Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AZ0620

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
23-10-2006
Zaaknummer
50780 HA ZA 05-643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiseres vordert verwijdering van een coniferenhaag. Gedaagde verweert zich, zij stelt dat de percelen niet aan elkaar grenzen.

Vordering wordt afgewezen omdat de afstand tussen het perceel van eiseres en het perceel van gedaagde meer dan 2 meter bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 28 juni 2006 in de zaak van:

rolnr: 643/05

[eiseres],

wonende te Goes,

eiseres,

procureur: mr. C.E.J.E. Kouijzer,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Goes

gedaagde,

procureur: mr. J.A.M. Dietvorst.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 1 maart 2006 is een comparitie van partijen bepaald. Partijen (gedaagde vertegenwoordigd door haar daartoe gemachtigde echtgenoot), een kantoorgenoot van de procureur van eiseres en de procureur van gedaagde zijn ter terechtzitting van 27 april 2006 verschenen. Van het verhandelde op die zitting is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseres is sinds 1997 huurster van de woning met tuin gelegen aan de [adres] te Goes. Woning en tuin behoren in eigendom toe aan de Regionale Woningbouwvereniging Samenwerking. Gedaagde bewoont de haar in eigendom toebehorende woning met tuin aan de [adres] te Goes. Het perceel van gedaagde grenst niet aan het perceel van eiseres. Er ligt een strookje grond tussen dat aan (een) derde(n) toebehoort en voorts is op het voorheen meest nabij het perceel van gedaagde gelegen deel van het perceel van eiseres een niet afgesloten pad naar de openbare met een breedte van 1.65 meter (ten behoeve van de scootmobiel van eiseres) aangelegd. De grens van het perceel van eiseres is daardoor met een afstand van 1.65 meter noordelijker (en verderaf van het perceel van gedaagde) komen te liggen.

2.2. Langs de noordoostelijke en de noordwestelijke grens van het perceel van gedaagde staan sinds 1991 coniferen, die toen zo’n 2.50 meter en thans zo’n 10 meter hoog zijn.

2.3. Bij brief van 22 november 2005 heeft de Regionale Woningbouwvereniging Samenwerking aangegeven formeel geen bezwaar te hebben tegen de door eiseres op dat moment nog aan te vangen procedure

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om uiterlijk binnen één maand na dagtekening althans betekening van het in deze te wijzen vonnis de coniferen te rooien dan wel in hoogte in te korten en beperkt te houden tot de maximale wettelijke hoogte, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat gedaagde tekortschiet in deze verplichting, zulks met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.2. Eiseres stelt bij dagvaarding – en handhaaft die stelling nadat zij ter comparitie heeft aangegeven dat die percelen (net) niet aan elkaar grenzen – dat haar perceel en dat van gedaagde aan elkaar grenzen. Op grond van (rechtspraak naar aanleiding van) art. 5:42 van het Burgerlijk Wetboek mogen de op de grenslijn tussen beide percelen althans op minder dan 2 meter afstand daarvan staande bomen – coniferen daaronder te rekenen – niet hoger zijn dan maximaal 2 meter hoog zijn. Die regel geldt ook als er tussen beide tuinen nog een stukje grond van een ander ligt. Eiseres betwist dat het pad achter haar tuin een openbare weg is.

Eiseres stelt woongenot te derven door de aanwezigheid van de coniferen, nu deze gedurende een groot deel van de dag het zonlicht uit haar tuin en woning onttrekken.

Zij stelt dat vanaf het moment waarop de coniferen hoger dan 2 meter werden nog geen 20 jaar verstreken, zodat geen sprake kan zijn van verjaring.

Voor het eerst ter comparitie heeft eiseres voorts gesteld dat door de aanwezigheid van de coniferen haar woon- en leefgenot onrechtmatig wordt gehinderd: haar uitzicht is weg, de zon komt niet in de tuin en deze is vochtig, zulks terwijl zij in verband met haar lichamelijke beperkingen vaak thuis is.

Tenslotte heeft eiseres – eveneens voor het eerst ter comparitie – gesteld dat gedaagde haar bevoegdheid als eigenares van haar perceel misbruikt; de belangen van eiseres wegen zwaarder dan die van gedaagde.

3.3. Gedaagde heeft zich verweerd. Zij stelt dat nu de percelen van haar en eiseres niet aan elkaar grenzen (het perceel van eiseres ligt achter het perceel van de buren van gedaagde én tussen die twee percelen ligt nog een openbaar pad; de kortste afstand tussen het perceel van gedaagde en het pad is 1.45 meter; de kortste afstand tussen het perceel van gedaagde en dat van eiseres is 2.45 meter) het beroep op art. 5:42 van het Burgerlijk Wetboek ongegrond is. Voorts stelt zij dat al voordat de coniferen in 1991 werden geplant zich ter plaatse hoge bomen (waaronder populieren) stonden. Het recht om verwijdering van hoge bomen te vorderen is, zo het al zou bestaan, verjaard. Gedaagde betwist dat eiseres hinder van de coniferen ondervindt; eiseres woont op de eerste etage en niet direct achter de tuin van gedaagde. Gedaagde stelt belang te hebben bij de hoge coniferenhaag; direct achter haar tuin staat een flat waarin veel doorstroming is. Door de hoge haag heeft zij daarvan minder last, en bovendien privacy. Voor zover eiseres zich beroept op onrechtmatige hinder en misbruik van recht heeft gedaagde ter comparitie aangegeven dat eiseres daarmee de grondslag aan haar vordering verlaat; die grondslag was en is overtreding van art. 5:42 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek en de vordering op die grond moet worden afgewezen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Vast staat dat de erven van eiseres en gedaagde niet aan elkaar grenzen. Vast staat voorts dat er een – niet aan een van beide partijen toebehorend – pad ter breedte van 1.65 meter tussen de percelen loopt én dat ook dat (wel aan het perceel van eiseres grenzende) pad niet grenst aan het perceel van gedaagde. Tussen het pad en het perceel van gedaagde is nog een afstand van – zoals gedaagde stelt en eiseres onvoldoende betwist – 1.45 meter (over welke afstand de grond aan een derde toebehoort). Gelet op die vaststaande afstanden staat ook voldoende vast dat de afstand tussen het perceel van eiseres en (de grens van) het perceel van gedaagde (en derhalve de plaats waar de coniferen staan) 2.45 meter, in elk geval meer dan 2 meter, bedraagt. Gelet daarop kan eiseres niet op grond van art. 5:42 van het Burgerlijk Wetboek van gedaagde vergen dat zij de coniferen rooit of inkort. In het midden kan daarbij blijven of het verbod van dat artikel ook geldt als er tussen erven een strook grond (of water) van een derde is gelegen.

4.2. Eiseres heeft ter comparitie – in op schrift overgelegde pleitnotities – aan haar vordering voorts (voor het eerst) onrechtmatige hinder en misbruik van bevoegdheid ten grondslag gelegd. Die aanvullingen moeten worden gezien als een wijziging van de (juridische en feitelijke) gronden van haar vordering. Zulks is, zo bepaalt art. 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts schriftelijk, bij akte ter rolle of bij conclusie, mogelijk. Nu aan die formele eis niet is voldaan, gedaagde daarop ter comparitie uitdrukkelijk haar verweer heeft gebaseerd en eiseres niet alsnog op de procedureel juiste wijze de gronden van haar vordering heeft gewijzigd (en gedaagde dus niet de gelegenheid heeft kunnen hebben op die gewijzigde gronden inhoudelijk in te gaan), zal de rechtbank de gewijzigde gronden buiten beschouwing laten.

4.3. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de vordering van eiseres moet worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal eiseres worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 244,-- aan griffierecht en € 904,-- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 28 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.