Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY8663

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
21-09-2006
Zaaknummer
50654 KG 2005-540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

gedaagden verblijven zonder huurovereenkomst in een woonwagen.

''Gelet op voormelde handelwijze van [gedaagden] is de omstandigheid dat zij niet over vervangende woonruimte beschikken geen reden om de vordering af te wijzen of [gedaagden] een ruime ontruimingstermijn te gunnen. Hier komt bij dat voldoende aannemelijk is geworden dat op korte termijn een einde zal komen aan de huurovereenkomst tussen de heer [B.] en de gemeente en bovendien op korte termijn niet valt te verwachten dat er een (andere) woonwagen voor [gedaagden] beschikbaar komt op het woonwagencentrum in Zaamslag. Er kan in dit kader derhalve geen sprake zijn van een overbruggingstermijn gedurende welke [gedaagden] in redelijkheid in de woonwagen moeten kunnen blijven wonen.''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

Vonnis van 10 januari 2006 in de zaak van:

Kort gedingnr.: 240/2005

de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Terneuzen,

ten deze vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Wethouders,

zetelend te Terneuzen,

eiseres,

procureur: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Zaamslag, gemeente Terneuzen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Zaamslag, gemeente Terneuzen,

gedaagden,

procureur: mr. J.L.M. Burlet.

1. Het verloop van het geding

Partijen worden verder aangeduid als de gemeente en [gedaagden]

Het dossier bevat de volgende processtukken:

- dagvaarding met bijlagen;

- conclusie van antwoord zijdens [gedaagden];

- ter terechtzitting namens de gemeente overhandigde machtiging en algemene voorwaarden bij verhuur van woonwagens en standplaatsen;

- pleitaantekeningen zijdens de gemeente.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 3 januari 2006, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2. De feiten

2.1. De gemeente verhuurt op het woonwagencentrum te Zaamslag, gemeente Terneuzen, woonwagenstandplaatsen en woonwagens.

2.2. Met ingang van 1 april 2004 heeft de gemeente een huurovereenkomst gesloten met de heer [[B.] met betrekking tot de woonwagenstandplaats, de woonwagen en de daarbij behorende berging, staande en gelegen aan de [adres] te Zaamslag, gemeente Terneuzen (hierna: de woonwagen).

De heer [B.] verblijft al geruime tijd niet meer in de woonwagen.

De tussen de gemeente en de heer [B.] gesloten huurovereenkomst is tot op heden nog niet beëindigd.

2.3. Op voormelde huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden bij verhuur van woonwagens en standplaatsen van toepassing. Hierin is, voorzover van belang, het navolgende opgenomen:

“(…)

Artikel 5.4 Onderverhuur

Huurder zal niet zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van verhuurder de

woonwagen of de standplaats onderverhuren, in gebruik geven of op de standplaats een

andere wagen of een bouwwerk plaatsen dat wordt of kan worden bewoond.

(…).”

2.4. [gedaagden] hebben zich op de wachtlijst laten plaatsen voor een standplaats op het woonwagencentrum in Zaamslag. Zij staan als nummer vier op de lijst.

2.5. Sedert november 2005 verblijven [gedaagden] in de woonwagen aan de [adres] te Zaamslag. Zij staan ook op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basis-administratie van de gemeente Terneuzen.

2.6. Op 23 november 2005 hebben [gedaagden] aan de gemeente kenbaar gemaakt dat zij in de woonwagen verblijven en dat zij voor dit verblijf een huurovereenkomst met de gemeente willen sluiten. De gemeente heeft geweigerd om een huurovereenkomst met [gedaagden] te sluiten.

2.7. Bij brieven van 24 november 2005 en 14 december 2005 heeft de gemeente [gedaagden] gesommeerd de woonwagen te ontruimen en te verlaten. [gedaagden] hebben hier tot op heden geen gehoor aan gegeven.

3. Het geschil

3.1. De gemeente vordert, kort samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de woonwagen te verlaten, te ontruimen, ontruimd te laten en aan de gemeente ter vrije algehele beschikking te stellen, onder afgifte van de sleutels, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met machtiging aan de gemeente om het vonnis zelf ten uitvoer te mogen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Voorts vordert de gemeente [gedaagden] te veroordelen in de kosten van het geding.

De gemeente stelt daartoe dat [gedaagden] zonder recht of titel in de woonwagen verblijven. Er is geen huurovereenkomst met [gedaagden] gesloten terzake de woonwagen en de gemeente is ook niet bereid om dit te doen, aangezien de woonwagen formeel nog is verhuurd aan de heer [B.] en [gedaagden] bovendien niet als nummer 1 vermeld staan op de wachtlijst voor een woonwagen. Verder verblijven [gedaagden] niet met instemming van de heer [B.] in de woonwagen en al zou dat wel het geval zijn, dan is dit op grond van artikel 5.4 van de algemene voorwaarden zonder toestemming van de gemeente niet toegestaan. Voor de heer [J.] die eveneens in de woonwagen zou verblijven, geldt hetzelfde, zodat [gedaagden] hieraan geen rechten kunnen ontlenen.

De omstandigheid dat toewijzing van de vordering aan de zijde van [gedaagden] een noodtoestand doet ontstaan, is aan hen zelf te wijten. Zij hebben, voordat zij verzekerd waren van nieuwe woonruimte, hun woonruimte in Sluis opgezegd. Niet te verwachten valt dat op korte termijn een andere te huren woonwagen op het woonwagencentrum vrijkomt waarvoor [gedaagden] gelet op hun plaats op de wachtlijst voor in aanmerking komen. Voorts is het ook geen optie dat [gedaagden] gedurende de ontbindingsprocedure met de heer [B.] in de woonwagen verblijven, aangezien op basis van afspraken met de heer [B.] te verwachten is dat de overeenkomst op korte termijn zonder procedure zal worden beëindigd.

Nu [gedaagden] in de woonwagen verblijven, is aannemelijk dat zij ook beschikken over de sleutels, zodat zij deze aan de gemeente kunnen afgeven.

3.2. [gedaagden] betwisten dat de gemeente op juiste wijze is vertegenwoordigd en dat zij ontvankelijk is in haar vorderingen.

Zij betwisten dat zij onrechtmatig in de woonwagen verblijven zolang de huurovereenkomst met de heer [B.] voortduurt. De heer [B.] heeft zich niet tegen hun verblijf in de woonwagen verzet. Zij wonen bij hem in. Bovendien verblijft ook de heer [J.] in de woonwagen en tegen dit verblijf wordt niet door de gemeente opgetreden.

Hun verblijf in de woonwagen betreft een tijdelijke oplossing in afwachting van een van de gemeente te huren woonwagen, aangezien [gedaagden] niet konden aarden in een ‘normale’ woning. Zij zijn bereid en in staat om de huurpenningen voor de woonwagen te voldoen.

Verder stellen zij niet in staat en bevoegd te zijn om de woonwagen te ontruimen en de sleutels aan de gemeente af te geven. De inventaris en de roerende zaken zijn eigendom van de heer [B.]. Ook de sleutels horen aan hem toe, zolang de huurovereenkomst niet is geëindigd.

Voorts stellen [gedaagden] dat bij toewijzing van de vordering van de gemeente een noodtoestand zal ontstaan, aangezien zij niet beschikken over vervangende woonruimte en gedaagde sub 2 64 jaar oud is. Hen dient in ieder geval een ruime termijn te worden gegund om vervangende woonruimte te vinden, dan wel de mogelijkheid te worden geboden om gedurende de ontbindingsprocedure met de heer [B.] in de woonwagen te verblijven.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op de stellingen van de gemeente en het bepaalde in artikel 160 van de Gemeentewet is het College van Burgemeester en Wethouders bevoegd om deze procedure namens de gemeente aanhangig te maken. De gemeente is derhalve ontvankelijk in haar vorderingen.

4.2.1. Vaststaat dat tussen de gemeente en [gedaagden] geen huurovereenkomst met betrekking tot de woonwagen is gesloten. Niet gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] een onderhuurovereenkomst met de heer [B.] ten aanzien van de woonwagen hebben gesloten. Voorts is gelet op de stellingen van partijen over en weer onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden] op basis van een afspraak, dan wel anderszins met toestemming van de heer [B.] in de woonwagen verblijven.

Voorzover het verblijf van [gedaagden] is gebaseerd op toestemming van de heer [J.], dan kunnen [gedaagden] hieraan geen rechten ontlenen. De heer [J.] is niet bevoegd om die toestemming te verlenen, omdat hij zelf ook zonder toestemming van de gemeente en zonder huurovereenkomst in de woonwagen verblijft en [gedaagden] dat weten of kunnen weten.

4.2.2. De gemeente wil niet meewerken aan indeplaatsstelling van [gedaagden] voor de heer [B.] als huurders van de woonwagen. Op grond van haar toewijzingsbeleid, waarvan een wachtlijst deel uitmaakt, en de plaats van [gedaagden] op die wachtlijst, kan zij voornoemde indeplaatsstelling thans in redelijkheid weigeren. Door de handelwijze van [gedaagden] hebben zij zich echter in een positie gemanoeuvreerd, waarbij zij in de woonwagen verblijven terwijl zij daar op basis van het toewijzingsbeleid van de gemeente geen recht op hebben. Dit is onrechtmatig, zodat [gedaagden] de woonwagen dienen te verlaten en te ontruimen.

De omstandigheid dat de heer [J.] eveneens in de woonwagen verblijft en dat hem (nog) geen ontruiming is aangezegd, maakt het voorgaande niet anders. [gedaagden] kunnen hieraan geen rechten ontlenen.

4.3. Gelet op voormelde handelwijze van [gedaagden] is de omstandigheid dat zij niet over vervangende woonruimte beschikken geen reden om de vordering af te wijzen of [gedaagden] een ruime ontruimingstermijn te gunnen. Hier komt bij dat voldoende aannemelijk is geworden dat op korte termijn een einde zal komen aan de huurovereenkomst tussen de heer [B.] en de gemeente en bovendien op korte termijn niet valt te verwachten dat er een (andere) woonwagen voor [gedaagden] beschikbaar komt op het woonwagencentrum in Zaamslag. Er kan in dit kader derhalve geen sprake zijn van een overbruggingstermijn gedurende welke [gedaagden] in redelijkheid in de woonwagen moeten kunnen blijven wonen.

4.4. Nu [gedaagden] geruime tijd in de woonwagen wonen, is aannemelijk dat zij ook over sleutels van de woonwagen beschikken en dat zich in de woonwagen goederen bevinden die aan [gedaagden] in eigendom toebehoren. De sleutels dienen zij aan de gemeente af te geven en de woonwagen dienen zij te ontruimen met alle aan hen toebehorende goederen.

4.5. Gelet op het bovenstaande zullen de vorderingen van de gemeente worden toegewezen op onderstaande wijze, met dien verstande dat de gevorderde ontruimingstermijn in redelijkheid zal worden bepaald op zeven dagen na betekening van het vonnis.

De gevorderde dwangsom ten aanzien van de gevorderde verlating en ontruiming zal worden afgewezen, nu voor het opleggen van een dwangsom geen aanleiding bestaat. De gemeente zal op haar vordering worden gemachtigd om het vonnis zelf ten uitvoer te leggen indien [gedaagden] in gebreke blijven om aan het vonnis te voldoen, zodat verlating en ontruiming van de woonwagen hiermee voldoende is gewaarborgd.

4.6. [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt [gedaagden] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woonwagenstandplaats en de woonwagen met berging op het [adres] te Zaamslag met al hun eigendommen te verlaten, te ontruimen en ontruimd te laten en aan de gemeente ter vrije algehele beschikking te stellen, onder afgifte van de sleutels;

- machtigt de gemeente om, indien [gedaagden] met de ontruiming in gebreke blijven, de ontruiming zelf uit te voeren, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, onder bepaling dat alle met voornoemde ontruiming gemoeide kosten volledig voor rekening komen van [gedaagden];

- veroordeelt [gedaagden] in de kosten van dit geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 85,60 wegens kosten dagvaarding, € 244,00 wegens griffierechten en € 1.054,00 wegens procureurssalaris;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 10 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

cb