Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY9149

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
45968 HA ZA 2004-695
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Resumerend stelt de rechtbank vast dat de vraag of de vrouw op grond van de arbeids-vergoedingsovereenkomst thans alsnog (of beter: opnieuw) uitkering door de man van de in zijn bedrijf teruggestorte arbeidsvergoeding kan vragen, ontkennend moet worden beant-woord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 45968 / HA ZA 04-695

Vonnis van 20 september 2006

in de zaak van

de vrouw,

wonende te Hoedekenskerke, gemeente Borsele,

eiseres,

procureur: voorheen mr. C.J. IJdema, thans mr. B. van Leeuwen,

tegen:

de man,

wonende te Baarland, gemeente Borsele,

gedaagde,

procureur: mr. H. van Es.

Partijen worden hierna aangeduid als “de vrouw” en “de man”.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 20 december 2004 van de sector kanton van deze rechtbank, waarbij de zaak in de stand waarin zij zich bevond voor verdere behandeling is verwezen naar de sector civiel van deze rechtbank

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien, de ten pleidooie aan de kant van de man genomen akte en de ter gelegenheid van de pleidooien overgelegde stukken

- de nadere conclusie na pleidooi tevens akte tot wijziging/vermeerdering van eis

- de conclusie van antwoord na pleidooi

- de akte uitlaten producties

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij zijn op 3 juni 1988 na het maken van huwelijkse voorwaarden (inhoudende een gemeenschap van inboedel, met uitsluiting van elke andere gemeenschap) met elkaar gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2003, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Borsele op 2 februari 2004, is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden.

Op 8 mei 1989 zijn partijen een overeenkomst aangegaan, die is neergelegd in een “akte van arbeidsvergoedingsovereenkomst”. Deze akte luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(De man en de vrouw);

in aanmerking nemend:

dat (de man) voor eigen rekening en risico een bedrijf uitoefent in Baarland;

dat (de vrouw) werkzaamheden ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van (de man) verricht;

dat het (de man en de vrouw) uit zakelijke overwegingen wenselijk is voorgekomen deze werkzaamheden tegen een reële beloning te verrichten;

zijn een overeenkomst aangegaan waarbij (de vrouw) gehouden is werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van (de man) tegen betaling van een regelmatige beloning in geld, welke overeenkomst wordt beheerst door de navolgende voorwaarden en bepalingen.

AANVANG EN DUUR

ARTIKEL 1

Deze overeenkomst is ingegaan op 1 mei 1990 en is aangegaan voor onbepaalde tijd.

WERKZAAMHEDEN

ARTIKEL 2

1. (De vrouw) is belast met werkzaamheden binnen het kader van het bedrijf van (de man).

(…)

4. (De vrouw) verplicht zich gemiddeld 18 uren per week werkzaam te zijn in het bedrijf van (de man).

BELONING

ARTIKEL 3

De beloning die (de vrouw) ontvangt bedraagt f 29 (zegge negenentwintig) gulden per uur.

De beloning wordt per maand betaald.

Betaling van de beloning geschiedt een week voor ommekomst van de betalingstermijn door schuldomzetting in wegens ter leen ontvangen gelden, waardoor (de vrouw) de beloning heeft genoten en (de man) is gekweten van zijn betalingsverplichting voortvloeiende uit onderhavige overeenkomst.

(…)”

2.3. De vrouw heeft gedurende de looptijd van de arbeidsvergoedingsovereenkomst werkzaamheden voor het bedrijf van de man verricht. De daarvoor verschuldigde beloning (fl. 27.144,-- per jaar) is als privé-onttrekking (als: arbeidsvergoeding meewerkende echtge-noot) in de boekhouding van het bedrijf van de man vermeld en vervolgens als privé-stor-ting (als: inbreng arbeidsvergoeding meewerkende echtgenoot) teruggeboekt. Er is geen schuld aan de vrouw in de balans opgenomen. Feitelijk is er niet aan de vrouw betaald.

2.4. In september 2002 zijn partijen een overeenkomst aangegaan, die is neergelegd in een “akte van beëindiging arbeidsvergoedingsovereenkomst”. Deze akte luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(De man en de vrouw):

in aanmerking nemend:

dat (de man) voor eigen rekening en risico een bedrijf uitoefent in Baarland;

dat (de vrouw) werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf van (de man) verricht;

dat (de man en de vrouw) op 8 mei 1990 een overeenkomst zijn aangegaan, niet zijnde een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij (de vrouw) gehouden is werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het bedrijf van (de man) tegen betaling van een regelmatige beloning in geld;

dat (de man en de vrouw) hiervoor vermelde overeenkomst nader hebben bekeken in het kader van de Wet Inkomstenbelasting 2001;

zijn nader overeengekomen dat deze arbeidsvergoedingsovereenkomst per 31 december 2000 is beëindigd.”

2.5. Op 31 juli 2001 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, welke – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“(De man en de vrouw);

In aanmerking nemend;

dat (de man en de vrouw) op 3 juni 1988 (…) met elkaar zijn gehuwd;

dat (de man en de vrouw) huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen waarvan de akte op 19 mei 1999 is verleden (…);

dat deze akte op 7 juni 1988 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers (…);

dat (de man en de vrouw) de jaarlijks opkomende financiële rechten en verplichtingen tussen hen administratief hebben veronachtzaamd;

dat (de man en de vrouw) de financiële rechtsgevolgen als gevolg van die huwelijkse voorwaarden wensen te concretiseren met inachtneming van de tussen hen van kracht zijnde huwelijkse voorwaarden;

dat (de man en de vrouw) om hun moverende redenen wensen dat een cijfermatige uitwerking achterwege blijft;

dat (de man en de vrouw) in onderling overleg overeen zijn gekomen dat het in artikel 2 genoemde bedrag redelijk is;

zijn een vaststellingsovereenkomst aangegaan welke wordt beheerst door de volgende voorwaarden en bepalingen:

(…)

Voorwerp van de overeenkomst

Artikel 2

Deze overeenkomst bevat een vaststelling van hetgeen (de man en de vrouw) op 30 april 2001 aan elkaar verschuldigd zijn of van elkaar te vorderen hebben op grond van de tussen hen van kracht zijnde huwelijkse voorwaarden.

Vaststelling

Artikel 3

(De vrouw) heeft op 30 april 2001 te vorderen van (de man) een bedrag van f. 100.000,- (zegge: honderdduizend gulden), welk bedrag in onderling overleg is vastgesteld tussen (de man en de vrouw) en betrekking heeft op de periode, die aanvangt op 3 juni 1988 en eindigt op 30 april 2001.”

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert dat de rechtbank de man bij vonnis – voor zover mogelijk uit-voerbaar bij voorraad – veroordeelt tot betaling aan haar van een bedrag groot (na vermeer-dering van eis zonder processueel bezwaar van de man) € 131.426,76, te vermeerderen met wettelijke rente daarover telkens vanaf de datum van verschuldigd worden, alsmede te ver-hogen met de rente ex art. 7:625 van het Burgerlijk Wetboek, beide tot de dag der algehele voldoening, alles met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.

3.2. Met verwijzing naar de onder 2.2 genoemde overeenkomst (waaraan haars inziens de tot 1997 geldende onmogelijkheid om tussen echtgenoten een arbeidsovereenkomst aan te gaan niet in de weg staat) en stellende dat zij daadwerkelijk arbeid heeft verricht, stelt zij recht te hebben op de overeengekomen beloning. De man heeft die beloning (ad fl. 27.144,-- bruto per jaar) nimmer uitbetaald; door een “boekhoudkundig kasrondje” is het aan de vrouw toekomende geld weer teruggestort in het bedrijf van de man. Een schuld aan de vrouw is evenmin vastgelegd; als conform de arbeidsvergoedingsovereenkomst was gehandeld, dan was dat wel gebeurd. De vrouw heeft nog recht op betaling van hetgeen als schuld had moeten zijn vastgelegd, derhalve het (als lening teruggestorte bruto-)bedrag van fl. 27.144,-- per jaar gedurende 10,67 jaar, in totaal € 131.426,76. Als al een verjaringster-mijn van toepassing is, dan is deze op grond van art. 3:321, lid 1, sub van het Burgerlijk Wetboek nog niet verstreken. Juist is dat de vrouw deze beloning op grond van de huwe-ijkse voorwaarden had dienen in te brengen ten behoeve van de kosten van de gezamenlijke huishouding, doch dat zou niet haar hele inkomen zijn geweest en voorts dient de vaststel-ling daarvan niet in deze, maar in een andere procedure (namelijk die tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) plaats te vinden. De hier bedoelde arbeidsbeloning is niet inbegre-pen in het bedrag van fl. 100.000,--, dat wordt genoemd in de onder 2.5 genoemde vaststel-lingovereenkomst; in die – overigens naar het oordeel van de vrouw nietige - overeenkomst wordt de arbeidsvergoedingsovereenkomst niet genoemd, noch ernaar verwezen.

3.3. De man stelt dat geen sprake was van een daadwerkelijke arbeidsovereenkomst; het aangaan daarvan was destijds tussen echtgenoten niet mogelijk. Het gaat om een op ad-vies van de accountant aangegane overeenkomst, die fiscale redenen had. De vrouw wist daarvan. De vrouw heeft overigens geen 18 uur per week in het bedrijf van de man gewerkt. De arbeidsvergoeding werd niet uitgekeerd, maar is boekhoudkundig als privé-onttrekking en vervolgens privé-(terug)storting verwerkt; er werd geen schuld aan de vrouw in de balans opgenomen. De man betaalde wel belasting over de vergoeding; om die reden kan de vrouw in elk geval geen bruto-bedragen vorderen, zoals zij na de wijziging van eis doet. De be-drijfswinst werd vervolgens overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen en daarvan werd de gezamenlijke huishouding bekostigd.

Als de vrouw al iets te vorderen had, is die vordering nagenoeg geheel verjaard. Voorts had de vrouw een door haar ontvangen beloning op grond van de huwelijkse voorwaarden die-nen in te brengen ten behoeve van de kosten van de huishouding. Al hetgeen de vrouw in het kader van de huwelijkse voorwaarden van de man te vorderen had is begrepen in de onder 2.5 genoemde vaststellingsovereenkomst.

4 De beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat – overeenkomstig het bepaalde in de arbeids-vergoedingsovereenkomst – de in die overeenkomst bedoelde vergoeding steeds diende te worden betaald in de vorm van toekenning van een leenschuldvordering en dat de vrouw thans die leenschuld van de man vordert.

4.2. Om proceseconomische redenen – immers om direct tot de kern van het geschil te ko-men – gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit dat een arbeidsvergoedingsover-eenkomst als hier bedoeld destijds tussen echtgenoten mogelijk was. De kernvraag die dan dient te worden beantwoord is of de door vrouw thans gevorderde leenschuld daadwerkelijk is ontstaan en door haar kan worden opgeëist.

4.3. Hiertoe dient de bedoeling en feitelijke uitwerking van de overeenkomst te worden be-zien. Door de man is gesteld dat de overeenkomst is aangegaan op advies van de accountant, om fiscale redenen. Dat is door de vrouw niet betwist. In een door haar overgelegde toelich-ting op de overeenkomst van de accountant plaatst deze de overeenkomst is het kader van de fiscale mogelijkheden voor een bedrijf in geval van een meewerkende partner. De accoun-tant noemde twee mogelijkheden: er kan een meewerkaftrek worden opgevoerd, of er kan worden uitgegaan van een reële arbeidsbeloning. Op dat laatste geval heeft de arbeidsver-goedingsovereenkomst betrekking. Wanneer wordt gekozen voor deze arbeidsvergoeding, dan kan dat (kennelijk boekhoudkundig verantwoord) op twee verschillende wijzen worden verwerkt: via de winst- en verliesrekening, of via de privé-onttrekkingen. Er wordt in beide gevallen feitelijk niets betaald; over de noodzaak een schuld van het bedrijf aan de meewer-kende partner in de boeken op te nemen zegt de accountant niets.

4.4. Uit de feitelijke gang van zaken en de daarbij kennelijk steeds leidend geweest zijnde fiscale bedoeling leidt de rechtbank het navolgende af: de arbeidsvergoedingsovereenkomst is voor haar fiscale doel gebruikt op de tweede, door de accountant genoemde wijze, maar niet naar de letter uitgevoerd. Er is feitelijk geen uitvoering gegeven aan de in de overeen-komst genoemde schuldomzetting: blijkens de boeken is het inkomen van de vrouw wel uit-gekeerd – namelijk in de (in de overeenkomst niet voorziene) vorm van een privé-onttrek-king, benoemd als “arbeidsvergoeding meewerkende echtgenote”. De fiscale doelstelling is daarmee behaald. Boekhoudkundig is die vergoeding daarmee uitbetaald en ontstond er geen schuld aan de vrouw; terecht is dan ook geen schuld in de boekhouding opgenomen.

Vervolgens is de arbeidsvergoeding als privé-storting weer in het bedrijf van de man terug-gestort, onder de vermelding “inbreng arbeidsvergoeding meewerkende echtgenote”. Hoe-wel door de accountant wel als onderdeel van de boekhoudkundige wijze van verwerken ge-noemd, lijkt deze terugstorting voor het behalen van het fiscale doel van de arbeidsvergoe-dingsovereenkomst niet nodig. Die terugstorting heeft alleen dan zin wanneer partijen met de overeenkomst uitsluitend een fiscale bedoeling hadden – en niet ook de bedoeling be-stond dat daadwerkelijk zou worden uitgekeerd.

4.5. De omstandigheid dat de overeenkomst kennelijk uitsluitend een fiscaal doel had bete-kent niet dat de vrouw geen recht zou hebben op een arbeidsbeloning. Wel moet worden vastgesteld dat, gelet op al het vorenstaande, met de (boekhoudkundige) uitkering van de vergoeding aan de vrouw aan de (bedoeling van de) arbeidsvergoedingsovereenkomst was voldaan. De terugstorting van die beloning naar (het bedrijf van) de man maakt dat niet an-ders. De grondslag voor die terugstorting moet – nu deze niet is gelegen in de arbeidsver-goedingsovereenkomst – worden gezocht in de omstandigheid dat partijen met elkaar waren gehuwd en op grond van de huwelijkse voorwaarden ieder naar rato van hun inkomen ge-houden waren aan de kosten van de gezamenlijke huishouding, welke kosten blijkens de overgelegde stukken in de vorm van privé-onttrekkingen geheel werden bestreden uit het inkomen van het bedrijf van de man.

4.6. Resumerend stelt de rechtbank vast dat de vraag of de vrouw op grond van de arbeids-vergoedingsovereenkomst thans alsnog (of beter: opnieuw) uitkering door de man van de in zijn bedrijf teruggestorte arbeidsvergoeding kan vragen, ontkennend moet worden beant-woord. Boekhoudkundig is de vergoeding uitgekeerd. Er is, anders dan in de arbeidsvergoe-dingsovereenkomst is bepaald, geen schuld van de man aan de vrouw ontstaan, zodat de vrouw geen betaling van die schuld door de man kan vorderen. Voor zover de aan de vrouw toekomende vergoeding bij de man is gebleven, moet de grondslag voor een eventuele (te-rug-)vordering daarvan worden gezocht in de tussen partijen bestaan hebbende huwelijkse voorwaarden. In hoeverre aan een dergelijke vordering de kennelijk tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van augustus 2001 in de weg staat, kan in het kader van de on-derhavige procedure niet worden beoordeeld. Een vordering gebaseerd op de arbeidsver-goedingsovereenkomst heeft de vrouw evenwel niet (meer).

4.7. De vordering zal op grond van het vorenstaande dan ook worden afgewezen. De overi-ge in dit geschil voorliggende vragen kunnen in het midden blijven. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de vrouw worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering af;

- veroordeelt de vrouw in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 1.100,-- aan griffierecht en € 7.105,-- aan procureursalaris.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2006.