Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AZ0932

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
49711 HA ZA 05-499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

vordering tot intrekking van verbeurde dwangsom.

''...Genoemde permanente bewoning door eiseres van de recreatiewoning zal vaststaan als wordt vastgesteld dat zij in de betreffende periode aldaar haar hoofdverblijf had. Dat is het geval wanneer zij in die woning haar basis(woon)voorziening had en daar gewoonlijk verbleef...''

''...Dat eiseres op of rond 2april 2005 haar hoofdverblijf heeft gewijzigd, is niet uitdrukkelijk gesteld en evenmin gebleken...''

Vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:32, geldigheid: 2006-04-05
Algemene wet bestuursrecht 5:34, geldigheid: 2006-04-05
Algemene wet bestuursrecht 5:36, geldigheid: 2006-04-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 5 april 2006 in de zaak van:

rolnr: 499/05

[eiseres],

wonende te Goes,

eiseres,

procureur: mr. F.C.M. van Gurp,

tegen:

de openbare rechtspersoon Gemeente Goes,

zetelende te Goes,

gedaagde,

procureur: mr. C.J. IJdema.

1. Het verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 14 december 2005 is een comparitie van partijen bepaald, welke ter zitting van 21 februari 2006 heeft plaatsgevonden. Van deze comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de stukken is gevoegd. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Met ingang van 2 april 2004 is eiseres (permanent) de haar sedert 1 oktober 2003 in mede-eigendom toebehorende recreatiewoning, [adres] te Wolphaartsdijk, gemeente Goes, gelegen in het recreatieterrein De Schelphoek, kadastraal bekend gemeente Goes, sectie [nummer] (hierna: de recreatiewoning) gaan bewonen. Het bestemmingsplan Recreatieterrein Schelphoek staat voor dit adres alleen recreatieve bewoning toe.

2.2. Op 18 januari 2005 hebben Burgemeester en Wethouders van gedaagde besloten aan eiseres geen toestemming te verlenen om de recreatiewoning voor permanente bewoning te gebruiken. In het betreffende besluit (aan eiseres verzonden op 19 januari 2005) is voorts bepaald:

“Gezien het bovenstaande hebben wij besloten over te gaan tot het opleggen van een dwangsom welke tot doel heeft de illegale situatie te doen beëindigen.

De dwangsom is vastgesteld op € 10.000,00 per week met ingang van 2 april 2005, met een maximum van € 100.000.00. Voor elke week dat de illegale situatie niet is beëindigd wordt de dwangsom verbeurd tot het maximum is bereikt.

Bij niet betalen van de rekening wordt de dwangsom bij dwangbevel ingevorderd, op de wijze zoals is voorzien in het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering.

Wij gelasten u hierbij om voor 2 april 2005 die maatregelen te treffen die nodig zijn om de overtreding ongedaan te maken. Dit kunt u doen door voor de genoemde datum de permanente bewoning op het adres [adres] te beëindigen.

Blijkt na 2 april 2005 dat de overtreding niet ongedaan is gemaakt, dan wordt op grond van artikel 125 Gemeentewet wegens overtreding van artikel 3 lid 1 juncto artikel 20 lid 1 van het bestemmingsplan Recreatieterrein Schelphoek in combinatie met de artikelen 5:32 tot en met 5:36 van de Algemene wet bestuursrecht per week, met ingang van 9 april 2005 de opgelegde dwangsom verbeurd. (…)”

Eiseres is gewezen op de mogelijkheid tegen dit besluit binnen 6 weken na de datum van ver-zending ervan in bezwaar te komen. Van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

2.3. Bij brief van 13 april 2005 (verzonden op 13 april 2005) aan eiseres heeft gedaagde onder meer gesteld:

“Wij hebben in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) moeten constateren dat u de aanschrij-ving niet bent nagekomen. Daarom heeft u over de periode 2 april tot en met 9 april 2005 een dwang-som verbeurd van € 10.000,00. Wij verzoeken u dit bedrag binnen 10 dagen na de verzenddatum van deze brief over te maken op bankrekeningnummer (…)”

2.4. Op 14 april 2005 heeft eisers een adreswijziging aan gedaagde (afdeling Bouwen en Wo-nen) gezonden, waarin zij als haar nieuwe adres per 1 april 2005 opgeeft: [adres] te Goes. Op 28 april 2005 heeft zij zich – met uitschrijving op het adres van de recreatiewoning – op het adres [adres] te Goes in de GBA van gedaagde laten inschrijven.

2.5. Eiseres heeft het onder 2.3 genoemde bedrag niet betaald. Zij heeft op 7 juni 2005 nog een brief aan Burgemeester en Wethouders van gedaagde gezonden. Bij brief van 24 juni 2005 (verzonden op 28 juni 2005) van gedaagde is eiseres gesommeerd zulks binnen 10 werkdagen alsnog te doen. Dat heeft zij niet gedaan.

2.6. Op 23 augustus 2005 is aan eiseres betekend een op 3 augustus 2005 gedateerd dwang-bevel te haren laste, voor een bedrag van € 10.014,00, vermeerderd met rente krachtens de wet, ingaande 23 april 2005, alsmede deurwaarders- en incassokosten.

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover toelaatbaar uitvoerbaar bij voor-raad, gedaagde veroordeelt om over te gaan tot intrekking van de verbeurde dwangsom d.d. 13 april 2005 almede tot intrekking van het dwangbevel d.d. 23 augustus 2005, zulks met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

3.2. Eiseres verzet zich aldus tegen het in 2.6 genoemde dwangbevel. Zij betwist dat zij na 1 april 2005 nog permanent de recreatiewoning bewoonde. Zij verbleef in de periode van 2 tot en met 6 april 2005 op verschillende adressen, waaronder die van haar vriend in Lelystad en die van kennissen in Goes (bij welke laatste zij een kamer huurde). Zij legt schriftelijke verklaringen over van de personen bij wie zij toen verbleef. Gedaagde heeft de vaststelling dat eiseres permanent in de recreatiewoning zou wonen slechts gebaseerd op de gegevens in de GBA, en heeft aldus niet feitelijk geconstateerd dat eiseres daar permanent woonde.

Ter zitting heeft eiseres, voor het geval de rechtbank zou oordelen dat een dwangsom is ver-beurd, verzocht deze te matigen omdat zij de hoogte ervan niet in overeenstemming acht met de aard van de overtreding.

3.3. Gedaagde stelt dat zij terecht ervan uitgaat dat eiseres de recreatiewoning in de periode van 2 tot en met 9 april 2005 permanent bewoonde. Uit de door eiseres zelf overgelegde verklaringen heeft zij die woning in elk geval tot 1 april 2005 permanent bewoond. Zij heeft pas op 28 april 2005 haar adres in de GBA laten wijzigen. In haar onder 2.5 genoemde brief heeft zij zelf aangegeven dat de datum van 2 april haar was ontschoten.

De door eiseres overgelegde bankrekeningafschriften van begin april 2005 (en daarna) vermelden als haar adres dat van de recreatiewoning. Het telefoonnummer, opgegeven in de onder 2.4 genoemde adreswijziging, was (en is nog steeds) op naam van eiseres op het adres van de recreatiewoning geregistreerd. Op grond van haar eigen verklaringen staat voorts vast dat eiseres niet woonde in Lelystad; bij de door eiseres genoemde kennissen te Goes overnacht zij – zo blijkt uit navraag door gedaagde – één of twee keer per week, sinds haar inschrijving op dat adres (op 28 april 2005).

Gedaagde verzet zich tegen matiging van de dwangsom.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het in 2.3 genoemde dwangsombesluit is onherroepelijk en heeft formele rechtkracht: de rechtbank zal van de juistheid van de inhoud en van de wijze van totstandkoming ervan uitgaan. Voorts staat ook vast – eiseres heeft dat erkend – dat eiseres gedurende een periode voor 1 april 2005 de recreatiewoning permanent bewoonde. In deze procedure gaat het om de vraag of eiseres ook nog in de periode 2 tot en met 9 april 2005 de recreatiewoning permanent bewoonde. Is dat het geval dan is op grond van het dwangsombesluit een dwangsom verbeurd en vordert gedaagde deze terecht op.

4.2.1. Genoemde permanente bewoning door eiseres van de recreatiewoning zal vaststaan als wordt vastgesteld dat zij in de betreffende periode aldaar haar hoofdverblijf had. Dat is het geval wanneer zij in die woning haar basis(woon)voorzieningen had en daar gewoonlijk verbleef.

4.2.2. Vast staat dat de wijze van bewoning door eiseres van de recreatiewoning in de periode voorafgaand aan 2 april 2005 aan voormelde criteria voldeed. In de periode van 2 tot en met 9 april 2005 stond eiseres in de GBA (nog steeds) ingeschreven op het adres van de recreatiewoning , had zij op dat adres een vaste telefoonaansluiting (waarmee zij was vermeld in de telefoongids) en vermeldde haar bankrekening als haar adres het adres van de recreatiewoning (naar welk adres de bankstukken ook werden gezonden). Uit deze omstandigheden – die basis(woon)voorzieningen als in 4.2.1 bedoeld betreffen – volgt dat als niet op of omstreeks 2 april 2005 een uitdrukkelijke wijziging heeft plaatsgevonden, ook voor de periode van 2 tot en met 9 april 2005 vaststaat dat eiseres in de recreatiewoning haar hoofdverblijf had.

4.2.3. Eiseres stelt dat zij in genoemde periode feitelijk niet in de recreatiewoning verbleef. Dat is niet een uitdrukkelijke wijziging als hiervoor bedoeld; de enkele afwezigheid geduren-de een periode van een week leidt niet tot het oordeel dat eiseres niet gewoonlijk in de recreatiewoning verbleef. Dat eiseres op of rond 2 april 2005 haar hoofdverblijf heeft gewijzigd, is niet uitdrukkelijk gesteld en evenmin gebleken. Immers, de eerdergenoemde basis(woon)voorzieningen werden niet gewijzigd, en evenmin heeft eiseres toen actie ondernomen om een wijziging van hoofdverblijf te doen registreren.

Dit betekent dat de stellingen van eiseres – onderbouwd met diverse schriftelijke verklaringen – dat zij in de periode van 1 tot en met 7 april 2005 bij haar vriend in Lelystad verbleef en dat zij in diezelfde periode regelmatig verbleef op het adres [adres] te Goes (stellingen die overigens niet goed met elkaar zijn te verenigen) niet kunnen leiden tot de vaststelling dat eiseres de recreatiewoning in de bedoelde periode niet permanent bewoonde. De rechtbank ziet dan ook geen grond om eiseres toe te laten – door het doen horen van de betreffende ge-tuigen – deze stellingen te bewijzen.

4.2.4. Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat op of rond 1 april 2005 geen wijziging in het hoofdverblijf van eiseres heeft plaatsgevonden en dat zij – zoals ook tot 1 april 2005 het geval was – in de periode van 2 tot en met 9 april 2005 de recreatiewoning permanent bewoonde. Gedaagde heeft terecht vastgesteld dat eisers het besluit van 18 januari 2005 overtrad en dat zij een dwangsom van € 10.000,-- had verbeurd.

4.3. Eiseres heeft ter comparitie – subsidiair – tot matiging van de verbeurde dwangsom ge-concludeerd, zulks omdat deze niet in verhouding staat tot de aard en ernst van de overtre-ding. Van belang is in dit kader dat tegen het dwangsombesluit van 18 januari 2006 geen (be-stuursrechtelijk) rechtsmiddel is ingesteld, zodat van de juistheid van dat besluit – ook waar het gaat om de redelijkheid van de verhouding tussen de hoogte van de opgelegde dwangsom en het met dat dwangmiddel te beschermen (en bij overtreding geschonden) belang – moet worden uitgegaan. Artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de bevoegd-heid om een last onder dwangsom op te heffen of een dwangsom te verminderen toekomt aan het bestuursorgaan dat die last heeft opgelegd. In deze systematiek – waarbij het aan het be-stuursorgaan en aan de bestuursrechter is om de hoogte van de dwangsom vast te stellen en de redelijkheid ervan te beoordelen – past het niet dat de civiele rechter die over het verzet tegen de invordering van de dwangsom heeft te oordelen, de dwangsom zou kunnen matigen. De wet voorziet daar ook niet in. Dat betekent dat niet tot matiging kan worden beslist.

4.4. Op grond van al het vorenstaande moet worden beslist dat de vordering wordt afgewezen. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eiseres – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 244,-- aan griffierecht en € 904,-- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

SD