Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY9160

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
51757 HA ZA 2006-115
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vordering van de vrouw zal dan ook, nu deze wegens verstrijken van een ter-mijn van drie jaar is vervallen, worden afgewezen. De vrouw zal voorts, als de in het onge-lijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 119

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 51757 / HA ZA 06-115

Vonnis van 20 september 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Hoedekenskerke, gemeente Borsele,

eiseres,

procureur: mr. B. van Leeuwen,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Baarland, gemeente Borsele,

gedaagde,

procureur: mr. H. van Es.

Partijen worden hierna aangeduid als “de vrouw” en “de man”.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 mei 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 juni 2006.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij zijn op 3 juni 1988 na het maken van huwelijkse voorwaarden (inhoudende een gemeenschap van inboedel, met uitsluiting van elke andere gemeenschap) met elkaar gehuwd. In artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden is opgeno-men een verrekenbeding. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2003, inge-schreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Borsele op 2 februari 2004, is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden.

2.2. Op 31 juli 2001 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, welke – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“(De man en de vrouw);

In aanmerking nemend;

dat (de man en de vrouw) op 3 juni 1988 (…) met elkaar zijn gehuwd;

dat (de man en de vrouw) huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen waarvan de akte op 19 mei 1999 is verleden (…);

dat deze akte op 7 juni 1988 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers (…);

dat (de man en de vrouw) de jaarlijks opkomende financiële rechten en verplichtingen tussen hen administratief hebben veronachtzaamd;

dat (de man en de vrouw) de financiële rechtsgevolgen als gevolg van die huwelijkse voorwaarden wensen te concretiseren met inachtneming van de tussen hen van kracht zijnde huwelijkse voorwaarden;

dat (de man en de vrouw) om hun moverende redenen wensen dat een cijfermatige uitwerking achterwege blijft;

dat (de man en de vrouw) in onderling overleg overeen zijn gekomen dat het in artikel 2 genoemde bedrag redelijk is;

zijn een vaststellingsovereenkomst aangegaan welke wordt beheerst door de volgende voorwaarden en bepalingen:

Ingangsdatum

Artikel 1

Deze overeenkomst is gesloten op 31 juli 2001.

Voorwerp van de overeenkomst

Artikel 2

Deze overeenkomst bevat een vaststelling van hetgeen (de man en de vrouw) op 30 april 2001 aan elkaar verschuldigd zijn of van elkaar te vorderen hebben op grond van de tussen hen van kracht zijnde huwelijkse voorwaarden.

Vaststelling

Artikel 3

(De vrouw) heeft op 30 april 2001 te vorderen van (de man) een bedrag van f. 100.000,- (zegge: honderdduizend gulden), welk bedrag in onderling overleg is vastgesteld tussen (de man en de vrouw) en betrekking heeft op de periode, die aanvangt op 3 juni 1988 en eindigt op 30 april 2001.”

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (1) de onder 2.2 weergegeven vaststellingsovereenkomst vernietigt primair op grond van benadeling als bedoeld in art. 3:196 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), subsidiair op grond van misbruik van omstandigheden in de zin van art. 3:44 BW en meer subsidiair op grond van bedrog als bedoeld in art. 3:44 BW, (2) bepaalt dat partijen alsnog tot afrekening van de huwelijkse voorwaarden dienen te komen en daarbij de man veroor-deelt om daartoe de in de vordering nader omschreven gegevens over te leggen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag tot een maximum van € 300.000,-- bij het niet nakomen van deze verplichting binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, (3) de man veroordeelt tot betaling – bij wijze van voorschot – van een be-drag van € 75.000,--, te voldoen binnen twee weken na dagtekening van het in deze te wij-zen vonnis met bepaling dat nadat twee weken na betekening van het in deze te wijzen von-nis zijn verstreken, het bedrag wordt verhoogd met de wettelijke rente en (4) de man veroor-deelt in de kosten van deze procedure.

3.2. De vrouw stelt dat haar vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereen-komst niet is vervallen of verjaard. Primair beroept zij zich op stuiting van de verjaring door brieven van haar voormalige advocaat van 30 januari 2003 en van haar huidige advocaat van 24 juni 2005. Vervolgens stelt zij dat de verjaringstermijn eerst op het moment van inschrij-ving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers (op 2 februari 2004), dan wel op het moment dat zij de benadeling ontdekte is aangevangen en derhalve nog niet is verlopen. Voor zover zij zich beroept op art. 3:44 BW bedraagt de verjaringster-mijn 5 jaar; die termijn is nog niet verlopen. Voorts stelt zij dat de man – nu hij reeds lang op de hoogte is van het feit dat zij de inhoud van de vaststellingsovereenkomst betwist – met een beroep op verval van het vorderingsrecht van de vrouw niet te goeder trouw handelt.

Voorts heeft zij haar vorderingen inhoudelijk toegelicht.

3.3. De man stelt dat de vordering van de vrouw door het verloop van drie jaar sedert het aangaan van de vaststellingsovereenkomst van rechtswege – op grond van art. 3:200 BW – is vervallen. Een vervaltermijn kan niet worden gestuit of geschorst. Het door de vrouw gedane beroep op ontbreken van goede trouw bij de man gaat niet op.

De man betwist voorts de door de vrouw gestelde benadeling, alsook het door haar gestelde misbruik van omstandigheden en het bedrog.

4 De beoordeling van het geschil

4.1. Allereerst zal beoordeeld dienen te worden de stelling van de man dat de vordering van de vrouw door tijdsverloop is vervallen.

4.2. In de overeenkomst waarvan de vrouw vernietiging vraagt hebben partijen bindend vastgelegd hetgeen zij op 30 april 2001 aan elkaar verschuldigd zijn of van elkaar te vor-deren hebben op grond van de tussen hen van kracht zijnde huwelijkse voorwaarden. Hoe-wel niet met zoveel woorden in de overeenkomst gezegd gaat de rechtbank – nu partijen dat ook doen – er van uit dat de overeenkomst ziet op een finale afwikkeling van de in artikel 11 van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden neergelegde verplichting tot verre-kening van inkomsten.

4.3. Art. 1:135 BW bepaalt dat op de verrekening van inkomsten onder meer van toe-passing is art. 3:200 BW. Dat artikel bepaalt dat een rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling (en dus ook: van de afwikkeling van een verrekening) vervalt door verloop van drie jaar na de verdeling (dan wel: de afwikkeling). Daarbij wordt geen onderscheid ge-maakt tussen gronden voor een dergelijke rechtsvordering; of deze wordt gebaseerd op be-nadeling als bedoeld in art. 3:196 BW of op grond van een der wilsgebreken, geregeld in art. 3:44 BW maakt voor de toepasselijkheid van art. 3:200 BW geen verschil. Met het opnemen in de wet van deze vervaltermijn wordt de rechtszekerheid gediend. Partijen die een verde-lings- of verrekeningsafspraak maken, mogen niet te lang in onzekerheid verkeren omtrent de aantastbaarheid van die afspraak. Een vervaltermijn is dan ook niet vatbaar voor stuiting of verlenging. Dit aan de rechtszekerheid ontleende belang geldt in gelijke mate voor een af-spraak die is gemaakt vóór de ontbinding van het huwelijk. Het beroep, door de vrouw ge-daan op respectievelijk art. 3:117 BW (stuiting bij verjaring) en art. 3:321 BW (verlenging van een verjaringstermijn) faalt; de artikelen zijn van toepassing slechts indien een beroep op verjaring wordt gedaan en het hiervoor omschreven karakter van een vervaltermijn verzet zich tegen een analoge toepassing van die artikelen wanneer op die termijn een beroep wordt gedaan.

4.4. In het onderhavige geval is de vervaltermijn van drie jaar derhalve aangevangen op 31 juli 2001 (zijnde de dag waarop de vaststellingsovereenkomst, naar in artikel 1 ervan is bepaald, is gesloten), en eindigde zij op 31 juli 2004. De rechtsvordering van de vrouw is ingesteld bij dagvaarding van 16 maart 2006, derhalve na verloop van die vervaltermijn.

4.5. De vrouw stelt nog dat de man met zijn beroep op de vervaltermijn niet te goeder trouw handelt, omdat hij al langer wist dat de vrouw de inhoud van de vaststellingsovereen-komst betwistte Het hiervoor uiteengezette karakter van de vervaltermijn – namelijk dat niet te lang onzekerheid dient te bestaan over mogelijke aantastbaarheid van een afspraak – staat eraan in de weg dat daarop geen beroep zou kunnen worden gedaan in de situatie dat de be-zwaren tegen een verdelings- of verrekeningsafspraak al voor het verstrijken van de termijn van drie jaar aan de wederpartij zijn kenbaar gemaakt, maar de rechtsvordering tot vernieti-ging pas na het verstrijken van die drie jaar wordt ingediend. Immers, zou daarvan wel wor-den uitgegaan, dan zou enkel door het melden van bezwaren tegen de gemaakte verdelings- of verrekeningsafspraak aan de vervaltermijn kunnen worden ontkomen en daarmee zou in veel gevallen de met de vervaltermijn bedoelde rechtszekerheid niet worden bereikt. Het feit dat de man wist van de betwisting van de vaststellingsovereenkomst staat derhalve aan toepassing van de vervaltermijn niet in de weg.

4.6. De vordering van de vrouw zal dan ook, nu deze wegens verstrijken van een ter-mijn van drie jaar is vervallen, worden afgewezen. De vrouw zal voorts, als de in het onge-lijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering af;

- veroordeelt de vrouw in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 248,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan procureursalaris.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2006.