Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY9130

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
47262 HA ZA 2005-151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank valt artikel II van het testament niet anders te lezen dan dat erflaatster gedaagde tot enig erfgenaam heeft benoemd onder de last die in artikel III nader wordt omschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 20 september 2006 in de zaak van:

rolnr: 05-151

[eiseres],

wonende te Domburg, gemeente Veere,

eiseres,

procureur: mr. C.J. de Wit,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Domburg, gemeente Veere,

gedaagde,

procureur: mr. P.M.E. Bilterijst.

1. Het verdere procesverloop

De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 22 maart 2006 waarin eiseres in de gelegenheid wordt gesteld een akte wijziging eis te nemen. Nadien zijn de volgende aktes genomen:

- akte tot wijziging van eis;

- antwoordakte inzake wijziging eis;

- akte tot uitlating van de zijde van [eiseres];

- antwoordakte producties van de zijde van [gedaagde].

2. Het verdere geschil

2.1. Eiseres heeft - na wijziging van eis - gevorderd dat de rechtbank gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om de woning met pension en bedrijfsinventaris, voorzover nog aanwezig, gelegen te Domburg aan de [adres], te koop aan te bieden aan eiseres tegen tachtig procent van de waarde, alles op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke zal blijven om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure. Hetgeen eiseres ter onderbouwing van de vordering aanvoert is ongewijzigd gebleven.

2.2. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de eis zoals deze onder 2.1 is omschreven.

3. De verdere beoordeling van het geschil

3.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of en hoe het testament van mevr. L. [eiseres] (hierna: erflaatster) dient te worden uitgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag een testament slechts worden uitgelegd indien de bewoordingen ervan onduidelijk zijn. Voor beantwoording van de vraag of de bewoordingen van het testament onduidelijk zijn - dat wil zeggen dat de bewoordingen als verklaring van hetgeen erflaatster wil dat na haar dood met haar vermogen zal geschieden, geen duidelijke zin hebben - dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflaatster heeft willen regelen en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of de bewoordingen van het testament en in het bijzonder artikel II en III wel of geen duidelijke zin hebben. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank valt artikel II van het testament niet anders te lezen dan dat erflaatster gedaagde tot enig erfgenaam heeft benoemd onder de last die in artikel III nader wordt omschreven.

3.3. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de bewoordingen waarmee de last in artikel III wordt omschreven al dan niet duidelijke zin hebben. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de last blijkt dat gedaagde bij aanvaarding van de nalatenschap de keuze had uit twee opties. In het geval gedaagde ervoor zou kiezen in de woning te gaan wonen (optie A) dan moest het bedrijf worden voortgezet door eiseres. In het geval gedaagde ervoor zou kiezen de woning te vervreemden (optie B) dan diende zij deze eerst aan eiseres aan te bieden.

Voorts zijn aan de rechtbank geen omstandigheden gebleken die zich ten tijde van het opmaken van het testament voordeden als gevolg waarvan de bewoordingen van artikel III van het testament geen duidelijke zin hebben. Ook de verhoudingen die erflaatster met haar testament heeft willen regelen, maken de bewoordingen niet onduidelijk. Derhalve komt de rechtbank niet toe aan uitlegging van artikel III van het testament.

3.4. Het is inherent aan het maken van een keuze dat eenmaal gekozen voor het één, de weg naar het ander niet meer open staat. Nu gedaagde er op het moment van aanvaarding van de nalatenschap voor heeft gekozen om in de woning te gaan wonen en het pension aan eiseres te verhuren en zij dit ook daadwerkelijk gedaan heeft, heeft zij voldaan aan de last die haar in het testament werd opgedragen. Zij is derhalve niet gehouden de woning met pension in het geval van verkoop eerst aan eiseres aan te bieden. De rechtbank zal de vordering van eiseres daarom afwijzen.

3.5. De rechtbank zal eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding veroordelen.

4. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op € 1356,- aan salaris van de procureur en € 244,- aan verschotten, bestaande uit griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg - Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 september 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

BO