Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:BB6609

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
52098 / HA ZA 06-162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''(...)

De beoordeling

4.1. Alvorens kan worden beoordeeld of Van Vliet voor de door [Metaalhandel] geleden schade aansprakelijk is, dient te worden vastgesteld – nu partijen daarover van mening lijken te ver-schillen – welke werkzaamheden [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] uitvoerden, waar-door de brand is ontstaan: Van Vliet stelt dat zij een strip aan de achterwand vastlasten, Jan-sen stelt dat zij mogelijk bezig waren aan een H-bint te branden.

(...)''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 52098 / HA ZA 06-162

Vonnis van 6 december 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Metaalhandel] (hierna te noemen: [Metaalhandel]),

gevestigd te Krimpen aan den IJssel, tevens kantoorhoudende te Rotterdam,

eiseres,

procureur: mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. R.P. Gasseling,

tegen

1. de vennootschap onder firma VAN VLIET & VAN VLIET,

statutair gevestigd te Zierikzee,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Zierikzee, en

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Brouwershaven,

(hierna gezamenlijk te noemen (in enkelvoud): Van Vliet)

gedaagden,

procureur: mr. J.P. Quist,

advocaat: mr. A.V.M. van Dijk.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 24 oktober 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Metaalhandel] handelt in recyclebare metalen. Van Vliet houdt zich met name bezig met heiwerken, maar verricht ook las-, snij- en constructiewerkzaamheden.

2.2. Begin 2003 heeft [Metaalhandel] aan Van Vliet de opdracht verstrekt om op haar bedrijfs-terrein in Rotterdam werkzaamheden te verrichten. Die werkzaamheden bestonden eruit dat Van Vliet dat terrein in vakken zou verdelen. Daartoe diende zij op diverse plaatsen metalen buizen in de grond te heien, in die buizen 2,5 meter boven de grond uit stekende H-binten te plaatsen en vervolgens tegen die binten metalen tussenwanden te monteren. Voorts diende zij de metalen achterwand van het terrein te repareren.

2.3. Met de uitvoering van voornoemde werkzaamheden heeft Van Vliet [gedaagde sub 3] en ingehuurde zelfstandigen belast. Tijdens die uitvoering, op 16 april 2003 toen [gedaagde sub 3] [M.A.G.] (een door Van Vliet ingehuurde medewerker) aan het werk waren, is brand ontstaan: bij de werkzaamheden vrijkomende vonken zijn terechtgeko-men op een in de nabijheid gelegen stapel met papier omwikkeld koperdraad; dat papier is gaan branden en vervolgens heeft die brand zich verspreid.

2.4. Door de brand heeft [Metaalhandel] aan en op haar bedrijfsterrein schade geleden tot een bedrag van € 233.212,55 excl. BTW.

2.5. Op verzoek van N.V. Interpolis Schade (bij welke maatschappij Van Vliet voor door haar veroorzaakte schade is verzekerd) heeft voor de rechtbank te Rotterdam een voor-lopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Door Interpolis zijn als getuigen voorgebracht [gedaagden sub 2 en 3], voornoemde [M.A.G.], [H.C.J.], directeur van [Metaalhandel][R.S.], (ten tijde van de brand) bedrijfsleider bij [Metaalhandel] en [A.S.] (ten tijde van de brand) werfmedewerker bij [Metaalhandel].

2.6. De schade is niet door Interpolis en/of Van Vliet aan [Metaalhandel] vergoed.

3. Het geschil

3.1. [Metaalhandel] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Van Vliet hoofdelijk – zodat als de één heeft betaald, de ander zal zijn bevrijd – veroordeelt tot beta-ling van een bedrag van € 233.212,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 april 2003, althans 15 februari 2004, althans 8 maart 2006 en tot vergoeding van buitengerechtelijk incassokosten ter hoogte van € 34.981,88, althans (minimaal) € 4.000,--, althans enig bedrag en tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2. [Metaalhandel] stelt primair dat Van Vliet toerekenbaar is tekortgekomen in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, subsidiair dat zij jegens haar on-rechtmatig heeft gehandeld. De brand is ontstaan als gevolg van de door Van Vliet uitge-voerde werkzaamheden. Van Vliet – althans [M.A.G.], voor wie zij aansprakelijk is – is gaan branden/lassen in de buurt van brandbaar materiaal; dat is haar te verwijten. Het kan [Metaalhandel] niet worden verweten dat zij het koperdraad niet voorafgaand aan de werkzaamheden heeft verwijderd. Van Vliet had de betreffende werkzaamheden niet op de plaats nabij de stapel koperdraad behoeven te verrichten. Als het om het (snij-)branden van een H-bint ging, dan had dat zonder enig bezwaar op het middenterrein kunnen plaatsvinden; ging het om het vastlassen van een losgeraakte strip, dan geldt dat dat – gelet op de afgesproken werkvolgorde – op dat moment nog niet nodig was. Van Vliet is ten volle aansprakelijk voor de ontstane schade.

3.3. Van Vliet stelt dat zij aan de brand geen schuld heeft. Zij was bezig met het plaat-sen van een H-bint nabij de achterwand van het terrein. Aan die achterwand hing een strip gedeeltelijk los; dat losse deel hing in de weg. [M.A.G.] is die strip gaan vastlassen. Dat kon niet op een andere plaats dan waar die strip aan de achterwand zat. Bij het vastlassen van de strip zijn vonken op het in de buurt liggende koperdraad overgesprongen en daardoor is de brand ontstaan. Van Vliet wist niet – en behoefde ook niet te weten – dat dat koper-draad brandgevaarlijk was. Het had op de weg van [Metaalhandel] gelegen haar daarop te attende-ren; [Metaalhandel] heeft dat niet gedaan. Nimmer is gezegd dat sprake was van brandbaar materi-aal; ook medewerkers van [Metaalhandel] hebben in de nabijheid van het koperdraad laswerkzaam-heden verricht. Van Vliet meent dat haar geen blaam treft; zij wijst aansprakelijhied voor de schade af.

Van Vliet betwist de gevorderde rente vanaf 17 april 2003. Zij betwist de gestelde buitenge-rechtelijke kosten; het primair gevorderde bedrag voldoet niet aan de dubbele redelijkheids-toets en bewijs is niet bijgebracht. Subsidiair gaat zij akkoord met vergoeding overeenkom-stig Voorwerk II. Voor het geval [Metaalhandel] in de proceskosten wordt veroordeeld, verzoekt Van Vliet daarbij te betrekken de kosten, door haar gemaakt in het kader van het voorlopig getuigenverhoor.

4. De beoordeling

4.1. Alvorens kan worden beoordeeld of Van Vliet voor de door [Metaalhandel] geleden schade aansprakelijk is, dient te worden vastgesteld – nu partijen daarover van mening lijken te ver-schillen – welke werkzaamheden [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] uitvoerden, waar-door de brand is ontstaan: Van Vliet stelt dat zij een strip aan de achterwand vastlasten, Jan-sen stelt dat zij mogelijk bezig waren aan een H-bint te branden.

4.1.1. In het voorlopig getuigenverhoor hebben [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] beiden verklaard dat zij bezig waren een strip aan de achterwand vast te lassen. Beiden verklaarden dat [gedaagde sub 3] de strip vasthield en dat [M.A.G.] laste. Er waren geen anderen bij aanwezig. De mogelijkheid dat zij aan het branden was wordt geopperd door de getuige [R.S.], die dat niet zelf heeft gezien, doch heeft gehoord van [R.Sc.]. Deze [R.Sc.], als getuige gehoord, verklaarde dat hij kort voordat de brand uitbrak met [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] op de plek waar zij aan het werk waren had gesproken, dat zij toen net aan een H-bint hadden gebrand en dat was gebleken dat nog er nog een stuk van die bint moest worden uitgebrand. [R.Sc.] is toen weggegaan en vijf minuten later brak de brand uit. Hij trekt de conclusie dat [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] op dat moment dus aan de H-bint aan het branden waren.

4.1.2. [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] hebben uit eigen waarneming verklaard waarmee zij bezig waren en zijn daarin eenduidig. De getuigen die andere werkzaamheden noemden, deden dat niet uit eigen wetenschap maar ofwel van horen zeggen, ofwel als aanname op basis van waarmee de beide mannen eerder bezig waren. De verklaringen tegen elkaar afwe-gende is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast staat dat [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] bezig waren met het vastlassen van een deels losgeraakte strip op de achterwand van het terrein van [Metaalhandel]. Dat betekent ook, dat die werkzaamheden niet op een andere plaats dan aan de achterwand konden worden verricht.

4.2. Het vorenstaande brengt met zich dat het verwijt wat [Metaalhandel] Van Vliet maakt is dat zij met het vastlassen van de strip een werkzaamheid verrichte, die (nog) niet nodig was. In het licht van de overige stellingen begrijpt de rechtbank dit aldus, dat [Metaalhandel] Van Vliet ver-wijt dat zij in de onmiddellijke nabijheid van brandbaar materiaal onnodig gevaarzettende werkzaamheden verrichtte. Van Vliet verweert zich daartegen, stellende dat zij niet wist en – nu [Metaalhandel] haar daarop niet had gewezen – ook niet behoefde te weten dat het betreffende materiaal – koperdraad omwikkeld met papier – brandbaar was.

4.2.1 De rechtbank is van oordeel dat van Van Vliet mag worden verwacht dat zij er voor zorgt dat zij haar las werkzaamheden – werkzaamheden waarbij vonken vrijkomen, waardoor een zeker gevaar voor brand steeds aanwezig is – zodanig verricht, dat dat gevaar voor brand zoveel mogelijk is uitgesloten. Dat betekent dat zij steeds actief zal moeten nagaan of er op of in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar zij die werkzaamheden gaat uitoefenen materiaal aanwezig is dat brandbaar is en aldus risicovol. Alvorens haar werkzaamheden uit te voeren, zal zij er vervolgens voor dienen te zorgen dat het mogelijke brandgevaar zoveel mogelijk wordt beperkt, bijvoorbeeld door het (doen) verwijderen van het brandbare materiaal. Zij voldoet onvoldoende aan haar zorgplicht, wanneer zij in geval zij van haar opdrachtgever niet verneemt dat er sprake is van mogelijk brandgevaarlijk materiaal, daar zonder meer en zonder eigen onderzoek, op af gaat.

4.2.2. Had Van Vliet in het onderhavige geval voldoende voormelde zorg betracht, dan had zij opgemerkt dat op zeer korte afstand van de plek waar [gedaagde sub 3] en [M.A.G.] zouden gaan lassen, koperdraad, omwikkeld met papier, aanwezig was. Ter comparitie is verklaard dat Van Vliet meende dat het om niet brandbaar oud ijzer ging. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat zij niet zelf heeft bezien of het materiaal brandbaar was. Van Vliet is het verwijt te maken dat zij onvoldoende onderzoek heeft gedaan alvorens aan haar werkzaamheden ter plaatse te beginnen. Had zij dat wel gedaan, dan had zij geweten dat er in de stapel koperdraad papier aanwezig was, waarvan algemeen bekend is dat wanneer daarop vonken vallen, het gemakkelijk ontbrandt. Nu zoals vast staat de werkzaamheden van Vliet daadwerkelijk tot een brand hebben geleid, is de conclusie dat Van Vliet, nu zij onvoldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan en aldus toerekenbaar is tekortgekomen in de nakoming van de tussen haar en [Metaalhandel] gesloten overeenkomst van opdracht, aansprakelijk is voor de door [Metaalhandel] tengevolge van de brand geleden schade.

4.3. Het vorenstaande leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom, die wat betreft de hoogte niet is betwist, zal worden toegewezen. De gevorderde rente zal – gelet op het bepaalde in art. 6:83, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek – worden toegewezen vanaf de da-tum van de brand, 17 april 2003. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal voor wat betreft het primair gestelde bedrag worden afgewezen, nu Van Vliet dat bedrag betwist en [Metaalhandel] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van de hoogte van dit bedrag. Met het subsidiair gestelde bedrag van € 4.000,-- heeft Van Vliet zich akkoord ver-klaard, zodat dat bedrag zal worden toegewezen.

4.4. Van Vliet zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Van Vliet – hoofdelijk zodat wanneer de één betaald, de anderen zullen zijn bevrijd – om aan [Metaalhandel] te betalen het bedrag van € 237.212,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 233.212,55 vanaf 17 april 2003 tot aan de dag der algehele voldoening van dat bedrag;

veroordeelt Van Vliet in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [Metaalhandel] begroot op € 4.667,-- aan griffierecht, € 71,32 aan overige verschotten en € 4.000,-- aan salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 6 de-cember 2006.?