Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY9727

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
Awb 06/1023 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

luchtkwaliteit, externe veiligheid, parkeernorm, vrijstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

voorzieningenrechter

_______________________________________________

UITSPRAAK

op het verzoek om toepassing van

artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

(voorlopige voorziening)

____________________________________________________

Reg.nr.: 06/1023 VV, 06/1024 VV, 06/1025 VV, 06/1026 VV

Inzake: de Vereniging Woon- en Leefklimaat Kop van Zuid/Noordereiland, gezeteld te Rotterdam, [verzoeker a], [verzoeker b] en [verzoeker c], allen wonende te [woonplaats], de besloten vennootschappen Van Messel Vlees B.V. en Van Messel Management B.V., gevestigd te Rotterdam, verzoekers, gemachtigden: mr. H.A. Steendam, advocate bij Vest Advocaten te Dordrecht en mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat bij Moree Gelderblom Advocaten te Rotterdam,

tegen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OVG projecten XX B.V. te Rotterdam (hierna: vergunninghoudster), met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), vrijstelling verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw (hierna: de Maastoren) gelegen op de hoek Laan op Zuid/Stieltjesstraat (Maaszijde). Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder aan vergunninghoudster onder voorwaarden een bouwvergunning verleend voor het oprichten van de Maastoren. Verzoekers hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij, hangende het bezwaar, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is op 15 september 2006 behandeld ter zitting. Daar zijn verzoekers vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K.I. Siem. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden mr. W.J. Haeser, advocaat bij Houthoff Buruma te Rotterdam en mr. A.R. Klijn, advocate bij Boekel de Nerée te Amsterdam. Tevens zijn enkele deskundigen, opgeroepen door partijen, ter zitting verschenen.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover daarbij de toetsing door de voorzieningenrechter meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Vergunninghoudster heeft op 20 september 2005 een vrijstelling en op 27 februari 2006 een bouwvergunning voor het in geding zijnde bouwplan aangevraagd. Het bouwplan betreft het oprichten van een kantoorgebouw van ongeveer 165 meter hoog. Het gebouw voorziet in kantoorruimte van ongeveer 43.000m2 verdeeld over 33 lagen en een grand café van ongeveer 200m2. Tevens is er een inpandige parkeergarage met plaats voor ongeveer 635 auto’s. Die parkeerplaatsen komen op de tweede tot en met elfde verdieping en in twee verdiepingen ondergronds.

3. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet (hierna: Ww) - voor zover hier van belang - mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met een bestemmingsplan of krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Artikel 19, eerste lid, van de WRO bepaalt dat de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling kan verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Artikel 19, vierde lid, van de WRO bepaalt dat vrijstelling krachtens het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor (a) het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig art. 33 lid 1 WRO is herzien of (b) geen vrijstelling overeenkomstig art. 33 lid 2 WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "de Kop van Zuid", onherroepelijk geworden op 15 juli 1994, rusten op het betreffende perceel de bestemmingen “stedelijke functies” en "onbebouwd gebied". De gronden met de bestemming "stedelijke functies" zijn bestemd voor kantoren, commerciële en recreatieve bebouwing, culturele en maatschappelijke voorzieningen, woningen, verkeersgebied en verblijfsgebied, inclusief openbaar vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen. Verder is uitgangspunt van het bestemmingsplan dat er alleen ondergronds parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd.

5. Het in geding zijnde bouwplan is deels in strijd met voornoemd bestemmingsplan. De bebouwingsgrens en de bouwhoogte worden overschreden en er komen ook bovengronds parkeervoorzieningen.

6. De raad van de gemeente Rotterdam heeft op grond van artikel 19, vierde lid, van de WRO een voorbereidingsbesluit genomen, gedateerd 2 maart 2006 en in werking getreden op 17 maart 2006. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben vervolgens bij besluit van 4 juli 2006 de door verweerder gevraagde verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

7. Verzoekers hebben allereerst aangevoerd dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de verleende verklaring van geen bezwaar. Volgens verzoekers hebben Gedeputeerde Staten die verklaring afgegeven zonder kennis te hebben genomen van de ingebrachte bedenkingen en de weerlegging daarvan. Verzoekers menen voorts dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan onvoldoende is. Zij hebben ook bezwaren geuit tegen vorm en omvang van de parkeervoorzieningen. Het beoogde aantal parkeerplaatsen zal de luchtkwaliteit ter plekke verslechteren. Zij vinden de locatie van de torens van het onderhavige bouwplan onveilig in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen dat over de Maas plaatsvindt. Voorts vrezen zij windhinder en afname van de bezonning. Tenslotte is namens verzoekers opgemerkt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

8. De voorzieningenrechter overweegt op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting als volgt.

9. De voorzieningenrechter beantwoordt de vraag of de in geding zijnde besluiten bevoegd zijn genomen voorshands ontkennend. Ingevolge het Integraal mandaat- en volmachtbesluit 2006 kan het nemen van een besluit omtrent de aanvraag voor een vrijstelling en een bouwvergunning worden (door)gemandateerd. In het onderhavige geval zijn het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning echter voorzien van een onleesbare ondertekening, waarbij de functie van de ondertekenaar ontbreekt. Daarmede lijkt niet te zijn voldaan aan de eisen van voornoemd Integraal mandaat- en volmachtbesluit 2006. Vorenstaande constatering leidt er echter niet toe dat reeds hierom de in geding zijnde besluiten zouden moeten worden geschorst. Verweerder kan deze gebreken in het kader van de aanhangige bezwaarprocedure immers herstellen.

10. Met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid van de verleende verklaring van geen bezwaar van 4 juli 2006 is ter zitting genoegzaam gebleken dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland kennis hebben kunnen nemen van de ingebrachte bedenkingen en de weerlegging daarvan namens verweerder.

11. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt blijkens artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeesters en wethouders.

12. Verweerder heeft de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan vorm en inhoud gegeven door middel van het voorontwerp bestemmingsplan "de Kop van Zuid" eerste herziening, de Stedenbouwkundige Randvoorwaarden Maastoren van 9 augustus 2005, de door vergunninghouderster opgestelde onderbouwing en verschillende rapporten betreffende verkeersafwikkeling, bezonning, luchtkwaliteit, externe veiligheid, windhinder, waterbodemonderzoek, watertoets, archeologie en natuur. Voornoemde stukken bevatten een beschrijving van de ruimtelijke context, zowel in de directe omgeving van het project als in breder verband ten opzichte van de Kop van Zuid alsook in stedelijk opzicht. Aandacht wordt besteed aan de volgens verweerder markante locatie aan de Maas en aan het uitgangspunt van de gemeente Rotterdam, zoals neergelegd in het bestemmingsplan “de Kop van Zuid” om dit stadsdeel en dan met name de Wilhelminapier en de Zuidkade te ontwikkelen tot een locatie met aantrekkingskracht op internationale bedrijven. In voornoemde rapporten worden de verkeerskundige aspecten, de milieuaspecten, de ecologische aspecten en de archeologische aspecten beschreven.

13. Naar voorlopig oordeel voldoet deze ruimtelijke onderbouwing aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij is van belang op te merken dat de inbreuken die het in geding zijn bouwplan maakt op het bestemmingsplan “de Kop van Zuid” overwegend beperkt van aard zijn. Blijkens de voorschriften van dit bestemmingsplan geldt weliswaar een maximale bouwhoogte van 135 meter maar de voorgestane bouwhoogte van 165 meter kon worden gerealiseerd middels binnenplanse vrijstellingen en een wijzigingsbevoegdheid. Ook de overschrijding van de bebouwingsgrens met 14,65 meter was gedeeltelijk met een binnenplanse vrijstelling mogelijk geweest. Overigens is bij het bovengronds parkeren wel sprake van een behoorlijke inbreuk op eerder ingenomen planologische standpunten.

14. Bovengronds parkeren

Volgens de Stedenbouwkundige Randvoorwaarden dient de noodzaak van bovengronds parkeren overtuigend te worden aangetoond. Gelet op de te realiseren kantooroppervlakte en uitgaande van de in Rotterdam gebruikelijke parkeernorm dient het aantal parkeerplaatsen volgens het rapport van Goudappel Coffeng B.V. van 30 maart 2006 338 plaatsen te bedragen. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat zowel uit financieel als ook uit bouwtechnisch oogpunt slechts 172 parkeerplaatsen onder de grond te realiseren zijn. Daarmede is de noodzaak voor het boven- gronds bouwen van de overige ongeveer 166 parkeerplaatsen een gegeven.

Voorts is op basis van de Parkeerbalans en voornoemd rapport van Goudappel Coffeng B.V. besloten 300 extra (openbare) parkeerplaatsen aan die ongeveer 166 (besloten) parkeerplaatsen toe te voegen. Goudappel Coffeng B.V. wijst hierbij op de resultaten die uit de Parkeerbalans naar voren komen en die er op neerkomen dat er ondanks de nog te realiseren Rijnhavengarage met 1250 parkeerplaatsen op bepaalde piekmomenten een tekort zal optreden van 270 parkeerplaatsen. Daarbij is onder meer in acht genomen dat als gevolg van nog te realiseren bouwplannen het aantal parkeerplaatsen zal afnemen en dat de Rijnhavengarage eerst in 2010 opgeleverd zal worden. Ter zitting is duidelijk geworden dat het beheer en de exploitatie van de openbare parkeerplaatsen zal geschieden door Q-Park, welk bedrijf de parkeergarage ook zal exploiteren. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiermee de noodzaak van bovengronds parkeren voldoende is aangetoond. Daarbij zij nog wel opgemerkt dat verweerders primaire besluitvorming voor wat betreft dit aspect volstrekt onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder zal dit gebrek in de bezwaarprocedure dienen te herstellen.

15. Luchtkwaliteit

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Staatsblad 2005, nr. 136, hierna: het Besluit), nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht. Zoals hierboven onder punt 13 is overwogen, moest ingevolge het bestemmingsplan “de Kop van Zuid” de bouw van een kantoor van maximaal 135 meter hoogte vergund worden. Daarbij dient toetsing aan het Besluit achterwege te blijven nu eventuele strijd daarmede geen weigeringsgrond oplevert als bedoeld in artikel 44 Ww. Wel dient het aantal parkeervoorzieningen en de daarmede gepaard gaande autobewegingen, die middels het in geding zijnde vrijstellingsbesluit mogelijk worden, te worden getoetst aan het Besluit.

16. Verweerder en vergunninghoudster hebben ieder opdracht gegeven de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken. De luchtkwaliteitsrapporten van DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: DGMR) van 4 april 2006 en Cauberg Huygen van 8 september 2006 zijn hiervan het resultaat. Ter terechtzitting is namens vergunninghoudster een toelichting op deze rapporten gegeven. Deze rapporten - gebaseerd op het aantal verkeersbewegingen die ongeveer 600 parkeervoorzieningen met zich brengen - geven geen blijk van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Verzoekers hebben deze rapporten betwist. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent dat hij voorshands geen reden ziet te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze rapporten. Hij heeft daarbij het navolgende in aanmerking genomen.

Van de openbare parkeervoorzieningen zal niet zeer frequent gebruik gemaakt worden gezien de omstandigheid dat de parkeergarage grotendeels zal worden benut door werknemers en bezoekers van al bestaande en nog op te richten kantoren in de omgeving van het bouwplan en het feit dat op uitgaansavonden bezoekers langere tijd gebruik zullen maken van een parkeerplaats. Dit komt ook naar voren in het rapport van Goudappel Coffeng B.V. van 8 september 2006. Derhalve zullen de gemeten waarden in de werkelijke situatie lager uitvallen, nog daargelaten dat voornoemde rapporten uitgaan van het totale aantal vervoersbewegingen en niet het aantal dat mogelijk wordt middels de in geding zijnde ontheffing.

Verzoekers hebben de in de rapporten gebruikte rekenprogramma's zoals Geoair en WinMISKAM betwist. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het Besluit geen bepaalde rekenmethode dwingend voorschrijft.

Verder moet worden vastgesteld dat de voorgeschreven meetpunten in acht zijn genomen. In de rapportages zijn immers resultaten van metingen verwerkt, die gemeten zijn op een punt op minstens vier meter vanaf het midden van de dichtstbijzijnde rijstrook, zoals bepaald door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 18 januari 2006 (nr. 200507534). Uit het rapport van DGMR blijkt dat luchtberekeningen zijn verricht ter hoogte van het trottoir/fietspad. Blijkens de berekeningen van verzoekers ligt het midden van het fietspad op 4 meter vanaf het midden van de dichtstbijzijnde rijstrook. In het rapport van Cauberg-Huygen is vermeld dat toetsing aan de grenswaarden heeft plaatsgevonden op tenminste vier meter uit de as van de buitenste rijbaanlijn, waarbij ook gemeten is op fietspaden en parkeerhavens. Ook zijn daarbij onder andere de emissies vanwege verkeer op de hoofdontsluitingswegen en vanwege de scheepvaart meegenomen, alsmede de achtergrondconcentraties. Voorts is in beide rapporten uitgegaan van het moment van ingebruikname van het gebouw, zoals voorgeschreven. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen reden te twijfelen aan de juistheid van de in de rapporten neergelegde berekeningen. Dat in het rapport van DGMR geen kruispuntcorrecties zijn verwerkt, zoals verzoekers aanvoeren, kan evenmin afdoen aan de resultaten van de berekeningen, nu een kruispuntcorrectie van de gemeten waarden wordt afgetrokken en de resultaten derhalve naar beneden toe bijstelt.

Verzoekers hebben voorts gewezen op de verschillen tussen het rapport van DGMR van 24 november 2005 en het rapport van 4 april 2006. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat in het rapport van 4 april 2006 is vermeld dat het een herziening van het rapport van november 2005 betreft. Daartoe is overgegaan omdat in het rapport van Goudappel Coffeng B.V. van 30 maart 2006 tot een groter aantal vervoersbewegingen ten gevolge van het bouwplan geconcludeerd werd en er derhalve nieuwe berekeningen dienden te worden gemaakt. Voorts was het nieuwe Car-model (CAR II, 5.0) inmiddels geïntroduceerd waarin de nieuwe voor Nederland geldende achtergrondconcentratiewaarden zijn verwerkt, welke leiden tot een verlaging van de luchtkwaliteitprognoses (NMP-rapport maart 2006). Derhalve dient bij de beoordeling slechts het rapport van 4 april 2006 in acht te worden genomen. Verzoekers hebben voorts naar voren gebracht dat de zeezoutcorrectie in strijd is met Europese regelgeving. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat nog daargelaten dat de voorlopige voorzieningsprocedure zich voor een dergelijke rechtsvraag niet leent, de toepassing van de zeezoutcorrectie in deze niet van zwaarwegend belang is, nu zoals hierboven reeds overwogen de waarden in de rapportages zijn gebaseerd op het totale aantal verkeersbewegingen.

17. Externe veiligheid

In de ruimtelijke onderbouwing bevindt zich het advies van de RHRR (Regionale Hulpverlenings-dienst Rotterdam-Rijnmond) van 9 december 2005 en twee rapporten van OG (het ingenieursbureau van Gemeentewerken) van 25 oktober 2005 en 11 september 2006. Uit deze rapporten komt naar voren dat de bijdrage van de Maastoren op het gebied van externe veiligheid relatief gering is. Volgens OG hoeft in het kader van de vrijstellingsprocedure geen nieuw extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd te worden, omdat het in 2002 verrichte veiligheidsonderzoek nog van toepassing is. Dit onderzoek toont aan dat er uit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmering is voor de Maastoren. Verzoekers hebben deze rapporten betwist. Door de gemachtigden van vergunninghoudster is onweersproken gesteld dat het bouwplan op 230 meter van de Erasmusbrug ligt en 500 meter van het midden van de Nieuwe Maas ligt. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van de Circulaire Risiconormering 2004 gegeven dat het bouwplan buiten het groepsrisico valt en er geen effectgerichte maatregelen behoeven te worden genomen. De RHRR heeft, hoewel zij het risico zeer beperkt acht, enkele maatregelen geadviseerd. Deze maatregelen zijn inmiddels in het bouwplan verwerkt. Ter terechtzitting is voorts bevestigd dat de aanpassingen in het bouwplan van de Maastoren, getroffen naar aanleiding van het windtunnelonderzoek, in het veiligheidsonderzoek zijn verwerkt. Verzoekers hebben gesteld dat in het bouwplan niet de op grond van provinciaal beleid verplichte bebouwingsvrije zone van 25 meter in acht is genomen, welke zone van belang is in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen langs een kade met zeeschepen en binnenvaartschepen. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat het beleid van de gemeente gebaseerd is op de Vaarwegenstudie van 14 juni 2002. Deze Vaarwegenstudie is van toepassing op hoofdvaarwegen en op hetgeen zich op de vaarweg afspeelt. Nu de afstand van de Maastoren tot het midden van de transportroute 500 meter bedraagt is dit beleid niet van toepassing op het onderhavige bouwplan. Dit alles in aanmerking nemend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de gevolgen voor de externe veiligheid voldoende heeft meegewogen in zijn beslissing.

18. Windhinder

Blijkens de stukken is er een onderzoek gedaan naar de gevolgen van de windsituatie ter plaatse en de directe omgeving. Dit zogenaamde windtunnelonderzoek heeft geleid tot enkele aanpassingen in het bouwplan. Zo zal er een luifel aan de zuidwestzijde en de zuidoostzijde worden aangebracht en zal de gevel op de derde tot en met tiende verdieping voor 30% opengelaten worden. Blijkens de conclusies van het windtunnelonderzoek is er na het nemen van deze maatregelen geen sprake meer van windgevaar en zal de windhinder verbeteren. Vergunninghoudster heeft voornoemde aanpassingen reeds in het bouwplan verwerkt.

19. Bezonning

De resultaten van het bezonningsonderzoek zijn namens vergunninghoudster ter terechtzitting nader toegelicht. Daaruit komt naar voren dat het op te richten gebouw maximaal gedurende een periode van twee uur de zon zal wegnemen. Daarbij is aangetekend dat door het bouwplan ten opzichte van een gebouw conform het bestemmingsplan geen significante verschillen ontstaan in bezonningsduur op de omliggende omgeving.

20. Woon-/leefklimaat

Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat ook het gestelde ten aanzien van het bestaan van alternatieve locaties geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de vrijstelling niet verleend had kunnen worden. Verweerder dient te beslissen omtrent het plan zoals dit is ingediend. Indien dit plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet is gebleken dat een zodanige situatie zich hier voordoet. Voor zover er sprake zou zijn van waardevermindering van de door verzoekers bewoonde woningen kan zulks aan de orde komen in een planschadeprocedure.

21 Gezien het voorgaande stelt de voorzieningenrechter voorlopig oordelend zich op het standpunt dat de in geding zijnde vrijstelling, gelet op alle af te wegen belangen niet in strijd lijkt te komen met het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb. Het lijkt dan ook niet aannemelijk dat dit besluit in de bezwarenprocedure niet in stand zal blijven.

22. Met betrekking tot de in geding zijnde bouwvergunning is door verzoekers kritiek geuit op het welstandsadvies. Vaststaat dat de welstandcommissie een positief advies heeft uitgebracht, zij het dat op drie punten volgens die commissie nog discussie mogelijk is. De welstandscommissie zal zich daar nog over uitspreken waarna een en ander zal moeten worden goedgekeurd door de dienst Stedenbouw en Vergunningen. Naar voorlopig oordeel voldoet het welstandadvies aan de daaraan te stellen eisen. Verzoekers hebben in dit kader een notitie ingebracht van de hand van ing. G.J. van Leeuwen van september 2006, doch dit rapport voldoet niet aan de eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan een contra-expertise. Verzoekers hebben voorts nog een beroep gedaan op het beschermd stadsgezicht dat op het Noordereiland van toepassing is. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent dat die bescherming uitsluitend geldt voor het Noordereiland.

23. Ook ten aanzien van de bouwvergunning is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is dat die bouwvergunning in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven.

24. Gezien het vorenstaande dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2006 door mr. T. Damsteegt als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Smeenk als griffier.

Afschrift verzonden op: