Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AZ0522

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
52053 KG 06-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

''DGV vordert, na wijziging van eis en kort samengevat: gedaagden te verbieden motorbrandstoffen van derden af te nemen met gebruikmaking van de door DGV ter beschikking gestelde installaties en hen te verbieden om niet van DGV afkomstige motorbrandstoffen aan Texaco tankkaarthouders/consumenten af te leveren op straffe van verbeurte van een dwangsom;...''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

Vonnis van 18 juli 2006 in de zaak van:

Kort gedingnr.: 62/2006

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Groot Verschuur Retail B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

procureur: mr. K.P.T.G. Flos,

advocaat: mr. drs. J.H.M. Spanjaard,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Veersedam B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Veersedam Holding B.V.,

beide gevestigd te Vrouwenpolder, gemeente Veere,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur: mr. drs. M.J. Wolf.

1. Het verloop van het geding

Partijen worden verder aangeduid als DGV, gedaagden, Veersedam en Veersedam Holding.

Het dossier bevat de volgende processtukken:

- dagvaarding met bijlagen;

- akte vermeerdering van eis;

- eis in reconventie in kort geding;

- producties zijdens beide partijen;

- pleitnota’s overgelegd zijdens beide partijen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 4 mei 2006. Van die behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is voor een periode van 2 maanden aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen overeenstemming te bereiken.

Partijen hebben nadien schriftelijk verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. DGV, destijds genaamd Broermann Olie, heeft op 6 september 1989 met Veersedam Holding, destijds genaamd: Garage Veersedam B.V., een exploitatieovereenkomst en een huurovereenkomst gesloten die met zich meebracht dat DGV het aan haar in houderschap toebehorende benzinestation met bijbehorende installaties gelegen aan de Vrouwenpolderseweg 75 te Vrouwenpolder zou verhuren aan Veersedam Holding. Deze overeenkomst, die thans nog van kracht is, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ ARTIKEL 10

Exploitant zal gedurende de loop van deze overeenkomst geen motorbrandstoffen of smeermiddelen van anderen dan Broermann betrekken, ontvangen, in voorraad hebben, gebruiken of afleveren, noch dat door anderen laten doen of anderen daarbij op enigerlei wijze behulpzaam zijn: onder behulpzaam zijn wordt ten deze de (financiele) ondersteuning van derden met betrekking tot voornoemde handelingen mede begrepen geacht.

ARTIKEL !5

Onverminderd het recht van Broermann om in dat geval tevens integrale schadevergoeding te vorderen zal exploitant, indien hij in strijd met enige contractuele verplichting handelt, zonder ingebrekestelling of aanmaning zijdens Broermann dan een direkt opeisbare boete van hfl. 250,00 verschuldigd zijn en wel per overtreding en/of voor iedere dag, dat bedoelde overtreding(en) aanleiding geeft (geven) tot het bestaan van een toestand, in strijd met deze overeenkomst”

2.2. Vanaf 17 maart 2006 heeft Veersedam de motorbrandstoffen betrokken bij Oliehandel Dekker B.V. Zij is door DGV gesommeerd om het betrekken van motorbrandstoffen bij derden te staken en gestaakt te houden, maar heeft aan deze sommatie niet voldaan.

2.3. De Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) heeft op 21 april 2006 een artikel gewijd aan het tussen partijen bestaande geschil. Gedaagden hebben een advertentie geplaatst in de PZC van 25 april 2006 waarin zij onder meer melding maken van de door hen te verlenen kortingen op brandstofprijzen ten gevolge van de afname van een andere leverancier.

3. Het geschil

in conventie

3.1. DGV vordert, na wijziging van eis en kort samengevat: gedaagden te verbieden motorbrandstoffen van derden af te nemen met gebruikmaking van de door DGV ter beschikking gestelde installaties en hen te verbieden om niet van DGV afkomstige motorbrandstoffen aan Texaco tankkaarthouders/consumenten af te leveren op straffe van verbeurte van een dwangsom; voorts Veersedam Holding te veroordelen om als voorschot op de schadevergoeding aan DGV te voldoen € 5.332,15, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter meent te behoren en gedaagden te bevelen om door middel van een advertentie in de PZC een rectificatie te plaatsen met de in het petitum van de dagvaarding onder 5. weergegeven tekst, op straffe van een dwangsom.

Zij stelt daartoe dat gedaagden in strijd met artikel 10 van de exploitatieovereenkomst handelen door zonder haar toestemming motorbrandstoffen bij Oliehandel Dekker B.V. te betrekken. Hiermee handelen gedaagden onrechtmatig jegens DGV en misleiden zij klanten. De inmiddels in verband met de overtreding van voornoemde bepaling op grond van artikel 15 van de Exploitatieovereenkomst verbeurde boetes bedragen € 5.332,15. Tevens maken gedaagden ongeoorloofd misbruik van het tankkaartsysteem en hebben zij door de advertentie in de PZC de eer en goede naam van DGV aangetast en daarmee onrechtmatig jegens haar gehandeld.

3.2. Gedaagden hebben verweer gevoerd. Zij stellen dat Veersedam Holding geen partij is in het onderhavige geding nu haar rechtsvoorgangster de partij was die de exploitatieovereenkomst aanging en Veersedam, vlak na het aangaan van die overeenkomst opgericht, het tankstation vanaf dat moment steeds heeft geëxploiteerd. Voorts betwisten zij het spoedeisend belang van DGV bij haar vorderingen. De reden voor de afname van brandstof van een andere leverancier is dat DGV in gebreke bleef om een lekke tank te saneren en dat de exploitant van de tank gecompenseerd diende te worden voor de gederfde omzet die ontstond doordat DGV geen redelijke korting wil verlenen op de brandstof en klanten wegbleven door de hoge prijzen bij de pomp. Het prijsbeleid van DGV en haar opstelling in de onderhandelingen in verband met de amovering van de pomp zijn volgens gedaagden onredelijk en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Gedaagden zijn voorts van mening dat DGV misbruik maakt van haar positie als retailer en verwijzen daarbij naar het door hen overgelegde rapport van de heer Joore. Tenslotte betwisten gedaagden de door DGV opgevoerde schade.

in reconventie

3.3. Gedaagden vorderen, kort samengevat, DGV te gebieden te gedogen dat gedaagden de brandstoffen betrekken bij een derde, zonder dat zij alsdus handelende schadeplichtig worden of enige boete verbeuren jegens DGV dan wel DGV te veroordelen een redelijke korting aan de pomp mogelijk te maken, DGV te veroordelen de grond waarin het tankpark zich bevindt op de kortst mogelijke termijn, maar uiterlijk op 1 januari 2007 schoon op te leveren en DGV te veroordelen tot vergoeden van een voorschot op de schade van Veersedam. Zij verwijzen daarbij naar hetgeen zij met betrekking tot de reconventionele vordering hebben aangevoerd. Voorts stellen zij schade te lijden doordat al geruime tijd geen Superplus benzine kan worden verkocht vanwege een lekke tank die door DGV niet vervangen wordt.

3.4. DGV betwist dat gedaagden schade hebben geleden en stelt bovendien nimmer aansprakelijk te zijn gesteld en ook niet in gebreke te zijn gesteld. Voorts betwist zij de stelling van gedaagden dat zij misbruik maakt van haar economische machtspositie.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De voorzieningenrechter overweegt, gelet op hetgeen op dit punt door gedaagden is aangevoerd, dat beide gedaagden partij zijn in het onderhavige geding. Veersedam Holding is immers, als rechtsopvolgster van Garage Veersedam B.V., die de exploitatieovereenkomst heeft ondertekend, partij bij die overeenkomst en derhalve mede verantwoordelijk voor de nakoming van hetgeen daarin is bepaald. Nu de hoofdvordering is gebaseerd op deze overeenkomst, is ook Veersedam Holding in dit geschil als partij aan te merken.

4.2. DGV heeft, gelet op haar ter zitting naar voren gebrachte stellingen, een spoedeisend belang bij het gevorderde en is derhalve ontvankelijk in haar vorderingen.

4.3. Vast staat dat tussen partijen de exploitatieovereenkomst van 6 september 1989 geldt. Voorts staat vast dat gedaagden in ieder geval vanaf 18 maart 2006 tot en met 4 mei 2006 motorbrandstoffen van een derde hebben afgenomen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 10 van voornoemde overeenkomst. De door gedaagden aangevoerde reden rechtvaardigt naar voorlopig oordeel niet dat Veersedam zich eenzijdig onttrekt aan de contractuele verplichtingen.

Het gevorderde verbod gedaagden motorbrandstoffen van derden te laten afnemen en deze af te leveren aan Texaco tankkaarthouders/consumenten zal derhalve worden toegewezen.

De mede gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum gebonden op na te melden wijze.

4.4. Ten aanzien van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Door gedaagden is erkend dat vanaf 18 maart 2006 motorbrandstoffen zijn afgenomen van een ander dan DGV. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt voorts dat zij daartoe niet gerechtigd waren en derhalve in strijd met artikel 10 van de exploitatieovereenkomst hebben gehandeld. Gelet op het bepaalde in artikel 15 van de exploitatieovereenkomst zijn zij derhalve een boete verschuldigd van fl 250,-- (€ 113,45) per dag dat de overtreding, in casu het afnemen van motorbrandstoffen van een derde, voortduurt. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de periode waarin motorbrandstoffen worden afgenomen van een derde in ieder geval tot en met 4 mei 2006 heeft geduurd, staat voorshands voldoende vast dat gedaagden het door DGV gevorderde bedrag van € 5.332,15 aan DGV verschuldigd zijn en zal deze vordering worden toegewezen.

4.5. Ten aanzien van de vordering tot rectificatie van de advertentie in de PZC overweegt de voorzieningenrechter dat zij voorshands niet aannemelijk acht dat DGV door de inhoud daarvan schade lijdt dan wel heeft geleden. Deze adverentie bevat voornamelijk een weergave van de feiten. Er wordt melding gemaakt van de korting die geldt vanaf 18 maart 2006 omdat de brandstof vanaf die datum van een andere leverancier wordt betrokken en verder wordt aangekondigd dat bij het verliezen van het kort geding deze korting zal verminderen of verdwijnen. Voorts heeft DGV blijkens de inhoud van het artikel in de PZC voldoende gelegenheid gehad om haar kant van de zaak te belichten. De vordering tot rectificatie zal gelet op het vorenstaande worden afgewezen.

4.6. De voorzieningenrechter zal gedaagden, die grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, in de proceskosten veroordelen.

in reconventie

4.7. Met betrekking tot de vordering DGV te gebieden te gedogen dat gedaagden de brandstoffen bij een derde betrekken zonder schadeplichtig te worden of een boete te verbeuren dan wel DGV te veroordelen een redelijke korting aan de pomp mogelijk te maken, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ten aanzien van haar prijsbeleid is ter zitting zijdens DGV toegelicht dat de prijs wordt aangehouden zoals die op alle rijkswegen geldt en dat daar in principe geen kortingen worden gegeven. De weg waaraan het door Veersedam geëxploiteerde pompstation zich bevindt was oorspronkelijk provinciale weg, maar is inmiddels rijksweg geworden.

Nu niet aannemelijk is dat door deze formele wijziging (van provinciale weg naar rijksweg) automatisch een grotere verkeersstroom is ontstaan, is het de vraag of het rigide prijsbeleid van DGV de toets der redelijkheid kan doorstaan.

De voorzieningenrechter beschikt echter over te weinig gegevens om in kort geding dienaangaande een zorgvuldige afweging te kunnen maken, zodat voornoemde vorderingen zullen worden afgewezen.

4.8. De voorzieningenrechter zal ook de onder II van de eis in reconventie geformuleerde vordering afwijzen, wegens gebrek aan belang bij het gevorderde. De heer Hannewijk, exploitant van het tankstation, heeft immers desgevraagd ter zitting aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de brandstoftanks thans reeds worden weggehaald en voorts is door DGV toegezegd dat het terrein bij afloop van het contract schoon zal worden opgeleverd.

4.9. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat door eiseres voorts bedoeld is een voorschot op de schadevergoeding te vorderen, in plaats van een voorschot op de geleden schade zoals geformuleerd onder III van de eis in reconventie.

Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding dient onder meer het bestaan van de vordering van eisers op gedaagde voldoende aannemelijk te zijn, in die zin dat het in een bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk is dat de vordering wordt toegewezen. Op grond van de thans door Veersedam en Veersedam Holding aangevoerde omstandigheden, welke door DGV gemotiveerd zijn betwist, is het bestaan van de vordering van Veersedam en Veersedam Holding op DGV voorshands niet voldoende aannemelijk. Bovendien is de omvang van eventueel door Veersedam en Veersedam Holding geleden schade niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Ook deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.10. Veersedam en Veersedam Holding zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

verbiedt gedaagden motorbrandstoffen van derden af te nemen met gebruikmaking van de door DGV ter beschikking gestelde installaties, zulks op straffe van een dwangsom die gedaagden hoofdelijk verbeuren van € 1.000,-- voor elke dag dat ieder der gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met een maximum van

€ 50.000,--;

verbiedt gedaagden om motorbrandstoffen die niet van DGV afkomstig zijn aan Texaco tankkaarthouders/consumenten af te leveren, zulks op straffe van een dwangsom die gedaagden hoofdelijk verbeuren van € 1.000,-- voor elke dag dat ieder der gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met een maximum van

€ 50.000,--;

veroordeelt Veersedam Holding om als voorschot op de schadevergoeding aan DGV te voldoen het bedrag van € 5.332,15;

veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding welke aan de zijde van DGV tot aan dit moment worden begroot op € 248,-- wegens griffierecht, € 84,87 wegens overige verschotten en € 1.054,-- wegens procureurssalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Veersedam en Veersedam Holding in de kosten van het geding welke aan de zijde van DGV tot aan dit moment worden begroot op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 18 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

AIJ