Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:BX9914

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
46564 / HA ZA 2005-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade bij vervoer per schip aan partij ”bins” met diepgevroren vruchtensapconcentraat.

Conservatoir beslag op de resterende, niet beschadigde lading concentraat met een gestelde waarde van circa één miljoen US dollar.

Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) Nederlands recht van toepassing.

Beroep op verjaring afgewezen. Deze is gestuit door het instellen van een eis in reconventie. 3:316 lid 1 BW

Enkele gevorderde bedragen op grond van het onrechtmatig bevonden beslag zijn toewijsbaar:

kosten van rechtsbijstand, extra opslagkosten, kosten verlies “cash anticipation 70%”, garantiekosten, kosten renteverlies geblokkeerd kapitaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 46564 / HA ZA 05-61

Vonnis van 20 december 2006

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar Braziliaans recht

Sucorrico S.A.,

gevestigd te Araras, Brazilië,

2. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman-eilanden

Unicitrus International Ltd.,

gevestigd te Grand Cayman, Kaaiman-eilanden,

eiseressen,

procureur mr. J.C. Bode ’t Hart,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van het land van haar vestiging

Seatrade Group N.V.,

gevestigd te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen,

gedaagde,

procureur mr. J. Boogaard,

advocaat mr. C.J.H. baron van Lynden te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna Sucorrico c.s. worden genoemd, terwijl gedaagde als Seatrade zal worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- een akte houdende vermeerdering eis met producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op of omstreeks 13 december 1996 heeft Seatrade als vervoerder aan boord van het door haar bevrachte m.s. ”Tineke” in Santos (Brazilië) een partij ”bins” met diepgevroren vruchtensapconcentraat in ontvangst genomen van Sucorrico, die met Unicitrus tot hetzelfde concern behoort, van welke partij vruchtensapconcentraat bij aankomst in Vlissingen een aantal ”bins” bleek te zijn ingestort, waardoor naast schade vanwege verlies aan concentraat ook schade aan het schip en andere bijkomende schade is ontstaan.

2.2. Op 9 januari 1997 heeft Seatrade verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op de resterende, niet beschadigde lading concentraat met een gestelde waarde van circa één miljoen US dollar, tot zekerheid van een door haar op USD 200.000 begrote vordering, welk verlof op 10 januari 1997 is verleend, waarbij de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak is gesteld op 60 dagen.

2.3. Op 24 februari 1997 hebben Sucorrico c.s. een bankgarantie gesteld van USD 200.000, die zou vervallen als Seatrade niet binnen 12 maanden een gerechtelijke procedure zou instellen, waarna Sucorrico c.s. op 20 februari 1998 door Seatrade is gedagvaard voor rechtbank te Middelburg (rolnummer 236/98), waarbij de (hoofdelijke) veroordeling van Sucorrico c.s. is gevorderd tot betaling van USD 106.340, vermeerderd met rente en kosten.

2.4. Sucorrico c.s. hebben in die procedure op 1 september 1999 een eis in reconventie ingesteld en daarbij gevorderd (zie bijlage 1 overgelegd bij de incidentele conclusie van Seatrade d.d. 17 augustus 2005):

dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

(a) Seatrade zal veroordelen aan Sucorrico/Unicitrus te betalen een bedrag van USD 83.109 (zegge drie en tachtig duizend eenhonderd negen Amerikaanse dollars), te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 1 januari 1997 tot aan de dag der volledige betaling, en

(b) voor recht zal verklaren dat Seatrade, althans haar agent te Santos voor wie zij in redelijkheid verantwoordelijk is, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Sucorrico/Unicitrus, onder andere als verklaard door de getuige Garayo en voorts door beslag te leggen voor een niet bestaande vordering; en

(c) Seatrade zal veroordelen te vergoeden de schade die Sucorrico/Unicitrus overigens door het handelen van Seatrade hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

Alles met veroordeling van Seatrade in de kosten van de procedure.

2.5. In een tussenvonnis van 13 februari 2002 (als productie 10 overgelegd bij de incidentele conclusie van Sucorrico c.s. d.d. 31 augustus 2005) heeft de rechtbank bij de omschrijving van het geschil met betrekking tot de in reconventie ingestelde vordering het volgende overwogen:

3.6. Sucorrico en Unicitrus stellen schade te hebben geleden doordat Seatrade onrechtmatig beslag heeft gelegd tot zekerheid van haar vordering in conventie die naar het oordeel van Sucorrico en Unicitrus afgewezen dient te worden, en welk beslag ertoe heeft geleid dat Unicitrus een bankgarantie heeft doen stellen waarvan de kosten nog niet te begroten zijn omdat deze afhankelijk zijn van de tijd dat deze bankgarantie nog in stand zal moeten worden gehouden.

2.6. Verder heeft de rechtbank in dat tussenvonnis bij de beoordeling van het geschil met betrekking tot het gestelde onrechtmatig beslag overwogen:

4.9. Tot de beoordeling van het feit of het conservatoir beslag ex art. 626 Rv door Seatrade gelegd na een daartoe op 10 januari 1997 door de president van de rechtbank te Middelburg verleend verlof op de met het m.s. “Tineke” vervoerde partij bevroren vruchtensapconcentraat door Seatrade ten onrechte is gelegd zal de rechtbank eerst in een later stadium van de procedure overgaan.

2.7. Bij (onherroepelijk) eindvonnis van 14 juli 2004 (als bijlage 2 overgelegd bij de incidentele conclusie van Seatrade d.d. 17 augustus 2005) heeft de rechtbank de in conventie ingestelde vorderingen van Seatrade, tot zekerheid waarvan het beslag was gelegd, afgewezen, daarbij in essentie overwegende dat niet de constructie van de “bins” maar de slecht uitgevoerde stuwage de oorzaak was van de schade, terwijl in reconventie van de drie onderdelen van de door Sucorrico c.s. ingestelde vordering onderdeel (a) werd toegewezen. Daarover heeft de rechtbank in het eindvonnis overwogen:

3.8. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen en nu overigens door Seatrade geen verweer is gevoerd tegen de hoogte van het door Sucorrico c.s. gevorderde bedrag zal de rechtbank de reconventionele vordering tot betaling aan haar van een bedrag van USD 83.109,-- vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 1997 toewijzen.

3.9. Seatrade zal, nu haar vorderingen in conventie worden afgewezen en zij in reconventie hoofdzakelijk in het ongelijk wordt gesteld, in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld (…).

2.8. De rechtbank heeft in dat eindvonnis het in reconventie meer of anders gevorderde – dus de reconventionele vorderingen sub (b) en (c) – afgewezen.

2.9. Seatrade heeft op 7 september 2004 de op 24 februari 1997 aan haar verstrekte bankgarantie ter afdekking van de op USD 200.000 begrote vordering, waarvoor beslag was gelegd, teruggegeven aan Sucorrico c.s.

3. Het geschil

3.1. Sucorrico c.s. vorderen – samengevat – na vermeerdering van hun eis de veroordeling van Seatrade tot betaling van EUR 210.004,94, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 187.200,-- vanaf de datum van dagvaarding (2 november 2004) tot aan die der volledige betaling, met dien verstande dat betaling aan één van eiseressen bevrijdend jegens beiden zal zijn, en voorwaardelijk, de verwijzing naar een schadestaatprocedure voor het geval dat Seatrade bezwaar maakt tegen de gebezigde dollarkoers en/of tegen het in de dagvaarding onder 12 (g) gevorderde bedrag van EUR 12.735,-- met betrekking tot “diverse overige kosten”, met veroordeling van Seatrade in de kosten van het geding (inclusief nader te specificeren vertaalkosten) en van de kosten van beslaglegging, indien en voorzover die door Sucorrico c.s. nog gemaakt zullen worden.

3.2. Sucorrico c.s. leggen naast de hiervoor onder hoofdstuk 2 vastgestelde feiten (voor zover door hen aangevoerd) in essentie aan deze vordering ten grondslag dat op grond van voormeld (onherroepelijk) vonnis van de rechtbank d.d. 14 juli 2004 vaststaat dat het door Seatrade gelegde conservatoir beslag onrechtmatig was en dat Seatrade aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade, die door Sucorrico c.s. is beperkt omdat zij vervangende zekerheid hebben gesteld in de vorm van een bankgarantie. Sucorrico c.s. stellen dat Seatrade aan Sucorrico c.s. aanzienlijke schade hebben toegebracht door de beslaglegging in januari 1997, uitkomende op een bedrag van EUR 187.200,--, welk bedrag Sucorrico c.s. hebben gespecificeerd in de dagvaarding sub 12, waarna zij de diverse posten van hun schadevordering ieder afzonderlijk gemotiveerd en gedocumenteerd hebben toegelicht.

3.3. Seatrade heeft verweer gevoerd tegen deze vordering. In essentie komt haar primaire verweer er op neer dat de rechtbank in het eindvonnis van 14 juli 2004 alleen de door Sucorrico c.s. in reconventie sub (a) gevorderde schade aan de lading heeft toegewezen en de hierboven onder r.o. 2.4. sub (b) en (c) geciteerde vorderingen heeft afgewezen en ook met zoveel woorden in het dictum heeft bepaald, dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Sucorrico c.s. zijn niet in hoger beroep gegaan van dat vonnis, zodat het op 14 oktober 2004 in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee staat volgens Seatrade vast dat deze vorderingen zijn afgewezen, terwijl Sucorrico c.s nu exact hetzelfde en op dezelfde basis vorderen, namelijk de schade die zij hebben geleden ten gevolge van het handelen van Seatrade op basis van onrechtmatige daad. Seatrade stellen dat Sucorrico c.s evenwel niet opnieuw dezelfde vorderingen in dit nieuwe geding kunnen instellen, nu over die vorderingen al onherroepelijk is beslist, zodat Sucorrico c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

3.4. Subsidiair heeft Seatrade aangevoerd dat Sucorrico c.s niet aangeven en ook niet staven met bewijsstukken wie van de eisende partijen welke schade heeft geleden en evenmin toelichten of de door hen gevorderde kosten niet geheel of ten dele ten laste van de verzekeraars zijn gekomen. Meer subsidiair heeft Seatrade aangevoerd dat Sucorrico c.s alleen de schade kunnen vorderen tengevolge van het conservatoir beslag op een deel van de lading, dat op 10 januari 1997 is gelegd en dat tegen zekerheid is opgeheven op 24 februari 1997, terwijl Sucorrico c.s. blijkens de dagvaarding ook kosten en schade vorderen, die zij in het kader van de gevolgde procedure(s) hebben geleden. Tot slot heeft Seatrade zich beroepen op verjaring. Zij stellen daartoe dat Sucorrico c.s. schadeposten vorderen, die dateren van langer dan 5 jaren vóór de uitbrenging van de dagvaarding van 2 november 2004, welke vorderingen evenwel zijn verjaard.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat op het onderhavige geschil Nederlands recht van toepassing is. Sucorrico c.s. hebben hun schadevordering gebaseerd op een onrechtmatige daad van Seatrade. Naar Nederlands internationaal privaatrecht, zoals gecodificeerd in de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD), wordt een dergelijke vordering in beginsel beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvond. Nu Seatrade het beslag in Vlissingen heeft gelegd en het gestelde onrechtmatig handelen van Seatrade derhalve in Nederland heeft plaatsgevonden, is ook op die grond Nederlands recht van toepassing.

4.2. Seatrade heeft zich primair beroepen op het gezag van gewijsde in de zin van art. 236 Rv. Dit verweer treft geen doel. Sucorrico c.s. hebben in de vorige procedure (in reconventie) gevorderd dat de rechtbank het gelegde beslag onrechtmatig zal verklaren. In het tussenvonnis van 13 februari 2002 heeft de rechtbank dit onderdeel van de vordering kort weergegeven en daarbij tevens naar voren gebracht dat Sucorrico c.s. de kosten van de bankgarantie nog niet konden begroten, omdat deze kosten afhankelijk zijn van de duur van deze bankgarantie. De rechtbank heeft verder overwogen dat over die vordering in een later stadium van de procedure zal worden geoordeeld. In het eindvonnis van 14 juli 2004 heeft de rechtbank wel beslist over de door Sucorrico c.s. in reconventie sub (a) ingestelde ladingschade, maar is zij niet toegekomen aan een begroting van de kosten van de door Sucorrico c.s. afgegeven bankgarantie van USD 200.000, terwijl ook de gestelde onrechtmatigheid van het beslag niet meer aan de orde is gekomen. Een inhoudelijke beoordeling van dit geschil heeft derhalve nog niet plaatsgevonden, zodat ook geen sprake kan zijn van gezag van gewijsde.

4.3. Subsidiair heeft Seatrade aangevoerd dat Sucorrico c.s ook niet hebben aangegeven wie van beide eisende partijen welke schade heeft geleden en evenmin of de door hen gevorderde schade niet geheel of ten dele ten laste van de verzekeraars is gekomen. Met betrekking tot het eerste onderdeel van dit verweer wordt in ogenschouw genomen dat Seatrade in de eerdere procedure, ingeleid bij haar dagvaarding van 8 april 1998, de hoofdelijke veroordeling van Sucorrico en Unicitrus heeft gevorderd (zie prod. 3 conclusie d.d. 9 februari 2005), zodat ook Seatrade destijds kennelijk is uitgegaan van het bestaan van een hoofdelijke verbondenheid van die partijen in de zin van art. 6:102 lid 1 BW. Ook heeft Seatrade niet toegelicht welk belang zij heeft bij de vraag naar de onderlinge relatie van de eisende partijen. Aan dit onderdeel van het verweer wordt dan ook voorbijgegaan. Evenmin heeft Seatrade belang bij haar verweer dat de schade geheel of ten dele ten laste van de ladingverzekeraars komt. Beslissend is of Seatrade bevrijdend aan Sucorrico c.s. kan betalen, hetgeen het geval zal zijn als zij tot betaling wordt veroordeeld. Omgekeerd hebben Sucorrico c.s. de keuze om óf Seatrade, die volgens haar stellingen als schadeveroorzakende partij moet worden beschouwd, óf de ladingverzekeraar aan te spreken. Nu zij hun vorderingen hebben gegrond op een onrechtmatig beslag van Seatrade en niet op wanprestatie bij de uitvoering van een vervoersovereenkomst, ligt meer voor de hand dat Sucorrico c.s. rechtstreeks tegen Seatrade ageren terzake van de door hen geleden schade.

4.4. Meer subsidiair heeft Seatrade aangevoerd dat Sucorrico c.s. alleen de schade kunnen vorderen tengevolge van het conservatoir beslag, dat op 10 januari 1997 is gelegd en dat tegen zekerheid is opgeheven op 24 februari 1997, terwijl Sucorrico c.s. blijkens de dagvaarding ook kosten en schade vorderen, die zij in het kader van de gevolgde procedure(s) hebben geleden. Of en zo ja tot welk bedrag Seatrade schadeplichtig is jegens Sucorrico c.s. zal hierna bij de beoordeling van de diverse schadeposten aan de orde komen.

4.5. Tot slot heeft Seatrade zich op het standpunt gesteld dat de verjaringstermijn is beginnen te lopen op 24 februari 1997, op welke datum zij het beslag op de lading tegen de zekerheid van een vervangende bankgarantie heeft opgeheven. Ook dit verweer slaagt niet. Sucorrico c.s. hebben op 1 september 1999 een eis in reconventie ingesteld in de procedure, die onder rolnummer 236/98 heeft gediend bij deze rechtbank. Bedoelde tegenvordering had betrekking op de door Sucorrico c.s. ten gevolge van het beslag geleden schade. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren, maar die verjaring kan op de voet van art. 3:316 lid 1 BW worden gestuit door het instellen van een eis, zoals in voormelde procedure is gebeurd. In die procedure is op 14 juli 2004 een eindvonnis gewezen, zodat op grond van art. 3:316 lid 2 BW de stuiting liep tot 14 oktober 2004, op welke datum dat geding eindigde vanwege het in kracht van gewijsde gaan van dat eindvonnis. Nu Sucorrico c.s. de onderhavige schadevordering hebben ingesteld op 2 november 2004, derhalve binnen de in art. 3:316 lid 2 BW genoemde termijn van zes maanden na het onherroepelijk worden van voormeld eindvonnis, zijn de diverse onderdelen van de schadevordering niet verjaard.

4.6. Thans zal worden beoordeeld in hoeverre de diverse door Sucorrico c.s. gevorderde bedragen op grond van het onrechtmatig bevonden beslag toewijsbaar zijn. Sucorrico c.s. stellen in het algemeen dat zij hun schade deels in euro’s (omgerekend vanuit NLG) deels in dollars hebben geleden, maar dat zij ter wille van de eenheid van de berekening en vanwege de regelmatige koersfluctuaties bij de berekening van Amerikaanse dollars en euro’s zijn uitgegaan van een wisselkoers van 1:1. Seatrade heeft tegen deze benadering geen bezwaar gemaakt, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan.

4.7. Sucorrico c.s. hebben allereerst de kosten van rechtsbijstand gevorderd, die in rekening zijn gebracht vóór de aanvang en na afloop van de vorige procedure ten bedrage van EUR 15.494,--, zoals gespecificeerd in prod. 5 (a) (vi). Het daartegen gevoerde verjaringsverweer wordt op voormelde gronden verworpen. Seatrade stelt verder dat de door Sucorrico c.s. gevorderde kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets in de zin van art. 6:96 lid 2 BW. Daarover wordt overwogen dat Seatrade eerst het beslag heeft opgeheven op 24 februari 1997, nadat Sucorrico c.s. vervangende zekerheid hadden gesteld in de vorm van een bankgarantie. De daaruit voortvloeiende kosten behoren als kosten van schadebeperking tot de kosten, die zijn veroorzaakt door het beslag en kunnen derhalve niet worden beschouwd als kosten ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak in de zin van art. 241 Rv, waarvoor de in de artt. 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat de hoofdzaak eerst een jaar na het beslag is ingesteld (zie r.o. sub 2.2 en 2.3). Ook de inspanningen na het eindvonnis van 14 juli 2004 teneinde de afgegeven bankgarantie terug te krijgen, zijn kosten in de zin van art. 6:96 BW. Seatrade heeft niet bestreden dat daarvoor de dreiging met een kort geding (zie productie 19 bij repliek) nodig was. De gevorderde kosten van rechtsbijstand zijn op grond van art. 6:96 lid 2 onder a BW dan ook volledig toewijsbaar.

4.8. Sucorrico c.s. hebben verder de extra opslagkosten voor de beslagen lading gevorderd ten bedrage van EUR 2.120, welke vordering zij hebben vermeerderd tot EUR 5.910,94. Het gaat hier blijkens prod. 5 (b) (i) om de door het beslag veroorzaakte extra opslagkosten in de beslagperiode van 10 januari 1997 tot 27 februari 1997 ad EUR 3.754,17 en de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 1997 tot 2 november 2004 (datum dagvaarding), die blijkens een specificatie in prod. 5 (b) (ii) EUR 2.156,77 bedraagt. Volgens de door hen gegeven toelichting werden Sucorrico c.s. door het beslag gehinderd om de lading te distribueren en te leveren aan de in Europa gevestigd afnemers. Ter weerlegging van deze vordering heeft Seatrade aangevoerd dat het zeer gebruikelijk is dat dit soort lading geruime tijd staat opgeslagen. Seatrade gaat er daarbij evenwel aan voorbij dat Sucorrico c.s. door het beslag niet vrijelijk over de beslagen goederen heeft kunnen beschikken. Ook het verweer van Seatrade dat de wettelijke rente niet is aangezegd, wordt verworpen, nu bij een vordering uit onrechtmatige daad geen aanzegging nodig is. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat Seatrade in verzuim is met de voldoening van de geldschuld. Dat is dus vanaf 1 maart 1997 en niet vanaf 14 juli 2004 (datum eindvonnis), zoals Seatrade nog heeft betoogd.

4.9. Sucorrico c.s. hebben verder de kosten verlies “cash anticipation 70%” gedurende de beslagperiode ten bedrage van EUR 4.900 gevorderd, zoals gespecificeerd in prod. 5 (c). Sucorrico c.s. hebben daarover toegelicht dat door het beslag op de lading met een waarde van ongeveer één miljoen US dollar geen bevoorschotting op de leveranties door de Dresdner Bank plaatsvond, welke bank normaal na aankomst van het product in Europa 70% van de factuurwaarde placht te bevoorschotten. De bank zou als gevolg van het beslag eerst tot die bevoorschotting zijn overgegaan nadat het beslag was opgeheven en haar was gebleken dat de lading weer was vrijgegeven. Daardoor zou sprake zijn van een rentederving van USD 4.900,--, zijnde 4,2% over USD 700.000 in de periode van 10 januari 1997 tot 11 maart 1997, waarbij Sucorrico c.s. de koers van de Amerikaanse dollar hebben gelijkgesteld aan de koers van de euro. Seatrade heeft zich beroepen op verjaring, welk beroep ook hier wordt verworpen. Seatrade heeft daarnaast betwist dat een oorzakelijk verband bestaat tussen deze kosten en het beslag. De rechtbank gaat ervan uit dat deze verliespost, die Sucorrico c.s. in een brief van Unicitrus d.d. 13 september 2004 nader hebben gespecificeerd, een gevolg van het beslag is geweest, nu Seatrade daartegen verder geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Dit onderdeel van de vordering is derhalve ook toewijsbaar.

4.10. Daarnaast hebben Sucorrico c.s. de garantiekosten gevorderd ten bedrage van EUR 26.049 (prod. 5 sub (d) i + ii). Zij lichten toe dat het hier gaat om provisies en commissies die Sucorrico c.s. hebben moeten betalen aan hun eigen bank, de Dresdner Bank Lateinamerika, die zelf weer afrekende met ABN Amro. Bij repliek hebben Sucorrico c.s. toegelicht dat de als 5 (d) (ii) overgelegde productie niet bij deze post hoort maar bij de extra opslagkosten, zodat Seatrade deze productie terecht als “onbegrijpelijk” heeft aangemerkt. Een telling van de op prod. 5 (d) (i) (“Financial Guarantee Costs”) gespecificeerde bedragen toont aan dat het gaat om een totaalbedrag van EUR 26.049 (USD 22.282,70 + EUR 3.766,11), welke kosten voor provisies en commissies redelijk zijn te achten, mede gelet op de hoogte (USD 200.000) en de looptijd (ruim 7,5 jaar) van de door Sucorrico c.s. gestelde bankgarantie. Dit onderdeel van de vordering is derhalve ook toewijsbaar.

4.11. Sucorrico c.s. hebben voorts het renteverlies ten bedrage van EUR 111.902,-- gevorderd vanwege de blokkering van een bedrag van USD 200.000 over een periode van ruim 7,5 jaar, zoals gespecificeerd in prod. 5 (e) (i) t/m (ix), waarin wordt toegelicht welke schade is geleden als gevolg van dit geblokkeerde kapitaal. Deze rentevordering is nader gespecificeerd op de bovenste helft van prod. 5 (d) (i), waaruit blijkt welke rentekosten zijn gemaakt in de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juli 2004. Seatrade heeft daartegen allereerst aangevoerd dat het tot de normale ondernemersrisico’s hoort dat garanties moeten worden gesteld. Dit verweer is ongegrond, nu uit de vaststaande feiten volgt dat Sucorrico c.s. ter opheffing van het door Seatrade gelegde beslag een bankgarantie hebben moeten stellen. Verder heeft Seatrade aangevoerd dat er geen verband bestaat tussen het beslag en het stellen van een bankgarantie. Ook dit verweer treft geen doel, omdat hiervoor is overwogen dat het verband tussen de gevorderde rente en de bankgarantie vaststaat. Nu Seatrade de door Sucorrico c.s. overgelegde producties niet inhoudelijk heeft weersproken, zal haar verweer verder als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. In dit geding wordt er derhalve van uitgegaan dat Sucorrico c.s. voor de opheffing van het beslag een vervangende zekerheid hebben moeten stellen van USD 200.000 over een periode van 7,5 jaar, waarbij aan de hand van voormelde producties genoegzaam is aangetoond dat de rentekosten uitkomen op het door Sucorrico c.s. gevorderde bedrag van EUR 111.902,--.

4.12. Sucorrico c.s. hebben daarnaast de rente over de betaalde kosten gevorderd ten bedrage van EUR 14.000, welke vordering daarna blijkens prod. 5 (f) is vermeerderd tot een totaalbedrag van EUR 33.014,--. Het betreft volgens Sucorrico c.s. de rente ad EUR 7.437,-- over de kosten voor de garanties (provisies en commissies) die Sucorrico c.s. hebben moeten betalen aan hun eigen bank, zoals aangegeven op de onderste helft van het overzicht dat is overgelegd als prod. 5 (d) (i), uitkomend op een bedrag van EUR 26.048,81 (22.282,70 + 3.766,11), alsmede de rente ad EUR 25.577,-- over de kosten voor het geblokkeerde werkkapitaal, zoals gespecificeerd op de bovenste helft van het overzicht, dat is overgelegd als prod. 5 (d) (i). Het totaal van deze rente bedraagt EUR 33.014, van welk bedrag EUR 14.000 in de dagvaarding is gevorderd, waarna deze vordering met een bedrag van EUR 19.014 is vermeerderd. Seatrade beroept zich ook hier op verjaring, welk verweer wordt verworpen. Verder stelt Seatrade dat deze rente niet is aangezegd en reeds daarom niet is verschuldigd. Na de door Sucorrico c.s. bij repliek gegeven toelichting (“de schade is het betaalde bedrag plus daarop weer de gekweekte rente”), is Seatrade bij dupliek niet meer op dit onderdeel van de vordering teruggekomen, zodat een bedrag van EUR 33.014,-- toewijsbaar is.

4.13. Tot slot hebben Sucorrico c.s. nog diverse overige kosten gevorderd ten bedrage van EUR 12.735, welke vordering Sucorrico c.s. bij wege van schikkingsaanbod hebben gesteld op 50% van de realiter gemaakte kosten. Het gevorderde en in prod. 5 (g) toegelichte bedrag is volgens Sucorrico c.s. slechts een fractie van de totale adviseringskosten (advocaten, bankiers, accountants, vertalers), alsmede van de reiskosten en de kosten van tijdbesteding en managementtijd, die Sucorrico c.s. over een periode van meer dan 7 jaar procederen (buitengerechtelijk) hebben moeten maken om tot een goed inzicht te komen in de toewijsbaarheid van de voorgenomen schadevordering. Seatrade zal worden gevolgd in haar verweer dat deze kosten niet toewijsbaar zijn, omdat het gaat om allerlei kosten, die niet met het beslag te maken hebben, maar met de procedure als zodanig. Evenmin zal toewijzing met inachtneming van art. 6:79 BW plaatsvinden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de zaak te verwijzen naar een schadestaat, zoals voorwaardelijk is gevorderd, nu Sucorrico c.s. de gestelde kosten onvoldoende heeft onderbouwd.

4.14. Het bovenstaande leidt tot toewijsbaarheid van de vorderingen terzake van

(a) kosten van rechtsbijstand ad EUR 15.494,--

(b) extra opslagkosten ad EUR 5.910,94

(c) kosten verlies “cash anticipation 70%”ad EUR 4.900,--

(d) garantiekosten EUR 26.049,--

(e) kosten renteverlies geblokkeerd kapitaal EUR 111.902,--

(f) rente over de sub (d) en (e) betaalde kosten EUR 33.014,--

TOTAAL EUR 197.269,94

4.15. Nu Seatrade grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van Sucorrico c.s. zijn gevallen. Onder die te liquideren kosten vallen ook de door Sucorrico c.s. afzonderlijk gevorderde, maar niet nader gespecificeerde vertaalkosten, die immers zijn gemaakt ter instructie van de zaak (het vergaren van feiten en de juridische analyse daarvan) en ter voorbereiding van de gedingstukken (ordening en selectie van het hoofdzakelijk in het buitenland verzamelde feitenmateriaal) in de zin van art. 241 Rv. Daarnaast zijn de separaat gevorderde kosten van beslaglegging niet gemaakt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Seatrade aan Sucorrico c.s. te betalen een bedrag van EUR 197.269,94, vermeerderd met de wettelijke rente over € 187.200,-- vanaf 2 november 2004 tot aan die der volledige betaling, des dat de betaling aan één eiseres bevrijdend zal zijn jegens beide eiseressen;

5.2. veroordeelt Seatrade in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Sucorrico c.s. begroot op € 3.630,-- aan griffierecht, € 90,78 aan explootkosten en € 5.684,-- aan salaris procureur;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2006 in aanwezigheid van de griffier.