Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY9618

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
52478 KG 06-96
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

''De ABN AMRO Bank heeft in de schuldsanering ter verificatie een vordering ingediend. Deze vordering is gebaseerd op een gemeenschappelijke schuld van [eiser] en [gedaagde] jegens de ABN AMRO Bank. Deze schuld bestond reeds voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Door [gedaagde] en [eiser] vervolgens te veroordelen tot betaling van een deel van deze schuld, heeft de rechtbank Utrecht geen nieuwe vordering gecreëerd. De vordering van [gedaagde] op [eiser] is een vordering die voortvloeit uit een voor de schuldsanering bestaande rechtsverhouding en valt daarmee onder de werking van de schuldsanering. Het tegen [eiser] gewezen verstekvonnis kan dan ook niet door middel van een beslag jegens [eiser] ten uitvoer worden gelegd.''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

Vonnis van 22 juni 2006 in de zaak van:

Kort gedingnr.: 96/2006[eiser],

wonende te Kats, gemeente Noord-Beveland,

eiser,

procureur: mr. J.C. van den Doel,

tegen:

[gedaa[gedaagde],

wonende te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat: E.B.S. Postma.

1. Het verloop van het geding

Partijen worden verder aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

Het dossier bevat de volgende processtukken:

- dagvaarding;

- producties zijdens [eiser];

- producties zijdens [gedaagde];

- mondeling antwoord zijdens [gedaagde];

- proces-verbaal van de zitting in kort geding gehouden op 15 juni 2006.

2. De feiten

2.1 [eiser] en [gedaagde] zijn met elkaar gehuwd geweest. In 1985 zijn zij gescheiden. In 1986 zijn partijen wederom gaan samenwonen. Vervolgens is in 1993 de samenleving geëindigd.

2.2 [eiser] is op 13 juni 2002 in staat van faillissement verklaard. Op 6 augustus 2003 is het faillissement opgeheven en is gelijktijdig de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

2.3 Een schuld bij de ABN AMRO Bank van € 13.201,01, aangegaan in 1996, is in het faillissement van [eiser] aangemeld ter verificatie en is geplaatst op de lijst van voorlopig erkende crediteuren.

2.4 Op 21 juni 2005 is [gedaagde] door de ABN AMRO Bank gedagvaard voor de rechtbank Utrecht in verband met de eerder genoemde schuld. [gedaagde] heeft vervolgens op 25 november 2005 [eiser] in vrijwaring opgeroepen voor de rechtbank Utrecht.

2.5 Op 12 december 2005 is tijdens de comparitie van partijen, gehouden door de rechtbank Utrecht tussen [gedaagde] en de ABN AMRO Bank, een schikking bereikt.

2.6 Vervolgens is [eiser] bij vonnis van 8 februari 2006 bij verstek veroordeeld tot het betalen van het bedrag dat [gedaagde] in de hoofdzaak aan de ABN AMRO Bank moet voldoen.

2.7 Het vonnis van 8 februari 2006 is op 20 februari 2006 aan [eiser] betekend.

3. Het geschil

3.1 [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat het [gedaagde] wordt verboden om het vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 februari 2006, althans de executie van dit vonnis wordt geschorst, althans een voorziening te treffen door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2 De vordering waarvan [gedaagde] betaling vordert betreft een schuld jegens de ABN AMRO Bank die door partijen gezamenlijk is aangegaan voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Nadat de ABN AMRO Bank [gedaagde] ter zake had gedagvaard is tussen hen een schikking tot stand gekomen. [gedaagde] is vervolgens tot het bedrag van de schikking veroordeeld tot betaling en in de vrijwaringsprocedure is [eiser] veroordeeld tot betaling van hetzelfde bedrag aan [gedaagde].

De rechtbank Utrecht heeft een kennelijke fout gemaakt door [eiser] te veroordelen terwijl de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. [gedaagde] maakt misbruik van recht door nu dit verstekvonnis ten uitvoer te leggen.

Er is geen sprake van een nieuwe schuld die ontstaan is door het veroordelend vonnis, maar een oude schuld van voor de schuldsanering. [gedaagde] dient deze schuld ter verificatie aan te melden.

3.3 [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij stelt dat zij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft dat tegen [eiser] ten uitvoer kan worden gelegd. [eiser] had in verzet kunnen gaan maar heeft dat nagelaten. Hoger beroep is dan niet meer mogelijk.

Schorsing zoals gevorderd is niet mogelijk omdat een schorsing uit de aard tijdelijk is en de voorziening die wordt gevraagd een permanent karakter heeft.

[eiser] is naar de mening van [gedaagde] niet ontvankelijk althans het aanspannen van een kort geding is niet de juiste weg. Ook heeft [eiser] geen spoedeisend belang. [eiser] heeft door maanden lang niets te ondernemen zijn recht verwerkt. Tevens is het geen eenvoudige zaak. Als het wel een eenvoudige zaak is dan wordt de goede procesorde althans de rechtsorde aangetast als een perfect vonnis niet ten uitvoer mag worden gelegd. Tot slot is er geen grond voor het indienen van de toegewezen vordering bij een bewindvoerder, nu de Faillissementswet daarvoor geen grondslag biedt.

4. De beoordeling

4.1 [gedaagde] heeft beslag gelegd of gaat beslag leggen ten laste van [eiser]. In beide gevallen heeft [eiser] een spoedseisend belang. Het verweer van [gedaagde] met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van [eiser] gaat derhalve niet op.

4.2 De ABN AMRO Bank heeft in de schuldsanering ter verificatie een vordering ingediend. Deze vordering is gebaseerd op een gemeenschappelijke schuld van [eiser] en [gedaagde] jegens de ABN AMRO Bank. Deze schuld bestond reeds voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Door [gedaagde] en [eiser] vervolgens te veroordelen tot betaling van een deel van deze schuld, heeft de rechtbank Utrecht geen nieuwe vordering gecreëerd. De vordering van [gedaagde] op [eiser] is een vordering die voortvloeit uit een voor de schuldsanering bestaande rechtsverhouding en valt daarmee onder de werking van de schuldsanering. Het tegen [eiser] gewezen verstekvonnis kan dan ook niet door middel van een beslag jegens [eiser] ten uitvoer worden gelegd. De vordering van [eiser] is dan ook voor toewijzing vatbaar met dien verstande dat het [gedaagde] verboden zal worden het vonnis van 8 februari 2006 door middel van beslag ten uitvoer te leggen.

4.3 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verbiedt [gedaagde] het verstekvonnis van 8 februari 2006 ten laste van [eiser] door middel van beslag ten uitvoer te leggen;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 248,- wegens verschotten en € 1.054,- wegens procureurssalaris;

- bepaalt dat nu [eiser] met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening

a. aan de griffier van deze rechtbank:

- wegens het in debet gestelde deel griffierecht ad € 186,-;

- wegens procureurssalaris ad € 1.054,-;

b. aan [eiser]:

- het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ad € 62,-;

- de dagvaardingskosten ad € 84,87.

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

EA