Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AZ5049

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
46564 HA ZA 05-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''...Nu de wet de incidentele vordering tot niet-ontvankelijk verklaring niet kent, dient de rechtbank alvorens zij toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verweer van Seatrade betreffende de ontvankelijkheid van Sucorrico c.s. te beoordelen of dit verweer in een incident naar voren kan worden gebracht. De rechtbank overweegt dat een niet rechtstreeks in de wet genoemde incidentele vordering kan worden ingesteld indien de vordering een processueel verweer bevat dan wel een processuele aangelegenheid aan de orde stelt zónder dat de rechter daarbij aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in het onderhavige incident niet het geval en dient het gevorderde in de hoofdzaak naar voren te worden gebracht. De rechtbank overweegt daartoe dat een beroep op het beginsel van gezag van gewijsde weliswaar een processueel karakter heeft, maar dat hetgeen door Seatrade hieromtrent naar voren is gebracht een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak vergt. Om te kunnen beoordelen of Sucorrico c.s. in de onderhavige procedure opnieuw datgene vorderen dat zij in een eerdere procedure hebben gevorderd en dat bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 14 juli 2004 is afgewezen, dient immers inhoudelijk op de zaak te worden ingegaan. De vordering van Seatrade is derhalve een vordering die veeleer materieel dan processueel van aard is. Naar het oordeel van de rechtbank leent de onderhavige vordering zich dan ook niet voor behandeling in een incident, maar dient deze tegelijkertijd met eventuele overige verweren in de hoofdzaak naar voren te worden gebracht en te worden behandeld....''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 4 januari 2006 in de zaak van:

rolnr: 61/05

de rechtspersoon naar het recht van het land harer vestiging Seatrade Group N.V.,

gevestigd te Willemstad (Curaçao, Nederlandse Antillen),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur: mr. J. Boogaard,

advocaat: mr. C.J.H. baron van Lynden,

tegen:

1. de rechtspersoon naar het recht van het land harer vestiging Sucorrico S.A.,

gevestigd te Arras (Brazilië),

2. de rechtspersoon naar het recht van het land harer vestiging Unicitrus International

Limited,

gevestigd te Grand Cayman (Cayman Islands),

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

procureur: mr. J.C. Bode-’t Hart,

advocaat: mr. M.M. van Leeuwen.

1. Het verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn gewisseld:

in de hoofdzaak:

- dagvaarding d.d. 2 november 2004;

- akte houdende overlegging van in de dagvaarding aangekondigde en verdere producties, toelichting op alinea 33 en vermeerdering van de in het petitum der dagvaarding omschreven eis;

in het incident:

- incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring;

- conclusie van repliek dan wel conclusie van antwoord in het ontvankelijkheidsincident;

- akte uitlating producties van de zijde van eiseres in het incident.

Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

2. De feiten in het incident

2.1 Op 14 juli 2004 heeft de rechtbank Middelburg bij eindvonnis de vorderingen van

Seatrade Group N.V., tot zekerheid waarvan beslag was gelegd, afgewezen, met veroordeling van Seatrade Group N.V. in de proceskosten. Dit vonnis is op 1 september 2004 in kracht van gewijsde gegaan. Bij voornoemd vonnis werd de vordering in reconventie van Sucorrico c.s. toegewezen voor zover die de vergoeding van schade aan de lading betrof.

2.2 Vervolgens hebben Sucorrico c.s. Seatrade gedagvaard tegen de terechtzitting van

9 februari 2005. Sucorrico c.s. vorderen bij voornoemde dagvaarding van Seatrade vergoeding van de schade, veroorzaakt door de beslaglegging door Seatrade.

2.3 Seatrade heeft vervolgens bij incidentele conclusie gevorderd dat Sucorrico c.s. zekerheid dienden te stellen voor haar proceskosten. De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van

6 juli 2005 toegewezen en bepaald dat Sucorrico c.s. zekerheid dienden te stellen ten bedrage van € 7.500,-. Voorts werd de zaak verwezen naar de zitting van 17 augustus 2005 voor het nemen van conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

3. Het geschil in het incident

3.1 Seatrade vordert dat de rechtbank Sucorrico c.s. niet ontvankelijk verklaart in hun vordering, met veroordeling van Sucorrico c.s. in de proceskosten.

Seatrade voert hiertoe aan dat Sucorrico c.s. in de onderhavige procedure exact hetzelfde vorderen als zij in een eerdere procedure geëindigd met het vonnis van 14 oktober 2004 in reconventie hebben gevorderd. Bij voornoemd vonnis dat op 14 juli 2004 onherroepelijk is geworden, werden deze vorderingen afgewezen. Nu dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, kunnen Sucorrico c.s. hun in dat vonnis afgewezen vorderingen dan ook niet opnieuw instellen. Dit volgt uit het beginsel van ‘gezag van gewijsde’. Sucorrico c.s. dienen derhalve niet ontvankelijk te worden verklaard. Seatrade voegt hieraan toe dat blijkens recente jurisprudentie een vordering tot niet-ontvankelijkheid bij wege van incident kan worden ingesteld.

3.2 Sucorrico c.s. concluderen primair tot niet-ontvankelijkheid van Seatrade in de

incidentele vordering. Zij voeren daartoe aan dat de onderhavige vordering tot niet-ontvankelijkheid van Sucorrico c.s. niet bij wege van incident kan worden ingesteld nu aan deze vordering een beroep op het beginsel van gezag van gewijsde ten grondslag ligt. Dit betreft een verweer van materiële aard dat in de hoofdzaak dient te worden beoordeeld. Sucorrico c.s. stellen voorts dat in geval bij wege van incident al over de niet-ontvankelijkheid zou kunnen worden beslist, Seatrade evenmin kan worden ontvangen in haar incidentele vordering, omdat zij deze vordering tegelijk met de incidentele vordering tot het stellen van zekerheid had moeten indienen. Met het opwerpen van een incident in dit stadium van de procedure heeft Seatrade geen ander doel dan het vertragen van de procedure. Nu het verweer van Seatrade zich niet leent voor behandeling in een incident dient de rechtbank de onderhavige incidentele conclusie te beschouwen als een conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Daarbij komt nog dat de zaak bij vonnis van 6 juli 2005 naar de rol van 17 augustus 2005 is verwezen voor het nemen van conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Een dergelijke beslissing laat geen ruimte voor het opwerpen van nieuwe incidenten.

Sucorrico c.s. concluderen subsidiair tot afwijzing van de vordering van Seatrade. Hetgeen Sucorrico c.s. bij dagvaarding hebben gevorderd is niet in een eerdere procedure aan de orde geweest. In de procedure die is geëindigd met het vonnis van 14 juli 2004 hebben Sucorrico c.s. schadevergoeding gevorderd die betrekking had op schade die door het handelen van Seatrade was geleden, onder meer bestaande uit expertisekosten. In elk geval hebben zij geen schadevergoeding gevorderd voor kosten voortvloeiend uit het beslag, hetgeen in de onderhavige procedure aan de orde is.

4. De beoordeling van het geschil in het incident

4.1 Nu de wet de incidentele vordering tot niet-ontvankelijk verklaring niet kent, dient de rechtbank alvorens zij toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verweer van Seatrade betreffende de ontvankelijkheid van Sucorrico c.s. te beoordelen of dit verweer in een incident naar voren kan worden gebracht. De rechtbank overweegt dat een niet rechtstreeks in de wet genoemde incidentele vordering kan worden ingesteld indien de vordering een processueel verweer bevat dan wel een processuele aangelegenheid aan de orde stelt zónder dat de rechter daarbij aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in het onderhavige incident niet het geval en dient het gevorderde in de hoofdzaak naar voren te worden gebracht. De rechtbank overweegt daartoe dat een beroep op het beginsel van gezag van gewijsde weliswaar een processueel karakter heeft, maar dat hetgeen door Seatrade hieromtrent naar voren is gebracht een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak vergt. Om te kunnen beoordelen of Sucorrico c.s. in de onderhavige procedure opnieuw datgene vorderen dat zij in een eerdere procedure hebben gevorderd en dat bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 14 juli 2004 is afgewezen, dient immers inhoudelijk op de zaak te worden ingegaan. De vordering van Seatrade is derhalve een vordering die veeleer materieel dan processueel van aard is. Naar het oordeel van de rechtbank leent de onderhavige vordering zich dan ook niet voor behandeling in een incident, maar dient deze tegelijkertijd met eventuele overige verweren in de hoofdzaak naar voren te worden gebracht en te worden behandeld.

4.2 De rechtbank zal, nu de vordering van Seatrade zich niet leent voor behandeling in een incident, Seatrade niet-ontvankelijk verklaren in haar incidentele vordering. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol in de stand waarin deze zich voor het opwerpen van het incident bevond, dat is voor het nemen van conclusie van antwoord. De rechtbank volgt Sucorrico c.s. dan ook niet in de stelling dat de incidentele conclusie van Seatrade reeds dient te worden beschouwd als een conclusie van antwoord. Dat de rechtbank de zaak bij vonnis van 17 juli 2005 heeft verwezen naar de rol voor het nemen van conclusie van antwoord, beperkt Seatrade niet in haar recht alvorens daartoe over te gaan een incident op te werpen. In die zin is de verwijzing niet beperkend.

De rechtbank overweegt voorts dat het partijen blijkens artikel 208 Burgerlijke Rechtsvordering vrij staat ook in dit stadium van het proces een incident op te werpen. Dat Seatrade de onderhavige incidentele vordering niet tegelijkertijd met de incidentele vordering tot zekerheidstelling heeft ingesteld kan blijkens voornoemd wetsartikel niet leiden tot verval van de mogelijkheid tot het instellen van een incident en evenmin tot niet-ontvankelijkheid van eiser. Het niet tegelijkertijd instellen van incidentele vorderingen kan hoogstens leiden tot veroordeling van de eiser in de proceskosten van het tweede door hem ingestelde incident. De rechtbank volgt gedaagde dan ook niet in de stelling dat de onderhavige incidentele conclusie moet worden gezien als conclusie van antwoord in de hoofdzaak omdat deze niet tegelijk met het eerder opgeworpen incident is ingesteld.

De rechtbank zal Seatrade, nu zij niet kan worden ontvangen in haar incidentele vordering, veroordelen in de kosten van dit incident.

5. De beslissing

De rechtbank:

in het incident:

- verklaart Seatrade niet ontvankelijk in haar incidentele vordering;

- veroordeelt Seatrade in de kosten in het incident, aan de zijde van Sucorrico c.s. tot aan deze uitspraak begroot op € 1.421,- aan salaris van de procureur;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 15 februari 2006 voor het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

WS