bereiken al dan niet handmatig gecorrigeerd waren en in welke mate, speelt bij de vaststelling van de kwaliteit geen rol. Daar de deskundigen vervolgens een gemiddelde prijs hebben berekend voor het maken van foto’s die aan die kwaliteit voldoen, is daarbij reeds inbegrepen de tijd die daar gemiddeld mee gemoeid is.

3.2.2. Voorts voert de PZC ter onderbouwing van haar standpunt aan dat controle van het rapport onmogelijk is omdat de door de deskundige beoordeelde foto’s niet aan het rapport zijn gehecht. Daarbij doelt de PZC kennelijk op de afdrukken die de deskundigen voor het opstellen van hun conceptrapport hebben gebruikt. Blijkens de als productie 4 en 5 overgelegde brieven van 22 juli 2005 en 6 oktober 2005 heeft de PZC de betreffende afdrukken reeds van de deskundigen ontvangen. De PZC kan zich er derhalve in redelijkheid niet op beroepen dat controle van het rapport onmogelijk is.

Omdat de rechtbank er vanuit gaat dat de aan de PZC geleverde foto’s van constante kwaliteit waren, is het voor de controle van het rapport voorts niet van belang dat de overige door de deskundigen bekeken foto’s aan het rapport worden gehecht.

3.2.3. Ook het door de PZC aangevoerde feit dat de correspondentie met en de offertes van de door de deskundigen benaderde laboratoria niet aan het rapport zijn bevestigd, maakt het rapport voor de rechtbank niet onbruikbaar. De drie deskundigen van wie er twee door [eiser] en de PZC zijn aangewezen, zijn door de rechtbank benoemd omdat zij geacht worden terzake kundig te zijn. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat zij met hun kennis en kunde in staat zijn geweest die inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben geacht voor de beantwoording van de hen gestelde vragen en dat zij de (mondeling dan wel schriftelijk) ingewonnen informatie op hun bruikbaarheid en waarde hebben weten te beoordelen.

3.2.4. Tevens stelt de PZC dat de objectiviteit van het rapport in het geding is omdat ook door CapiluxVak een offerte is uitgebracht terwijl één van de deskundigen daar werkzaam was. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. Blijkens het bijgevoegde prijzenoverzicht ziet de door CapiluxVak uitgebrachte offerte op het maken van digitale afdrukken. Daar de deskundigen de opdracht hebben gekregen de prijs te bepalen voor handmatig afgedrukte foto’s, zal de rechtbank de door CapiluxVak berekende prijs buiten beschouwing laten bij het vaststellen van de prijs voor een handmatige afdruk. Reeds om die reden wordt het standpunt van de PZC dat de objectiviteit van het rapport in het geding is, niet gevolgd. Om diezelfde reden ziet de rechtbank ook in het door de PZC aangevoerde feit dat de deskundigen de prijs van een digitale afdruk hebben bepaald hoewel de rechtbank daar niet om heeft gevraagd, geen aanleiding een nieuwe deskundige te benoemen.

3.2.5. Voorts voert de PZC aan dat de beantwoording op vraag drie niet kan worden meegewogen bij de beoordeling van de zaak. De rechtbank acht de betreffende overwegingen weliswaar informatief, maar voor de prijsbepaling van een handmatig afgedrukte foto niet van belang. Derhalve zullen zij bij het vaststellen van de uiteindelijke prijs per afdruk buiten beschouwing worden gelaten.

3.2.6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om een nieuwe deskundige te benoemen dan wel een tussenvonnis te wijzen waarin appel tegen de eerdere vonnissen wordt opengesteld. Uit het deskundigenrapport en de daaromtrent door partijen gevoerde correspondentie blijkt dat het onderzoek op juiste wijze tot stand is gekomen in die zin dat beide partijen in de gelegenheid zijn geweest hun opmerkingen te maken. Voorts zijn de conclusies van de deskundige voldoende duidelijk en geven zij antwoord op de door de rechtbank gestelde vragen. De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen derhalve over en maakt het tot het hare.

3.3. Zoals hierboven onder 3.2.4 is overwogen, zal de rechtbank bij de beoordeling van het geschil de door de deskundigen genoemde prijzen voor het digitaal afdrukken van foto’s buiten beschouwing laten. Voorts zal zij bij het vaststellen van de prijs per afdruk het gemiddelde nemen van de door de deskundigen genoemde prijzen. Voor wat betreft de door Fourcolor Amsterdam geoffreerde prijzen zal zij uitgaan van de tweede prijsopgave (€ 6,75). Blijkens de toelichting is Fourcolor tussen het doen van de eerste en tweede prijsopgave overgenomen en is er derhalve na de overname een nieuwe situatie ontstaan. Een en ander houdt in dat de rechtbank de prijs voor het handmatig afdrukken van een zwart-wit foto met een afmeting van 20 bij 25 centimeter op kwalitatief goed zwart-wit papier bij een opdracht voor het afdrukken van 19.000 foto’s, vaststelt op € 9,25.

3.4. Gelet op het vorenstaande en op hetgeen in de tussenvonnissen van 7 april 2004, 21 juli 2004 en 17 november 2004 is overwogen, zal de rechtbank de PZC veroordelen om aan [eiser] terzake van schadevergoeding te betalen een bedrag van € 175.694,50 (zijnde 18.994 afdrukken vermenigvuldigd met € 9,25). Daarnaast zal de rechtbank de PZC als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag. Voorts zal de rechtbank de PZC veroordelen in de kosten van de deskundigenrapportage, welke door haar reeds voorgeschoten zijn.

3.5. De wet noch de aard van het vonnis verzet zich tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Voorts wordt [eiser] vermoed belang te hebben bij een dergelijke verklaring aangezien de rechtbank van het tegendeel daarvan niet is gebleken. Zijn belang weegt zwaarder dan het financieel belang van de PZC. De enkele kans dat de PZC een incassorisico loopt, staat aan een uitvoerbaar bij voorraad verklaring niet in de weg. Bovendien dient bij de beoordeling van deze vordering de kans van slagen van het aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing te blijven. Door de PZC zijn geen redenen aangevoerd op grond waarvan de rechtbank aanleiding ziet om van deze regel af te wijken. De rechtbank zal het vonnis derhalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4. De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt de PZC om aan [eiser] te betalen ter zake van schadevergoeding voor de afdrukken die verloren zijn gegaan een bedrag van € 175.694,50 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2002 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de PZC in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiser] tot aan dit moment worden begroot op € 3.863,- wegens griffierecht, € 68,10 wegens overige verschotten en € 9.947,- wegens procureurssalaris, alsmede in de kosten van de deskundigenrapportage;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 januari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

BO